Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2852

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
24/1948
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding bij onjuiste IB/PVV-aanslag 2021

Belanghebbende kreeg voor 2021 een IB/PVV-aanslag opgelegd met een te hoog belastbaar loonbedrag, gebaseerd op onjuiste gegevens van het UWV. De Inspecteur had het bezwaar deels gegrond verklaard, maar weigerde proceskosten te vergoeden. De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af. In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij recht had op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase.

Het hof oordeelde dat de aanslag onjuist was door aan de Inspecteur toe te rekenen onjuiste gegevensverstrekking door het UWV. De Inspecteur kon zich niet beroepen op het niet reageren op de afwijkingsbrief, omdat deze geen verplichting tot het verstrekken van gegevens inhield. Het hof volgde de wetsgeschiedenis van artikel 7:15 Awb Pro, dat vergoeding van kosten bij herroeping van een besluit wegens aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid mogelijk maakt.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor zover geen proceskostenvergoeding was toegekend. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van griffierechten. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €2.534, de griffierechten €188.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten wegens onjuiste IB/PVV-aanslag 2021.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1948
uitspraakdatum: 6 mei 2026
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2024, nummer LEE 23/2884, ECLI:NL:RBNNE:2024:4368, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.292. Tegelijk met deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 4 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.195 en de belastingrente verminderd tot nihil. De Inspecteur heeft geen proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij is verschenen en gehoord namens belanghebbende mr. P.J.R. Venema (hierna: de gemachtigde) en namens de Inspecteur [naam1] , bijgestaan door mr. [naam2] en mr. [naam3] . De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota, voorzien van bijlagen, overgelegd.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is in 2021 van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 in loondienst werkzaam bij [werkgever] . Vanaf 1 juli 2021 heeft de werkgever geen werknemers meer in dienst, omdat zij is opgehouden te bestaan. In zijn brief van 8 augustus 2021 onder vermelding van ‘Mededeling Loonheffingen Intrekking aangiftebrief’ gericht aan de werkgever heeft de Belastingdienst het volgende opgenomen:
“Volgens onze informatie hebt u vanaf 1 juli 2021 geen werknemers meer in dienst.
Wat betekent dat voor u?
Omdat u geen werknemers meer heeft, betaalt u geen loonheffingen meer. Dit betekent dat u vanaf 1 augustus 2021 geen aangifte loonheffingen meer hoeft te doen.’
2.2.
De werkgever heeft aan belanghebbende na afloop van het jaar 2021 een jaaropgave verstrekt. Daarin is vermeld dat belanghebbende vanaf 15 juli 2002 in dienst was en op 30 juni 2021 uit dienst ging bij de werkgever. Ook is daarin vermeld dat het voor de IB/PVV aan te geven fiscaal loon € 14.689 bedraagt en de loonheffingen € 2.256.
2.3.
In het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst is het Fiscale Loon Gegevens - Overzicht inkomstenverhoudingen per jaar - (hierna: FLG-overzicht) voor het jaar 2021 van belanghebbende opgenomen. Achter de naam van de werkgever is als tijdvak opgenomen ’01-01 t/m 31-12’. Daarachter een bedrag aan loonheffingen van € 2.490 en een loonbedrag van € 16.786.
2.4.
De gemachtigde heeft op 19 april 2022 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 voor belanghebbende ingediend.
2.5
Bij brief van 24 oktober 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld van plan te zijn om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 af te wijken van haar aangifte. De brief is verstuurd naar de gemachtigde. De Inspecteur schrijft - voor zover van belang - het volgende:
“Hoe wil ik afwijken van de aangifte van uw cliënt?
Verhoging van de inkomsten uit loon of uitkering van uw cliënt
U vermeldt in de aangifte dat uw cliënt in 2021 een bedrag van € 27.341 heeft ontvangen aan inkomsten uit loon of uitkering. De werkgever(s) en/of uitkeringsinstantie(s) hebben ook loongegevens doorgegeven aan de Belastingdienst. Deze loongegevens vindt u in de bijlage LOONGEGEVENS. Uit deze loongegevens blijkt:
- dat uw cliënt in 2021 in totaal € 29.418 heeft ontvangen aan inkomsten uit loon of uitkering;
- dat hierop in totaal € 3.912 aan loonheffing is ingehouden.
Voor de berekening van de inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen ga ik uit van de laatste bedragen.
Welke gevolgen heeft de afwijking voor uw cliënt?
Door deze afwijking van de aangifte van uw cliënt verandert het verzamelinkomen van uw cliënt. Hierdoor verandert ook de te betalen of terug te ontvangen belasting.
Wat kunt u doen?
Bent u het eens met de afwijking van de aangifte van uw cliënt? Dan hoeft u niets te doen.
Bent u het niet eens met de wijziging van de inkomsten uit loon of uitkering van uw cliënt? Stuur mij dan een brief waarin u uitlegt waarom u denkt dat de wijziging niet juist is. Stuur ook kopieën van de jaaropgaven van uw cliënt mee. U kunt daarvoor contact opnemen met de salarisadministratie van de werkgever of uitkeringsinstantie van uw cliënt.
Stuur de brief naar het op deze brief vermelde retouradres. Uw reactie moet vóór 14 november 2022 binnen zijn.
Wat kunt u van ons verwachten?
Als u niet reageert ontvangt uw cliënt na het verstrijken van de reactietermijn binnen vier weken de aanslag over 2021.
Als ik wel een reactie van u ontvang, dan heb ik meer tijd nodig om de aanslag van uw cliënt over 2021 vast te stellen. Uw cliënt ontvangt dan binnen twee maanden na uw reactie de aanslag. Op de aanslag leest uw cliënt hoeveel belasting hij/zij moet betalen of terugkrijgt. ”
2.6.
De gemachtigde heeft bewust niet gereageerd op de brief van 24 oktober 2022.
2.7.
Met dagtekening 13 december 2022 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 vastgesteld overeenkomstig de aangekondigde afwijking (zie 2.5.) met daarin ter zake van het dienstverband met de werkgever een loonbedrag van € 16.786 en een bedrag van € 2.490 aan loonheffingen.
2.8.
Bij brief van 11 januari 2023 heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021. In de bezwaarprocedure heeft belanghebbende stukken (jaaropgave en salarisafrekening) overgelegd ter onderbouwing van het in de aangifte opgenomen looninkomen. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 verminderd. Hij heeft het verzoek om een vergoeding van proceskosten afgewezen.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ingevolge artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.2.
In de wetsgeschiedenis van dit artikellid is, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:
“Dit amendement bewerkstelligt dat de kosten die een burger redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van een bezwaar- of administratief beroepschrift, door de overheid worden vergoed, wanneer de overheid het besluit herroept wegens de onrechtmatigheid ervan. Die onrechtmatigheid moet wel aan de overheid te wijten zijn. Dit betekent dat deze kosten aanzienlijk eerder voor vergoeding in aanmerking komen dan in het regeringsvoorstel.
Wordt een besluit niet herroepen, dan komen de gemaakte kosten voor rekening van de belanghebbende. Loutere vormfouten of motiveringsgebreken leiden niet tot een vergoedingsplicht. Het woord "herroepen" impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Indien de onjuistheid van het besluit te wijten is aan de belanghebbende, bijvoorbeeld omdat hij niet tijdig de juiste gegevens heeft verschaft, bestaat uiteraard geen recht op vergoeding.” (Kamerstukken II 2000-2001, 27 024, nr. 14, blz. 1-2).
en
“Wij wijzen er op dat de aanleiding voor deze wettelijke regeling is gelegen in de uiteenlopende jurisprudentie tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter over de vraag, in hoeverre de kosten van de bestuurlijke voorprocedure voor vergoeding in aanmerking komen. Het wetsvoorstel maakt aan deze onduidelijkheid een einde, ook na aanvaarding van het amendement-Dittrich c.s. door de Tweede Kamer. De bepalingen in het wetsvoorstel waarin de bevoegdheid om een bestuursorgaan in de kosten van de voorprocedure te veroordelen bij uitsluiting wordt toegekend aan de bestuursrechter, zijn gehandhaafd. Naar huidig recht aanvaardt de Hoge Raad, gelet op zijn jurisprudentie, een verregaande aansprakelijkheid van het bestuursorgaan voor de kosten van de voorprocedure. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de voorprocedure, geen andere eisen gelden dan die voor onrechtmatige daad gelden en die zijn terug te vinden in artikel 6:96 BW Pro. Op grond van dit artikel moeten de kosten van de voorprocedure als vermogensschade worden vergoed indien de beslissing om bijstand te vragen redelijk is en de omvang van de daarmee gemoeide kosten redelijk is. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad kan zodanig worden uitgelegd dat iedere onrechtmatigheid leidt tot een verplichting tot vergoeding van de kosten van de bestuurlijke voorprocedure. In het wetsvoorstel wordt de vergoedingsplicht, na aanvaarding van het amendement-Dittrich, beperkt tot inhoudelijke fouten die aan het bestuursorgaan te wijten zijn.” (Kamerstukken I 2001-2002, 27 024, nr. 17, blz. 4).
4.3.
In het onderhavige geval staat vast dat de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV juist is wat betreft de daarin opgenomen bedragen aan loon en loonheffingen met betrekking tot het dienstverband met de werkgever. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 is onjuist aangezien daarin na de afwijking door de Inspecteur een onjuist loonbedrag en bedrag aan loonheffingen in aanmerking zijn genomen. Verder staat vast dat de bedragen aan (fiscaal) loon en loonheffingen die zijn opgenomen in de door de werkgever aan belanghebbende verstrekte jaaropgave wel juist zijn. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat ervan mag worden uitgegaan dat het UWV aan de Inspecteur onjuiste loongegevens heeft verstrekt. Het Hof volgt de Inspecteur hierin aangezien de aan belanghebbende door de werkgever verstrekte jaaropgave de juiste gegevens bevat en niets erop wijst dat het UWV de juiste loongegevens heeft doorgegeven.
4.4.
Het opleggen van de onjuiste aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 is daarmee het gevolg geweest van een aan het UWV te wijten onjuiste gegevensverstrekking, die voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Awb voor risico van de Inspecteur komt (vgl. HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2078). De omstandigheid dat de gemachtigde om hem moverende redenen bewust niet heeft gereageerd op de afwijkingsbrief van 24 oktober 2022 doet hieraan in het licht van de onder 4.2 aangehaalde wetsgeschiedenis niet af. De genoemde afwijkingsbrief riep, gelet op de daarin opgenomen tekst, niet de verplichting in het leven om binnen de daarin genoemde termijn van drie weken gegevens, zoals de jaaropgave, te verstrekken (vgl. HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2078). Anders dan de Inspecteur meent, kan de betreffende brief niet worden aangemerkt als een verzoek om inlichtingen als bedoeld in artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het Hof volgt de Inspecteur evenmin in zijn betoog dat nu in voormeld arrest een zaak in de aangiftebelastingen aan de orde was, de daarin opgenomen rechtsregel niet van toepassing is op de IB/PVV, een aanslagbelasting.
4.5.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende aanspraak op vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof zal deze vergoeding alsnog toekennen als na te melden.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten te vergoeden.
5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 666), € 934 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934) en € 934 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934), ofwel in totaal op € 2.534.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend,
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.534, en
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 6 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.