ECLI:NL:GHARL:2026:2970

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.366.480/02 en 200.366.480/03
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 RvArt. 194 RvArt. 1:164 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verkoop echtelijke woning en inzage bankafschriften na echtscheiding

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben een echtscheiding uitgesproken gekregen. De rechtbank had de verkoop van de echtelijke woning bevolen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De vrouw verzocht het hof om schorsing van de verkoop en opschorting van dwangsommen, stellende dat zij door de verkoop zonder overwaarde geen woonruimte meer heeft. Het hof oordeelde dat geen sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigen en dat de verkoop noodzakelijk is om schulden te voldoen.

Daarnaast verzocht de vrouw inzage in bankafschriften van de man over een periode waarin vermoedelijk geld van de gemeenschap onttrokken zou zijn. Het hof bepaalde dat de man inzage moet geven over de periode van 2 december 2022 tot 2 juni 2023, conform artikel 1:164 BW Pro, maar wees het verzoek om een overzicht van alle rekeningnummers af.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en bepaalt dat de man inzage moet geven in bankafschriften over een specifieke periode.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.366.480/02 en 200.366.480/03
(zaaknummer rechtbank Gelderland 433157)
beschikking van 12 mei 2026 op het verzoek tot schorsing en op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen
inzake
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. van Coolwijk,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 18 december 2025, uitgesproken onder zaaknummer 433157. In die beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist over de wijze van verdeling van de echtelijke woning in [de woning] (hierna: de woning) en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing en tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met bijlagen, ingekomen op 17 maart 2026;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vrouw van 13 april 2026 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Partijen waren met hun advocaten aanwezig.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Partijen zijn op 11 december 2013 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Het verzoek tot echtscheiding is bij de rechtbank ingediend op 6 juni 2023. De beschikking waarbij de echtscheiding tussen hen is uitgesproken, is op 20 juli 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het schorsingsverzoek
3.2
Aan de orde is allereerst het verzoek van de vrouw om de werking van de bestreden beschikking te schorsen, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.
De standpunten van partijen
3.3
De vrouw verzoekt schorsing van de werking van de bestreden beschikking voor de duur van de beroepsprocedure, voor zover deze betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling c.q. de verkoop van de woning. Daarnaast verzoekt ze de opgelegde dwangsommen op te schorten totdat de man dan wel Phoen’x Holding BV (hierna: Phoen’x) de gehele schuld aan JHN van den Brink BV (hierna: JHN) heeft voldaan, althans de vrouw is ontslagen door JHN uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld.
3.4
Volgens de man moet het schorsingsverzoek van de vrouw worden afgewezen. Hij voert aan dat beide partijen, die het er in beginsel wel over eens zijn dat de woning moet worden verkocht, belang hebben bij een spoedige verkoop van de woning. Uit de verkoopopbrengst van de woning moet de hypothecaire geldlening worden afgelost en daarnaast de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald. Uit het restant van de opbrengst zal de schuld van Phoen’x aan JHN, waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn, voldaan moeten worden.
Wat staat in de wet?
3.5
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, als hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
Wat is het oordeel van het hof?
3.6
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
3.7
Het hof zal het schorsingsverzoek van de vrouw afwijzen. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De woning, waarin de vrouw op dit moment nog met de kinderen van partijen woont, maakt deel uit van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen. Geen van de partijen wil of kan de woning overnemen en zij zijn het er dan ook over eens dat de woning verkocht moet worden. Ook de aandelen in Phoen’x maakten deel uit van de huwelijksgemeenschap van partijen. Deze zijn toegedeeld aan de man. Phoen’x heeft een schuld aan JHN (de onderneming van de moeder van de man).
Voor deze schuld zijn partijen in privé hoofdelijk aansprakelijk. Door JHN is ter verzekering van de nakoming van die hoofdelijke verplichting executoriaal beslag gelegd op de woning. Na verkoop van de woning zal uit de netto opbrengst de schuld van Phoen’x aan JHN worden voldaan. De vrouw stelt dat de man en zijn moeder samenspannen door de vordering van JHN te verhalen op het privé vermogen van partijen en niet op Phoen’x die uiteindelijk draagplichtig is. Het gevolg daarvan is dat de vrouw bij verkoop en levering van de woning geen woonruimte meer heeft voor haar en de kinderen van partijen terwijl zij ook niet kan beschikken over de overwaarde om een nieuwe woning te kopen of te huren.
3.8
Naar het oordeel van het hof is niet genoegzaam gebleken van een vooropgezet plan van de man en zijn moeder om de vrouw in liquiditeitsproblemen te brengen. Het hof is wel van oordeel dat van de man verwacht mag worden dat hij er, overeenkomstig zijn toezegging tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank, alles aan doet om de schuld aan JHN zoveel mogelijk door Phoen’x te laten voldoen, maar dat verandert niets aan de noodzaak om de woning te verkopen en te leveren. Beide partijen hebben de overwaarde nodig en bovendien heeft de vrouw verklaard dat de aan de woning verbonden maandelijkse lasten € 7.000 bedragen en dat zij die betaalt. Mocht de verkoop van de woning worden uitgesteld dan heeft dat geen invloed op de positie van JHN als schuldeiser en bestaat het risico van executoriale verkoop, waarbij de woning naar verwachting minder zal opbrengen. Er is niet gebleken dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust of dat zich na die beslissing nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Ten tijde van de beslissing van de rechtbank bestond de verplichting aan JHN ook al en heeft de rechtbank ook al overwogen dat de vrouw voldoende tijd heeft gehad om andere woonruimte te zoeken. Dat een derde, JHN, gebruikt maakt van ten tijde van de beslissing van de rechtbank bestaande rechten is daarmee niet een nieuw feit. In het licht van hetgeen de rechtbank in haar beslissing heeft overwogen is het belang van de vrouw bij de door haar verzochte schorsing niet groter dan het belang van de man dat de bestreden beschikking op dit onderdeel kan worden uitgevoerd. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de vrouw na verkoop en levering van de woning verlost is van de verplichting om de maandelijkse lasten te voldoen en de vrijkomende liquiditeit kan aanwenden om andere woonruimte te bekostigen. Het verzoek om schorsing wordt afgewezen.
Het verzoek om inzage in bankafschriften
De standpunten van partijen
3.9
De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man aan haar ter inzage de afschriften van zijn bankrekening bij de KNAB moet overleggen over de periode januari 2022 tot en met 2 juni 2023 dan wel 17 januari 2024, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag dat hij hieraan niet voldoet. Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de man een overzicht overlegt van alle bij hem in gebruik zijnde rekeningnummers in die periode, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. Volgens de vrouw heeft de man in de door haar genoemde periode een bedrag van ruim € 1.400.000 van Phoen’x overgeboekt naar zijn privérekening bij KNAB, waarvan een bedrag van ruim € 570.000 niet meer is te traceren. Volgens de vrouw heeft de man op die wijze geld aan de gemeenschap onttrokken, waardoor zij is benadeeld.
3.1
Volgens de man heeft de vrouw geen belang bij inzage in de bankafschriften van zijn KNAB-bankrekening. Die bankrekening is namelijk opgeheven op 17 januari 2023, dus vóór de peildatum van 2 juni 2023, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank en met ingang waarvan de huwelijksgemeenschap is geëindigd (hierna; de peildatum). Alle via de KNAB-rekening verrichte betalingen zijn besteed en ten goede gekomen aan de huwelijksgemeenschap van partijen. Hij ontkent dat de vrouw is benadeeld en dat er geld aan de gemeenschap is onttrokken. Ook overigens zijn er volgens de man geen rekeningen waarmee de vrouw niet bekend was. Alle bankrekeningen zijn in de procedure bekend gemaakt. De verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen. Als er inzage verschaft moet worden in de KNAB-rekening, dan kan dit, gelet op het gestelde in artikel 1:164 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts over de periode vanaf 2 december 2022.
Wat staat in de wet?
3.11
Op grond van artikel 194 Rv Pro heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
3.12
Artikel 1:164 BW Pro bepaalt dat een echtgenoot die de gemeenschap van goederen benadeelt door het lichtvaardig maken van schulden, verspillen van goederen of onbevoegdelijk handelen rond de echtscheiding, de schade aan de gemeenschap moet vergoeden. Deze vergoeding geldt voor acties vanaf zes maanden voor de echtscheidingsprocedure.
Wat is het oordeel van het hof?
3.13
Het hof ziet in de stelling van de vrouw dat de man in een bepaalde periode (waarschijnlijk) geld heeft overgemaakt van de tot de gemeenschap behorende Phoen’x bankrekening naar zijn privérekening bij KNAB, van welke geldbedragen zij een deel niet kan traceren, voldoende aanleiding om het verzoek van de vrouw deels toe te wijzen. Het hof zal daarbij, gelet op de in artikel 1:164 BW Pro gestelde termijn van zes maanden, bepalen dat de man die afschriften aan de vrouw moet overleggen over de periode van 2 december 2022 tot 2 juni 2023 (de peildatum). Uit de door de man over te leggen afschriften zal dan ook kunnen blijken dat de rekening op 17 januari 2023 is opgeheven, zoals de man stelt.
Het hof ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, omdat de man in zijn verweerschrift schrijft dat hij aan een eventuele veroordeling zal voldoen.
Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen om aan de vrouw ook een overzicht over te leggen van alle bij hem in de door haar genoemde periode in gebruik zijnde rekeningnummers. De vrouw heeft niet concreet gesteld dat de man haar in dat verband heeft benadeeld.
3.14
Het hof zal, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van deze procedure compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

4.De beslissing

het hof:
in het schorsingsverzoek:
wijst het verzoek af;
in het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen:
bepaalt dat de man aan de vrouw binnen twee weken na deze beschikking (kopieën van) de bankafschriften van de KNAB-rekening over de periode van 2 december 2022 tot 2 juni 2023 dient over te leggen;
wijst het meer of anders verzochte af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.U.M. van der Werff en E. de Boer, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.