ECLI:NL:GHARL:2026:309

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
21-001970-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van poging tot moord en opzettelijke brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte is beschuldigd van het medeplegen van poging tot moord en opzettelijke brandstichting, waarbij levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen te duchten waren. De feiten dateren van de nacht van 19 op 20 augustus 2020, toen de verdachte samen met een medeverdachte brand stichtte aan een vrachtwagen waarin een chauffeur lag te slapen. De brand ontwikkelde zich razendsnel tot een uitslaande brand, waardoor de chauffeur ernstige brandwonden opliep en de vrachtwagen volledig verwoest werd. Het hof heeft rekening gehouden met de verminderd toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en zijn er vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waaronder een schadevergoeding van € 200.000 voor de vrachtwagenchauffeur.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001970-22
Uitspraakdatum: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 mei 2022 met parketnummer 05-051141-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 december 2025 en 20 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. H.W. van Eeuwijk, is aangevoerd.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] , [benadeelde 8] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] door hun advocaat, mr. F.J.M. Hamers, en namens de benadeelde partij [benadeelde 9] , door haar advocaat, mr. M.Ü. Özsüren, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als medeplegen van poging tot moord (feit 1) en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is (feit 2) en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd. De rechtbank heeft tevens beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het hof komt tot een iets andere kwalificatie en een andere beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij de vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 12] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat] ), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare stof, gesprenkeld/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en/of een of meer brandbare stof(fen) in/aan/bij die vrachtwagen en/of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en/of voor een of meer (slapende) perso(o)n(en) die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen, te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce(e)l(en) van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en/of het bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en/of een caravan en/of een of meer andere goed(eren) in/aan/in de nabijheid van die vrachtwagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
De feiten
Het hof gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
In de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (
hierna: [medeverdachte 1]) brand gesticht aan een vrachtwagen, te weten een [merk] met [kenteken] , die op dat moment geparkeerd stond op het bedrijventerrein van [benadeelde 8] aan [straat] in [gemeente] . [2] Verdachte en [medeverdachte 1] hebben de vrachtwagen rondom besprenkeld met motorbenzine, waarna [medeverdachte 1] de motorbenzine met behulp van een aansteker en een papieren zakdoekje heeft aangestoken. [3] De brand ontwikkelde zich razendsnel tot een uitslaande brand. [4] De vrachtwagen werd door de brand volledig verwoest. Op het moment van de brand lag [benadeelde 1] (
hierna: [benadeelde 12]) in de vrachtwagen te slapen (
het hof begrijpt: in de slaapcabine). [5] Als gevolg van de brand heeft [benadeelde 12] ernstige brandwonden opgelopen op 65 procent van zijn lichaam. [6] Hij had tweedegraads brandwonden op onder meer zijn hoofd/gezicht, borstkas, buik, benen, armen, handen en rug. De haren van zijn wenkbrauwen en zijn wimpers waren tot op de huid verschroeid en zijn oogwit vertoonde roodheid. Zijn neusharen vertoonden verschroeiing en op zijn gehemelte waren roetdeeltjes aanwezig. Hij heeft langdurig op de intensive care (in coma) gelegen. [7]
Op een foto van de brand, genomen door een persfotograaf, is een grote vuurzee te zien waarbij de vlammen een hoogte hebben van ongeveer acht meter en (hete) rookgassen zichtbaar zijn. [8]
De brand is overgeslagen naar het bedrijfspand van [benadeelde 8] op [perceel 1] en het pand van [handelsonderneming] op [perceel 2] . De afstand tussen de vrachtwagen en de linkerzijde van het pand van [benadeelde 8] was ongeveer 2,4 meter. Deze zijde van het pand heeft zichtbare brandschade opgelopen. De gevelplaten waren vervormd en de coating was weggebrand. Links naast het pand van [benadeelde 8] stond een vrijstaand bedrijfspand van [handelsonderneming] met daaraan geschakeld een woning.
De afstand tussen de vrachtwagen en het bedrijfspand was ongeveer 6,2 meter.
De wandbekleding van dit bedrijfspand heeft over een afstand van 6,5 meter brandschade opgelopen. Tussen het pand en het hekwerk dat de percelen scheidt, stond een caravan die door de brand is verwoest. De afstand tussen vrachtwagen en de woning was ongeveer 7,1 meter. De houten schutting naast de woning was voor een groot deel verbrand.
De kozijnpanelen boven en onder het raam van de (slaapkamer van de) woning waren verkleurd door de hitte inwerking en de regenpijp die naast het raam zat was gesmolten.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de raadsman

Ten aanzien van feit 1:
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1. De raadsman voert daartoe aan dat de vrachtwagen geparkeerd stond op een afgesloten terrein, zonder dat daar enige activiteit was, zodat men ervan kon uitgaan dat de vrachtwagen leeg was en dat de chauffeur die bij de vrachtwagen hoorde, de nacht thuis doorbracht. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer had.
Ten aanzien van feit 2:
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Rol van verdachte
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 1] de brand hebben gesticht en dat [medeverdachte 2] (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] , hierna: [medeverdachte 2]) zijn opdrachtgever was. [9] [medeverdachte 2] had hem in de week voor de brandstichting gevraagd een vrachtwagen in [gemeente] in brand te steken. [10] Tijdens de eerste ontmoeting vertelde [medeverdachte 2] hem dat het ver buiten de stad was en dat het snel moest gebeuren. De volgende dag ontmoetten zij elkaar opnieuw en toen had [medeverdachte 2] een kladblaadje bij zich met daarop geschreven de bedrijfsnaam, de straatnaam en de plaats [gemeente] . [medeverdachte 2] vertelde dat verdachte het papiertje mee zou krijgen als hij de jerrycans kwam halen. Verdachte moest in de avond van 19 augustus 2020 bij [medeverdachte 2] komen. [11] Hij heeft, op de dag dat hij door [medeverdachte 2] werd gevraagd om een vrachtwagen in brand te steken, [medeverdachte 1] gevraagd met hem mee te doen. [12] Hij had tegen [medeverdachte 1] gezegd dat er een vrachtwagen in brand moest worden gestoken en dat hij hier 500 euro voor zou krijgen. [medeverdachte 1] had in eerste instantie gezegd dat hij niet wilde meehelpen, maar op 17 of 18 augustus 2020 heeft hij toch gezegd dat hij mee zou gaan. [13] Op 19 augustus 2020 heeft [medeverdachte 1] hem in de avond thuis in [plaats 1] opgehaald. [14] Voordat ze naar [gemeente] reden, zijn ze eerst gestopt bij [medeverdachte 2] in [plaats 2] . Daar kreeg verdachte twee jerrycans met vijf liter benzine, kentekenplaten en tie-wraps mee van [medeverdachte 2] . [15] In zijn woning heeft [medeverdachte 2] aan hem op de computer een foto van het bedrijf aangewezen. [medeverdachte 2] gaf hem een papiertje mee met daarop het adres van het bedrijf waar de vrachtwagens stonden. [16] [medeverdachte 2] had hem gevraagd een foto te maken van de brand. Dit heeft hij gedaan en deze foto’s heeft hij naar [medeverdachte 2] doorgestuurd. [17]
Medeplegen
Het hof stelt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden vast dat verdachte en [medeverdachte 1] in de betreffende nacht in opdracht van [medeverdachte 2] brand hebben gesticht aan de vrachtwagen van [benadeelde 8] . Het hof is van oordeel dat er hierbij sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het hof is dan ook van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte noch zijn mededaders de intentie (het volle opzet) hebben gehad om [benadeelde 12] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat verdachte en/of zijn mededaders de vrachtwagen in brand hebben willen steken met het doel [benadeelde 12] om het leven te brengen.
Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het incident, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Aanmerkelijke kans
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] brand hebben gesticht aan een vrachtwagen, bestemd voor het internationaal wegvervoer, en uitgerust met een slaapcabine. Naar het oordeel van het hof bestaat bij een geparkeerd voertuig met daarin een slaapcabine nagenoeg altijd een reële, niet onwaarschijnlijke kans dat er iemand in dat voertuig ligt te slapen. De omstandigheid dat in dit geval de vrachtwagen op het afgesloten terrein van een transportbedrijf stond geparkeerd betekent niet dat die kans niet (meer) reëel en onwaarschijnlijk is te achten. Dit is immers geenszins een plek waar het ongebruikelijk is dat vrachtwagenchauffeurs aankomen na (mogelijk) lange ritten te hebben gereden en waar vrachtwagenchauffeurs hun rust kunnen pakken voordat zij weer verder rijden. Integendeel.
De brand die verdachte en [medeverdachte 1] hebben gesticht, ontwikkelde zich, door het gebruik van tien liter benzine die op en rondom de vrachtwagen was uitgegoten, razendsnel tot een uitslaande brand en heeft de vrachtwagen volledig verwoest. Het hof is van oordeel dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond dat de persoon die in die slaapcabine lag te slapen, om het leven zou komen.
Bewuste aanvaarding van die aanmerkelijke kans
Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de slapende chauffeur mogelijk niet of niet goed zichtbaar was niet maakt dat het opzet van de verdachte en zijn mededader(s) niet – in voorwaardelijke zin – mede gericht was op zijn dood. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn bij het uitvoeren van de door hen aangenomen “klus” doelgericht en doelbewust te werk gegaan. Uit niets blijkt dat zij op enig moment zich hebben vergewist van wat de gevaarzetting zou zijn van de plaats waar de vrachtwagen stond geparkeerd en of er mogelijk iemand in de vrachtwagen lag te slapen. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en [medeverdachte 1] naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer waren gericht op een snelle en allesverwoestende brandstichting waarbij, gelet op het feit dat zij geen enkele moeite of tijd hebben genomen om zich ervan te vergewissen of zich iemand in de vrachtwagen bevond, daarbij kennelijk alle gevolgen voor lief hebben genomen en dat het niet anders kan dan dat zij daarmee ook de aanmerkelijke kans dat er iemand in de vrachtwagen lag te slapen die door de brand zou kunnen worden gedood, hebben aanvaard. Verdachte heeft aldus door op geen enkele wijze voorzorgsmaatregelen te nemen om het risico op een slachtoffer redelijkerwijze te voorkomen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de brand een in die vrachtwagen bevindende persoon zou worden gedood.
Contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, ontbreken.
Het hof is dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 12] hebben gehad.
Voorbedachte raad
De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte zich schuldig
heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het hof stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de week voor de brandstichting door [medeverdachte 2] is benaderd om de vrachtwagen in brand te steken. Verdachte heeft dezelfde dag nog [medeverdachte 1] benaderd om hem te helpen. Vervolgens heeft verdachte weer een afspraak gemaakt met [medeverdachte 2] . Tijdens die afspraak heeft [medeverdachte 2] verdachte laten zien waar het bedrijf zat waar de vrachtwagen in brand moest worden gestoken en hoe de vrachtwagen eruit zag. Op de avond voor de brand is verdachte met [medeverdachte 1] langs [medeverdachte 2] in [plaats 2] gereden om spullen voor de brandstichting op te halen en daarna zijn zij doorgereden naar [gemeente] om de vrachtwagen in brand te steken.
Het hof leidt hieruit af dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan van verdachte en de medeverdachten om de vrachtwagen in brand te (laten) steken en dat zij tevens ieder voor zich voldoende de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Het hof gaat ervan uit dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd.
Bij deze brandstichting is de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 12] ontstaan. Nu de aanmerkelijke kans op de dood van die [benadeelde 12] , gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien de aanmerkelijke kans is overwogen, bij het plan, te weten het doelgericht en doelbewust in brandsteken van een vrachtwagen, was inbegrepen, strekt de voorbedachte raad zich ook uit tot de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 12] .
Omdat er geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan, is het hof van oordeel dat verdachte en de medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld, en is poging tot moord bewezen.
Levensgevaar en/of gevaar voor goederen
Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 2 te komen, is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat bij de brandstichting levensgevaar en/of gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar en/of gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] in opdracht van [medeverdachte 2] in de nachtelijke uren opzettelijk brand hebben gesticht aan een vrachtwagen die geparkeerd stond op een industrieterrein. Hierbij hebben zij tien liter benzine gebruikt, waardoor de brand zich razendsnel ontwikkelde tot een grote, uitslaande brand. Door deze brandstichting is [benadeelde 12] , die op dat moment in de vrachtwagen lag te slapen, ernstig gewond geraakt. Ook is de lading van de vrachtwagen volledig verloren gegaan. De brand is overgeslagen naar twee bedrijfspanden, te weten het pand van [benadeelde 8] als ook het pand van [handelsonderneming] . Aan het pand van [handelsonderneming] zat een woning geschakeld waarin op dat moment de bewoner lag te slapen en naast dat pand stond een caravan geparkeerd die door de brand is verwoest. Het hof leidt uit de hiervoor vastgestelde feiten tevens af dat er sprake was van (zeer) korte afstanden tussen de vrachtwagen en de bedrijfspanden, de woning en de caravan.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat er een reëel gevaar bestond dat de brand – die ontstond nadat 10 liter motorbenzine rondom de vrachtwagen (met brandstof) is uitgegoten – zou overslaan naar nabij gelegen panden en andere goederen en dat de vrachtwagen volledig zou uitbranden. Hetgeen ook is gebeurd. Naar het oordeel van het hof was ten tijde van de brandstichting dan ook naar algemene ervaringsregels (razendsnelle en onvoorspelbare verspreiding van vuur) levensgevaar voor de in de vrachtwagen én de in de woning slapende personen en gevaar voor goederen voorzienbaar. Dat het daarbij ging om een bedrijventerrein maakt het voorgaande niet anders.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot moord (feit 1) en medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen te duchten is (feit 2).

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
hij in
of omstreeksde nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht
in/aan
/bijde vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 12] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
hij in
of omstreeksde nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met
een of meerander
(en
),
althans alleen,opzettelijk brand heeft gesticht
in/aan
/bijeen vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat] ), immers hebben verdachte en
/ofeen van zijn mededader
(s
)toen aldaar opzettelijk motorbenzine
, althans een brandbare stof,gesprenkeld
/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en
/of (vervolgens
) (open
)vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine,
althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen,ten gevolge waarvan die vrachtwagen en
/of een of meerbrandbare stof
(fen
)in/
aan/bij die vrachtwagen en
/ofeen caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk
is/zijn verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en
/ofvoor een
of meer(slapende) perso
(o
)n
(en)die zich bevond in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en
/ofer gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce
(e)l
(en
)van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en
/ofhet bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en
/ofeen caravan en
/of een of meerandere goed
(eren
)in/
aan/in de nabijheid van die vrachtwagen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van poging tot moord

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van de PJ-rapportage van 25 mei 2021, opgemaakt door [psycholoog] , gezondheidszorgpsycholoog en gerechtelijk deskundige. Uit de psychologische rapportage blijkt dat verdachte een laagbegaafde man is met ADHD en persoonlijkheidspathologie in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en paranoïde trekken. Daarnaast is sprake van een ernstige verslaving (in remissie) aan heroïne, cocaïne en cannabis. Vanuit zijn stoornissen heeft verdachte jarenlang een patroon gehad van delicten en stond hij bekend als een man die alles doet voor geld, om daarmee te kunnen voorzien in zijn ernstige verslaving. Verdachte schiet sterk tekort in zijn vermogen kritisch te reflecteren op handelingen en hij is gemakkelijk te beïnvloeden door anderen wanneer er sprake lijkt van een voorziening in drugs of een geldelijke beloning. Door de combinatie van stoornissen had verdachte in de aanleiding tot en bij de uitvoering van de bewezenverklaarde feiten geen volledige vrijheid van denken en handelen. Daarom adviseert de psycholoog om verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Het hof acht, gelet op het door de deskundige vastgestelde en het hiervoor uiteengezette advies, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
De verdachte is ook overigens strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de omstandigheid dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord. Verdachte heeft een nietsontziende brand gesticht aan een vrachtwagen van het transportbedrijf [benadeelde 8] waarbij de gehele vrachtwagencabine omringd werd door een vlammenzee. Uit niets blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten zich op enig moment ervan hebben vergewist wat de gevaarzetting zou zijn van waar de vrachtwagen stond geparkeerd en of er iemand in de vrachtwagen lag te slapen. Er is sprake geweest van een brandstichting waarbij alle gevolgen voor lief werden genomen en daarmee ook van een poging tot moord van de zich in de vrachtwagen bevindende chauffeur.
De vrachtwagenchauffeur [benadeelde 12] , die op het moment van de brand in de vrachtwagen lag te slapen, heeft de brand ternauwernood overleefd. Hij heeft wel zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel opgelopen. Als gevolg van de brand is zijn lichaamsoppervlakte voor 65 procent verbrand. Hij heeft twee maanden op de intensive care gelegen, waarvan enige tijd in coma. Door onder meer blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen, zal hij voor altijd ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en daarmee in zijn kwaliteit van leven, zo is ook gebleken uit het spreekrecht dat hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft uitgeoefend. [benadeelde 12] is voor de rest van zijn leven aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen en zijn grootste passie, rijden op de vrachtwagen, kan hij naar verwachting nooit meer uitoefenen. De verdachten hebben zijn leven verwoest. De brand heeft niet alleen voor [benadeelde 12] zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare.
Door de grote, uitslaande brand ontstond er niet alleen levensgevaar voor [benadeelde 12] , maar
ook voor een bewoner van een naastgelegen woning die op dat moment ook lag te slapen. Daarnaast was er sprake van gevaar voor de goederen die zich in en in de nabijheid van de vrachtwagen bevonden.
Het hof acht voor deze zeer ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof rekening met het feit dat sprake is van
eendaadse samenloop.
Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof heeft voorts rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen met het instellen van het rechtsmiddel op 10 mei 2022. De verdachte heeft in hoger beroep meer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep eveneens zestien maanden bedraagt. Dat betekent dat het hof uiterlijk op 10 september 2023 arrest had moeten wijzen. Aangezien het hof arrest wijst op 20 januari 2026, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ruim twee jaar en vier maanden.
Het hof neemt ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn tevens in aanmerking dat het hof op 26 augustus 2024 in verband met humanitaire redenen de voorlopige hechtenis van verdachte heeft geschorst voor de duur van enkele dagen. Verdachte heeft zich na afloop van deze schorsing van de voorlopige hechtenis niet gemeld om zich om weer te laten insluiten. Het hof zal daarom de op te leggen gevangenisstraf niet matigen met één jaar, maar met zes maanden.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar passend en geboden is.
In verband met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte zal het hof deze straf verminderen met achttien maanden en in verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof deze straf verminderen met zes maanden, zodat een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar resteert.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Met betrekking tot de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wordt overwogen dat de advocaat-generaal bij de vordering geen recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend reclasseringsadvies heeft overgelegd, zoals artikel 38z Sr vereist. Het hof zal reeds gelet hierop de maatregel niet opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade van
€ 200.000 ingediend. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de hiervoor omschreven wijze. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op:
- de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij,
- de aard en ernst van het handelen van de verdachte,
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit handelen heeft afgespeeld.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde grote gevolgen heeft (gehad) en altijd zal hebben voor de benadeelde partij. De benadeelde partij had brandwonden op 65 procent van zijn lichaam en heeft 63 dagen op de intensive care gelegen. Gedurende deze periode dachten artsen dat hij het niet zou gaan redden en werd zijn familie verzocht afscheid van hem te nemen. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis is hij overgebracht naar een revalidatiecentrum. Er is sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft de benadeelde met chronische pijn. Concluderend hebben de bewezenverklaarde feiten tot gevolg gehad dat langdurige medische behandeling noodzakelijk was, dat de mate van pijn groot is, dat de feiten cosmetische gevolgen hebben gehad en dat dit alles iedere dag zijn weerslag heeft op zijn sociaal leven, zijn tijdsbesteding en zijn werk. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten.
Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is immers een diepe inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. Benadeelde is een volstrekt onschuldig slachtoffer, dat als gevolg van de brand niet alleen ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen, maar ook zijn passie, rijden op de vrachtwagen, nooit meer zal kunnen uitoefenen. Hij zal voor de rest van zijn leven worden geconfronteerd met de gevolgen van de feiten.
Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade op een bedrag van € 200.000.
De verdachte is, net als de mededaders, tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij, partner van [benadeelde 12] , heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade (affectieschade) van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, BW is bepaald dat als iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht is tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn de 'naasten' opgesomd (limitatief) die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Een van die ‘naasten’ is de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert (sub b).
Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een bestendige affectieve relatie had met het slachtoffer en zij een duurzame en gemeenschappelijke huishouding voerden. Hiertoe overweegt het hof dat uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat zij sinds 2 november 2018 een relatie hebben en dat zij in maart 2019 zijn gaan samenwonen. Uit het voorgaande vloeit dan ook voort dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als levensgezel in de zin van artikel 6:107, tweede lid, sub b, BW.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 12] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij, dochter van [benadeelde 12] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is (sub d). De benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 12] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

De benadeelde partij, de vader van [benadeelde 12] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.000 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is (sub c). De benadeelde partij is de vader van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 12] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 15.000.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij, de zus van [benadeelde 12] , heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 15.000 (schokschade) ingediend. De rechtbank heeft deze vordering voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 10.000. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (
hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
  • de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad,
  • de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en
  • de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Aan de hand van onder meer deze gezichtspunten dient van geval tot geval te worden beoordeeld of er sprake is van onrechtmatigheid. Hierbij geldt dat niet op voorhand aan één van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als één van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het hof overweegt dat de benadeelde de ochtend na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer is overkomen. De benadeelde is vervolgens naar het ziekenhuis gereden. Op een whiteboard in het ziekenhuis las ze dat haar broer voor 68 procent was verbrand. Ze zag haar broer liggen aan de beademing, ingepakt als een mummie, wetende dat hij over zijn hele lichaam is verbrand, en zijn gezicht vol met witte zalf. Eén dag later was de witte zalf zwart uitgeslagen en het gezicht van haar broer helemaal opgezet. Uit de toelichting van de vordering volgt dat de benadeelde dagelijkse flashbacks heeft gehad van de beelden van haar ernstig verwonde broer en dat zij sinds de confrontatie ernstig beperkt is in haar algemeen functioneren. Door de confrontatie zijn de angststoornis en de posttraumatische stressklachten bij de benadeelde toegenomen. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde een brief van de psycholoog overgelegd.
Het hof stelt op grond van vorenstaande vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de waarneming en de confrontatie met de directe gevolgen van de bewezenverklaarde feiten.
De hof stelt de hoogte van de geleden shockschade naar billijkheid vast (mede gelet op de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel en de verwachting ten aanzien van het herstel) op een bedrag van € 15.000. Het hof heeft daarbij voor zover mogelijk acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in soortgelijke gevallen zijn toegewezen.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering van de benadeelde partij toewijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 38.612,19 ingediend. De rechtbank heeft benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De hoogte van de schade bedraagt
€ 29.281,83. De namens de verdachte niet betwiste delen van de vordering komen het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt.
Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de belettering van het gebouw
(€ 811), de externe transportkosten (€ 5.019,36) en de immateriële schade (€ 3.500), is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade door de bewezenverklaarde feiten is veroorzaakt.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder ten aanzien van de immateriële schade dat onvoldoende is gebleken dat het oogmerk bestond om de benadeelde partij zodanig nadeel toe te brengen dan wel dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Deze onderdelen van de vordering vergen nader onderzoek en bewijslevering en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Proceskosten
Het hof zal verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Het hof gaat ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2021 en begroot één punt op € 721 (Tarief III: zaken van een geldswaarde tussen € 20.000 en € 40.000). Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gaat het hof uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024, wat maakt dat één punt wordt begroot op € 1.571.
Het hof kent ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg twee punten toe en ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep één punt. Het hof zal de tot op heden gemaakte proceskosten in deze vordering dus begroten op in totaal € 3.013.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.500 ingediend. De rechtbank heeft benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 BW. Degene die dergelijke schade vordert, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat sprake is van een door de aansprakelijke persoon bestaand oogmerk om zodanig nadeel toe te brengen (artikel 6:106, aanhef en onder a, BW) of dat sprake is van schade in zijn eer of goede naam, dan wel van een aantasting ‘op andere wijze’ in zijn persoon. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof overweegt dat onvoldoende is gebleken dat verdachte het oogmerk had om de benadeelde nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen. Gelet op genoemd juridisch kader is datgene wat de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Zo heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.279,52 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden in rechtstreek verband staat tot de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De namens de verdachte niet betwiste vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering voor een bedrag van € 3.779,52 zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde schade aangaande toekomstige reiskosten, is het hof van oordeel dat een beoordeling, anders dan van inmiddels verwezenlijkte schade, van toekomstig nog opkomende schade dan wel verder oplopende schade een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Het hof zal bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de geprognosticeerde schadepost de vordering op dat onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Proceskosten
Het hof zal verdachte voorts veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Het hof gaat ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2021 en begroot één punt op € 478 (Tarief I: zaken van een geldswaarde tot € 10.000). Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gaat het hof uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024, wat maakt dat één punt wordt begroot op € 858.
Het hof kent ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg twee punten toe en ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep één punt. Het hof zal de tot op heden gemaakte proceskosten in deze vordering begroten op in totaal € 1.814.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.954,50 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De namens de verdachte niet betwiste vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.615,40 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat bij de vordering tot schadevergoeding geen stukken zijn gevoegd, waaruit volgt wie de benadeelde partij in rechte mag vertegenwoordigen en een vordering tot schadevergoeding in kan dienen, dan wel daartoe gemachtigd is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. Nader onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze persoon levert een onevenredige belasting van de strafprocedure op. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.809,65 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.949,33.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De hoogte van de schade is tot het bedrag van € 1.949.33 niet betwist. Dit bedrag komt het hof niet onredelijk of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde schade, te weten de gederfde winst, is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door de bewezenverklaarde feiten is veroorzaakt. Daarom kan de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet worden ontvangen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 30.406,98 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De namens de verdachte niet betwiste vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering kan worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat verdachte samen met anderen de strafbare feiten heeft gepleegd en dat zij naar civiele maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen als zijn medeverdachte(n) deze al hebben betaald en andersom.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 60a, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 200.000 (tweehonderdduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200.000 (tweehonderdduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 216 (tweehonderdzestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 29.281,83 (negenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
3.013 (drieduizend dertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.281,83 (negenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
1.814 (duizend achthonderdveertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.954,50 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 13] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.954,50 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 14] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 15] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.949,33 (duizend negenhonderdnegenenveertig euro en drieëndertig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 15] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.949,33 (duizend negenhonderdnegenenveertig euro en drieëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 16] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 30.406,98 (dertigduizend vierhonderdzes euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 16] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.406,98 (dertigduizend vierhonderdzes euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Keppels, mr. M.J. Vos en mr. S. Taalman, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [agent] van de politie Eenheid [locatie] , [afdeling] , opgemaakte proces-verbaal,
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 577-578; proces-verbaal van bevindingen, p. 532; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 254; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 417-418.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 254; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 417-418; proces-verbaal forensisch brandonderzoek, p. 554-557; NFI-rapport, p. 1999-2000.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 738-740; proces-verbaal van bevindingen, p. 1935-1938.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 532.
6.Medische verklaringen, productie 3 bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
7.Letselverklaring d.d. 18 april 2021, p. 1957-1961.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1935-1938.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 217; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 322.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 240-243.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 252-253.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 240.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 252-254.
14.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 244.
15.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 253-254.
16.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 322-323.
17.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 246.