Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
24 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een cassatiedagvaarding die was uitgebracht aan een partij op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard, rechtsgeldig was, en of de bewindvoerder in het geding moest worden betrokken.
De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en overwoog dat bij toepassing van de schuldsaneringsregeling het cassatieproces moet worden voortgezet tegen de bewindvoerder, omdat deze de beschikkingsbevoegdheid over het vermogen van de schuldenaar heeft. De dagvaarding had dan ook aan de bewindvoerder moeten worden betekend.
Hoewel de dagvaarding slechts aan de schuldenaar was betekend, en niet aan de bewindvoerder, was er sprake van een vergissing. De Hoge Raad oordeelde dat niet-ontvankelijkheid van de eiseres in cassatie niet gerechtvaardigd was, omdat de bewindvoerder vermoedelijk op de hoogte was van het cassatieberoep. Daarom werd eiseres in de gelegenheid gesteld om alsnog de bewindvoerder op te roepen op grond van art. 118 Rv Pro.
De Hoge Raad verwierp het beroep op nietigheid van de dagvaarding en oordeelde dat de schorsingsbepalingen van de Faillissementswet niet van toepassing waren op het cassatieproces. De zaak werd verwezen naar een rolzitting om de bewindvoerder op te roepen.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt eiseres in de gelegenheid de bewindvoerder op te roepen en wijst niet-ontvankelijkheid af.