Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2976

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.362.841
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArtikel 7 Verordening 2019/1111 (Brussel II-ter)Artikelen 8 tot en met 10 Verordening 2019/1111 (Brussel II-ter)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling ondertoezichtstelling met begeleid contact tussen vader en minderjarige

De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige dochter, die bij de moeder woont. De minderjarige is onder toezicht gesteld vanwege eerdere geweldsincidenten tussen de ouders, waarbij de vader is veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van de moeder. De zorg- en contactregeling tussen vader en dochter werd deels begeleid en deels onbegeleid uitgevoerd, maar na een geweldsincident is het contact door de gecertificeerde instelling (GI) stopgezet.

De GI verzocht de rechtbank om de regie over de zorgregeling tijdens de ondertoezichtstelling te krijgen, met voorwaarden voor hervatting van contact, waaronder begeleid contact op neutraal terrein. De rechtbank stelde deze voorwaarden vast. De vader ging in hoger beroep en verzocht om een ruimere, onbegeleide contactregeling.

Het hof oordeelt dat ondanks de wens van de vader om onbegeleid en vaker contact te hebben, de veiligheid van de moeder en de minderjarige voorop staat. De woon- en verblijfsituatie van moeder en kind is inmiddels stabiel, en een geschikte locatie met begeleiding is gevonden. Gezien de kwetsbaarheid van de minderjarige en de lange onderbreking van contact, moet het contact zorgvuldig en begeleid worden opgebouwd. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de vader af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de vader af, waardoor de zorgregeling met begeleid contact blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.841
zaaknummer rechtbank Overijssel 337612
beschikking van 12 mei 2026
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.C.F. Jelijs,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd in Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.V.S. Cassese.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 september 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 0 tot en met 4, ingekomen op 15 december 2025;
- een journaalbericht van mr. Jelijs van 3 april 2026 met producties 4 tot en met 6.
- een journaalbericht van mr. Jelijs van 9 april 2026 met productie 7;
- een journaalbericht van mr. Jelijs van 9 april 2026 met productie 8.
2.2
De zitting bij het hof was op 14 april 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder en haar advocaat zijn, hoewel op de juiste manier opgeroepen, niet naar de zitting gekomen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] . De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij haar moeder.
3.2
De moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 februari 2025 [de minderjarige] onder toezicht
gesteld tot 3 februari 2026. Bij beschikking van 2 februari 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 3 februari 2027. In het kader van de ondertoezichtstelling vond de zorg- en contactregeling tussen [de minderjarige] en de vader deels begeleid en deels onbegeleid plaats.
3.4
Bij vonnis van 2 april 2025 is de vader veroordeeld voor mishandeling van de moeder in de periode van 1 februari 2024 tot en met 3 november 2024. Bij vonnis van 25 juli 2025 is de vader onder meer veroordeeld voor bedreiging van de moeder. In dit vonnis is als bijzondere voorwaarde onder meer bepaald dat:
“dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met mevrouw [de moeder] , geboren op 5 april 1996 in Almelo, zolang de reclassering en/of gezinsvoogd dit nodig acht. In het belang van de omgangsregeling met de dochter van veroordeelde mag met toestemming van de reclassering en/of gezingsvoogd contact plaatsvinden”.
Bij vonnis van 18 maart 2026 is de vader vrijgesproken van stalking en mishandeling van de moeder in de periode van 15 maart 2025 tot en met 25 juni 2025.
3.7
Naar aanleiding van het geweldsincident dat heeft geleid tot het vonnis van 25 juli 2025 heeft de GI de zorg- en contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] stopgezet.
3.8
Bij verzoekschrift van 25 augustus 2025 heeft de GI de rechtbank verzocht om op grond van artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) vast te stellen, in de zin dat de regie over de totstandkoming en uitbreiding van de zorgregeling tussen de vader en Jenna bij de GI wordt belegd en daarbij te bepalen dat voordat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot stand zal komen aan de voorwaarden wordt voldaan.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter bepaald dat in het kader van de zorgregeling de regie over de hernieuwde totstandkoming en eventuele uitbreiding van het contact tussen de vader en [de minderjarige] bij de GI berust, waarbij - voordat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] weer tot stand zal komen - eerst aan de volgende voorwaarden dient te worden voldaan:
- de woon- en verblijfsituatie van de moeder en [de minderjarige] is stabiel;
- mocht het contact hervat worden, dan dient deze plaats te vinden op neutraal terrein, zoals de speelkamer van de GI en zijn er twee ambulant begeleiders aanwezig tijdens het contact.
4.2
De vader is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de zorgregeling die bij beschikking van 15 september 2025 is vastgesteld wordt gewijzigd in die zin dat [de minderjarige] bij hem verblijft:
a. Week 1-4: zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur;
Week 4-8: zaterdag 10:00 uur tot 17:00 uur en zondag vanaf 10:00 uur tot 17:00 uur;
Week 8-12: vanaf zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur;
b. en vervolgens tweewekelijks van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, althans een door het hof te bepalen zorgregeling.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
5.1
Het verzoek van de GI ten aanzien van de zorgregeling tijdens de ondertoezichtstelling betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid waardoor het valt binnen het materiële toepassingsgebied van Brussel II-ter (Verordening 2019/1111). Het formele toepassingsgebied van Brussel II-ter volgt uit artikel 7 van Pro deze verordening. In dat artikel is bepaald dat, onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10, ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen het tijdstip waarop het inleidend gedingstuk wordt ingediend. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland was tijdens het indienen van het verzoek, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
Toepasselijk recht
5.2
Aangezien geen grief is gericht tegen het toepasselijk recht, zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen.
Wettelijk kader
5.3
In het eerste lid van artikel 1:265g BW staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:265g lid 2 BW kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunt van de vader
5.4
De vader heeft verklaard dat hij het moeilijk en disproportioneel vindt dat hij zijn dochter al lang niet meer heeft gezien. De vader is het niet eens met het door de GI voorgestelde begeleide contact bij Jarabee. De vader wil zijn dochter onbegeleid en langer zien. De vader verwijst daarbij ook naar verslagen van Curess waaruit blijkt dat de eerdere contactmomenten positief verliepen en dat hij aansluit bij de behoeftes van [de minderjarige] . Hij erkent dat hij emotieregulatieproblemen heeft en dat hij hieraan werk. Hij heeft inmiddels een BORG-traject positief doorlopen en zal bij Kairos gaan starten voor verdere hulp en behandeling. Uit de verklaring van de vader ter zitting en ook uit het verslag van de reclassering blijkt dat vader ambulante begeleiding (VPT) krijgt voor hulp bij praktische zaken om spanningen te verminderen.
Standpunt van de GI
5.5
De GI heeft aangevoerd dat zij na de bestreden beschikking heeft gewacht op de uitspraak in de strafzaak van vader over stalking en mishandeling van de moeder. Op de zitting van 18 maart 2026 is de vader daarvan vrijgesproken. Inmiddels is de woonsituatie van de moeder en [de minderjarige] stabieler en dat is ook een van de voorwaarden die in de uitspraak van de rechtbank werd genoemd voor begeleide omgang, aldus de GI. Eerder kreeg de vader maandelijks een update over hoe het met [de minderjarige] gaat en dat is nu één keer per twee weken geworden. Foto’s die moeder van [de minderjarige] maakt, worden via de GI aan de vader verzonden. Inmiddels is ook een video waarin vader voorleest aan [de minderjarige] laten zien en daarop heeft zij goed gereageerd. De GI wil de zorgregeling weer opstarten met 1x per twee weken. Gelet op de gespannen relatie tussen de ouders mogen zij niet met elkaar in contact komen en het omgangshuis van Jarabee is daarop ingericht. Na enkele begeleide contactmomenten in het omgangshuis wil de GI dan evalueren hoe het contact tussen de vader en [de minderjarige] is gegaan en hoe verder contact moet worden vormgegeven.
Het oordeel van het hof
5.6
Het hof begrijpt de wens van de vader om [de minderjarige] vaker en onbegeleid te zien. Vooral omdat de zorgregeling goed en deels zonder begeleiding verliep. Het is verder positief dat de vader het traject bij BORG heeft afgerond, en op de wachtlijst staat voor verdere hulp (Kairos). Op dit moment is hetgeen de vader wil, in het belang van [de minderjarige] echter niet mogelijk. Allereerst omdat de veiligheid van de moeder en daarmee ook die van [de minderjarige] op dit moment voorop staat. De moeder verblijft samen met [de minderjarige] om veiligheidsredenen op een geheime locatie sinds het incident tussen partijen in juni 2025. Tussen partijen hebben zich in het verleden meerdere(gewelds)incidenten voorgedaan als gevolg van de emotieregulatieproblemen van de vader. De vader is voor twee incidenten tussen hem en de moeder bij vonnis van 2 april 2025 en bij vonnis van 25 juli 2025 veroordeeld. Er gold ook een contactverbod voor de vader. Gelet op deze gewijzigde (woon)situatie van de moeder en [de minderjarige] is de zorgregeling opgeschort en mocht de zorgregeling alleen onder bepaalde voorwaarden plaatsvinden. Hoewel de vader gelijk heeft dat het hervatten van de zorgregeling lang heeft geduurd, heeft de GI ter zitting voldoende toegelicht waarom dit niet eerder mogelijk was. Volgens de bestreden beschikking van de kinderrechter diende de woon- en verblijfsituatie van de moeder en [de minderjarige] eerst stabiel te zijn; dat is volgens de GI inmiddels het geval. De GI moest verder ook een geschikte locatie vinden waar de zorgregeling op neutraal terrein onder begeleiding van twee begeleiders kon plaatsvinden zonder dat de vader en de moeder met elkaar in contact komen. Deze locatie met geschikte begeleiding is inmiddels ook gevonden bij Jarabee. Verder is het hof van oordeel dat het contact tussen de vader en Jenna weer zorgvuldig moet worden opgebouwd gelet op de lange tijd die is verstreken sinds zij elkaar hebben gezien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [de minderjarige] nog geen twee jaar oud is en vanwege haar afhankelijkheid extra kwetsbaar is. Op dit moment is nog onduidelijk hoe de contacten weer gaan verlopen. Het hof benadrukt dat het tempo van [de minderjarige] en dat wat zij aankan ten aanzien van contact met de vader dienen te worden gevolgd. De GI kan in het kader van de ondertoezichtstelling daarop toezien en heeft daarin de regie.
Dit is ook wat de rechtbank eerder heeft besloten en daarom zal de beslissing van de kinderrechter in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 september 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, R. Feunekes en
K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.