Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3092

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.351.499/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WMMArt. 16 WMMArt. 19 WMMArt. 3:58 BWArt. 3:59 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof wijst gedeeltelijk toewijzing vakantiebijslag over variabel salaris wegens nietigheid beding

De appellant was in dienst bij Energiewonen als adviseur en ontving een vast basissalaris plus een variabel salaris op basis van een bonussysteem. In de arbeidsovereenkomst was opgenomen dat vakantiebijslag alleen over het vaste salaris werd betaald. De appellant vorderde dat ook over het variabele salaris vakantiebijslag verschuldigd was.

De kantonrechter wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat het beding in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst nietig is omdat het in strijd is met artikel 15 jo Pro. 19 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM). Het hof stelde vast dat het beding met terugwerkende kracht nooit heeft bestaan en dat de appellant recht heeft op vakantiebijslag over het variabele loon vanaf juni 2017 tot het einde van het dienstverband.

Het hof wees het beroep van Energiewonen op bekrachtiging/convalescentie af en matigde de wettelijke verhoging wegens niet tijdige betaling tot 15%. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen. Het hof veroordeelde Energiewonen tot betaling van de achterstallige vakantiebijslag, wettelijke rente, gematigde wettelijke verhoging en proceskosten, en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof verklaart het beding in de arbeidsovereenkomst nietig en veroordeelt Energiewonen tot betaling van achterstallige vakantiebijslag over het variabele salaris met rente en gematigde wettelijke verhoging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.499/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, 11051280
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser
hierna te noemen:
[appellant]
advocaat: mr. I.J. Woltman
en
Energiewonen B.V.
die is gevestigd in Ede
die bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna te noemen:
Energiewonen
advocaat: mr. J.A. Bruins

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere op 13 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep inclusief grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte van [appellant]
  • een antwoordakte van Energiewonen
  • het arrest van 11 november 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
  • de door [appellant] op 27 februari 2026 overgelegde producties
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 maart 2026 heeft plaatsgevonden.
1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] is in dienst geweest bij Energiewonen waar hij zonnepanelen en aanverwante producten verkocht. Hij ontving hiervoor een vast basissalaris en een variabel salaris gebaseerd op hoeveel omzet hij per maand had verdiend. In de arbeidsovereenkomst van [appellant] is een beding opgenomen waarin staat vermeld dat over het vaste gedeelte van het loon vakantiebijslag verschuldigd is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of over het variabele gedeelte ook (deels) vakantiebijslag moet worden betaald.
2.2
Bij de kantonrechter heeft [appellant] gevorderd voor recht te verklaren dat Energiewonen onder de werkingssfeer van de cao Metaal & Techniek: Technische Installatiebureau valt (hierna ook wel: ‘de cao’) en dat deze van toepassing is op de arbeidsovereenkomst die met [appellant] is gesloten. Daarnaast heeft [appellant] gevorderd voor recht te verklaren dat artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst in strijd is met artikel 59 van Pro de cao, althans subsidiair in strijd met artikel 15 van Pro de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en daarom nietig is, en om Energiewonen te veroordelen om de achterstallige vakantiebijslag over de periode van 2017 tot en met het einde van het dienstverband alsnog te betalen, vermeerderd met wettelijke rente en de wettelijke verhoging.
2.3
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat het vonnis wordt vernietigd en de vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toewijzen. Nadat de voor deze beslissing relevante feiten zijn weergegeven, zal het hof de redenen geven die tot deze beslissing hebben geleid.

3.De relevante feiten

3.1
[appellant] is in september 2015 in dienst getreden bij Energiewonen als ‘adviseur’. Hij adviseerde (potentiële) klanten over installaties met zonnepanelen en aanverwante producten. In de arbeidsovereenkomst staat hierover het volgende vermeld:

Artikel 1 Functie Pro
1.1
De werknemer verbindt zich de werkzaamheden in de functie van Adviseur (…) naar zijn beste vermogen te verrichten.
1.2
De werkzaamheden omvatten het aan potentiële of bestaande klanten verkopen van en adviseren over zonneboilers, zonnepanelen en overige producten en diensten van werkgever. Werkgever verstrekt hiertoe in beginsel aan werknemer afspraken met leads. Bij gebreke hiervan dient werknemer, in overleg met werkgever, zelfstandig prospecten te selecteren en te benaderen. Tevens zal werknemer al het mogelijke ondernemen om de werkgever bij te staan in het onderhouden van de relaties van de werkgever, daar wordt ondermeer onder verstaan het bezoeken van relaties als service, bij eventuele (technische) problemen en bij het oplossen van wanbetaling.”
3.2
Het loon van [appellant] bestond uit een basissalaris en een variabel gedeelte op basis van door Energiewonen vastgestelde normeringen die waren vastgelegd in een bonusreglement. In de arbeidsovereenkomst is hierover het volgende opgenomen:

Artikel 4 Hoogte Pro salaris
4.1
Werknemer ontvangt een basissalaris van € 2.000,- bruto per maand, op de laatste dag van elke maand betaalbaar en gebaseerd op een vijfdaagse werkweek van 40 uur.
4.2
Werknemer heeft bovendien recht op 8% vakantietoeslag over het bruto basissalaris, waarvan de uitbetaling in de maand mei plaats zal vinden.
4.3
Naast het basissalaris kent de werkgever een bonussysteem o.b.v. de door de werkgever vastgestelde normeringen en zijn vastgelegd in het bonusreglement (…).”
3.3
Het dienstverband is in september 2023 geëindigd. Vanaf april 2023 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over de vraag of vakantiegeld over het variabele gedeelte van het salaris verschuldigd is.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

4.1
[appellant] heeft acht bezwaren (‘grieven’) gericht tegen het vonnis. Het hof zal de grieven hierna thematisch behandelen.
Onvolledig procesdossier en eiswijziging
4.2
De eerste grief van [appellant] houdt in dat de kantonrechter bij de beoordeling is uitgegaan van een onvolledig procesdossier door niet de brief van 18 september 2024 in het procesverloop te benoemen. Het hof beschikt echter wel over deze brief en betrekt deze in de beoordeling, zodat [appellant] in zoverre geen belang heeft bij deze grief.
4.3
[appellant] voert daarnaast aan dat de kantonrechter ten onrechte de tijdens de mondelinge behandeling gedane erkenning van [appellant] , namelijk dat zijn vordering met betrekking tot het verschuldigde loon € 18.408,82 en met betrekking tot de wettelijke verhoging € 9.204,41 moet bedragen, niet heeft aangemerkt als impliciete eisvermindering. Ook bij het slagen van deze grief heeft [appellant] geen belang. Een partij mag in hoger beroep zijn eis verminderen zolang nog geen einduitspraak is gedaan op grond van artikel 129 jo Pro. 353 lid 1 Rv. Het hof leest in de stellingen van [appellant] dat hij zijn eis als zodanig in ieder geval in hoger beroep heeft aangepast, zodat het hof bij de verdere beoordeling daarvan uit zal gaan.
De cao is niet van toepassing
4.4
[appellant] bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat de
cao Metaal & Techniek: Technisch Installatiebedrijfniet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Hij stelt dat EnergieWonen PV-installaties (een zonnepanelensysteem) ontwerpt en oplevert en dat die activiteiten binnen het toepassingsgebied van die cao vallen.
4.5
Het hof is van oordeel dat deze grief faalt en onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. De vraag of een onderneming onder de werkingssfeer van een cao valt moet op bedrijfsniveau worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat deze vraag in een concernverband zoals in dit geval, moet worden beantwoord per afzonderlijke onderneming. Daarmee gaat de stelling van [appellant] dat de gehele opdracht tot levering van een PV-installatie binnen Energiewonen bleef, niet op. Vaststaat immers dat de technische- en installatiewerkzaamheden werden verricht door zusterbedrijf EWiS B.V.
4.6
Beoordeeld moet dus worden of Energiewonen onder de werkingssfeer van artikel 77 lid Pro 1. a. sub a cao valt. Op grond van artikel 4b cao moeten meer dan de helft van de arbeidsuren van alle medewerkers worden besteed aan de werkzaamheden genoemd in artikel 77 cao Pro om als werkgever onder de werkingssfeer van de cao te vallen. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om aan te tonen dat het merendeel van de werkzaamheden binnen Energiewonen zag op het ontwerpen van elektrotechnische zwak- en sterkstroominstallaties. De werkzaamheden binnen Energiewonen zagen voornamelijk op de verkoop van zonnepanelen en het adviseren op dat gebied. Dat gold ook voor [appellant] , zo blijkt uit artikel 1 van Pro zijn arbeidsovereenkomst. Het invoeren van gegevens zoals de afmetingen van het dak van een klant en het adviseren over de plek waar de installaties moesten worden geplaatst, zijn geen werkzaamheden die vallen onder het begrip ‘ontwerpen’ in de zin van de cao. Bovendien wordt ‘ontwerpen’ op grond van artikel 1.b. van artikel 77 cao Pro alleen tot de werkingssfeer van de werkgever geacht te behoren als het gaat om installaties die de werkgever zelf aanlegt, wijzigt, demonteert, herstelt, onderhoudt of bedrijfsvaardig oplevert. Dit is niet het geval, omdat EWiS deze werkzaamheden voor haar rekening nam. Dit maakt dat de cao niet op Energiewonen van toepassing is en daarmee ook niet op de individuele arbeidsovereenkomst met [appellant] .
Nietigheid wegens strijd met de WMM
4.7
Artikel 15 lid 1 Wet Pro minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: ‘WMM’) bepaalt dat een werknemer recht heeft op 8% vakantiebijslag over de som van zijn loon en de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking aanspraak heeft, met dien verstande dat het bedrag dat boven driemaal het wettelijk minimumloon wordt verdiend buiten beschouwing blijft. Op grond van artikel 16 lid 5 WMM Pro mogen partijen overeenkomen dat de werknemer geen of een lager bedrag aan vakantiebijslag ontvangt, maar alleen in het geval dat de werknemer meer dan driemaal het minimumloon verdient. Op grond van artikel 19 WMM Pro zijn alle bedingen die strijdig zijn met deze wet nietig.
4.8
De kantonrechter heeft geoordeeld dat op grond van deze bepalingen alleen sprake zou zijn van nietigheid van artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst voor het tijdvak dat [appellant] minder verdiende dan driemaal het wettelijk minimumloon – door partijen aangeduid als de ‘cap’, welke afkorting het hof verder zal gebruiken – maar dat dit artikel wel geldig was voor die perioden dat zijn totale loon hoger was dan de cap.
4.9
[appellant] vecht deze temporele nietigheid aan. Volgens [appellant] geldt als hoofdregel dat de nietigheid van een beding absoluut is en niet in temporeel opzicht kan worden beperkt. Daarnaast hanteert de kantonrechter ten onrechte het uitgangspunt dat voorkomen dient te worden dat nietigheid verder ingrijpt dan door haar doel gerechtvaardigd wordt, tenzij dit als onredelijk moet worden aangemerkt. Ook stelt [appellant] dat bij nietigheid geen plaats is voor een redelijkheidstoets en, als dat al het geval zou zijn, dat deze toets in het voordeel van [appellant] moet uitvallen.
4.1
Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat met artikel 4.2 is bedoeld om het recht op vakantiebijslag over het gehele variabele loon, oftewel het loon op basis van het in artikel 4.3 en artikel 7 in Pro de arbeidsovereenkomst neergelegde bonussysteem, uit te sluiten.
4.11
Vaststaat dat [appellant] de eerste anderhalve/twee jaren van zijn dienstverband niet meer heeft verdiend dan de cap. Dit betekent dat artikel 4.2 ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 15 lid 1 jo Pro. artikel 19 WMM Pro nietig was. Nietigheid brengt met zich mee dat de bepaling met terugwerkende kracht vanaf het aangaan daarvan geacht wordt nooit te hebben bestaan. De bepaling herleeft niet automatisch in de periode daarna dat [appellant] meer heeft verdiend dan de cap. Als het de bedoeling was geweest van Energiewonen om slechts de vakantiebijslag over het variabele loon uit te sluiten voor zover de werknemer meer dan de cap verdiende, zoals zij dat sinds november 2023 in haar personeelshandboek heeft opgenomen dan had het op haar weg gelegen om dat zorgvuldig(er) in de arbeidsovereenkomst op te nemen, mede gelet op de beschermingsgedachte van de WMM. Overigens blijkt uit de salarisstroken van de eerste twee jaren uitdrukkelijk dat Energiewonen deze bedoeling niet heeft gehad, omdat [appellant] in deze jaren slechts vakantiebijslag over het basissalaris heeft ontvangen, terwijl hij minder dan de cap verdiende. Dit maakt dat artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst nietig is. Het bewijsaanbod op dit punt van Energiewonen is niet ter zake dienend, omdat zelfs bij bewezenverklaring van de door Energiewonen gestelde feiten over de wijze waarop werd omgegaan met artikel 4.2 en op welke manier dit daarna in het personeelshandboek is verwoord, dit niet tot een ander oordeel leidt.
Beroep op bekrachtiging/convalescentie slaagt niet.
4.12
Energiewonen heeft, voor zover artikel 4.2 als nietig moet worden aangemerkt, een beroep gedaan op bekrachtiging/convalescentie van het beding in de zin van artikel 3:58 lid 1 BW Pro. Energiewonen stelt dat het meer verdienen dan de cap op grond van artikel 16 lid 5 WMM Pro als wettelijk vereiste geldt voor het sluiten van het beding en dat dit gebrek is hersteld omdat [appellant] al gauw na het sluiten van de arbeidsovereenkomst meer dan de cap is gaan verdienen en niet heeft geprotesteerd tegen de geldigheid van het beding. Op grond van artikel 3:59 BW Pro vindt volgens Energiewonen het artikel ook buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard of de strekking zich er niet tegen verzet.
4.13
Dit verweer van Energiewonen slaagt niet. Artikel 3:58 BW Pro bepaalt kort gezegd dat wanneer een wettelijk geldigheidsvereiste voor een rechtshandeling pas na het verrichten ervan wordt vervuld, dit gebrek wordt geheeld als alle direct belanghebbenden die rechtshandeling tot het moment van vervulling als geldig hebben aangemerkt. Dit artikel is niet van toepassing op deze situatie omdat geen sprake is van een vormvereiste in de zin van artikel 3:39 BW Pro of het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid in de zin van artikel 3:40 BW Pro bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Het al dan niet verdienen boven de cap heeft betrekking op de inhoud van de rechtshandeling die in strijd is met artikel 15 lid 1 jo Pro. 16 lid 5 WMM en daarom nietig is op grond van artikel 19 WMM Pro. Het later meer verdienen dan de cap kan daarom niet worden aangemerkt als het alsnog vervullen van een wettelijk vereiste voor de geldigheid van de rechtshandeling in de zin van artikel 3:58 BW Pro. Dat [appellant] artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst op enig moment als geldig heeft aangemerkt blijkt ook niet uit de gestelde feiten.
Tussenconclusie
4.14
Het voorgaande maakt dat artikel 4.2 nietig is en dus geacht wordt nooit te hebben bestaan. De vordering van [appellant] om vakantiebijslag toe te kennen over zijn variabele loon in de periode van juni 2017 tot en met oktober 2023 is daarmee toewijsbaar, nu Energiewonen de hoogte van de vordering niet heeft betwist. Ook zal hierover de wettelijke rente worden toegewezen.
Wettelijke verhoging
4.15
Daarnaast maakt [appellant] aanspraak op de wettelijke verhoging in de zin van 7:625 BW. Energiewonen heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
4.16
Op grond van artikel 7:625 BW Pro is de werkgever wettelijke verhoging van maximaal 50% verschuldigd bij niet tijdige betaling van het in geld vastgestelde loon. De wettelijke verhoging strekt ertoe de werkgever te stimuleren voor tijdige betaling van het loon zorg te dragen. Energiewonen heeft een deel van het salaris onbetaald gelaten. Energiewonen valt naar het oordeel van het hof geen kwaadwilligheid of opzettelijk onjuist handelen te verwijten, zodat het beroep op matiging in zoverre slaagt. Onder deze omstandigheden acht het hof matiging van de wettelijke verhoging tot 15% gepast. Daarbij betrekt het hof ook dat wettelijke rente over het achterstallig salaris zal worden toegekend.
Buitengerechtelijke kosten
4.17
[appellant] vordert vergoeding van kosten van rechtsbijstand, te weten buitengerechtelijke incassokosten van € 1.276,73, die zien op de tijd die zijn (voormalig) advocaat heeft besteed voordat tussen partijen een procedure aanhangig was. Het hof is van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De gestelde kosten zien op een sommatiebrief die kort voor het uitbrengen van de dagvaarding is verstuurd. Dit zijn werkzaamheden die zien op de voorbereiding van een procedure en deze komen op grond van artikel 6:96 lid 3 BW Pro in verbinding met artikel 241 Rv Pro niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof wijst de vordering van [appellant] op dit punt dan ook af. Dit betekent dat de grief faalt.
De conclusie
4.18
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Omdat Energiewonen overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Energiewonen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [1]
4.19
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 13 november 2024 en beslist in plaats daarvan als volgt:
5.2
verklaart voor recht dat artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Energiewonen in strijd is met artikel 15 WMM Pro en daarom nietig is;
5.3
veroordeelt Energiewonen tot betaling aan [appellant] van € 18.408,82 aan achterstallige vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data dat Energiewonen met de loonbetalingen in verzuim verkeert tot aan de dag van betaling en te vermeerderen met de tot 15% gematigde wettelijke verhoging, neerkomende op € 2.761,32
5.4
veroordeelt Energiewonen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 706,- aan griffierecht
€ 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Energiewonen
€ 1.086,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
€ 827,- aan griffierecht
€ 144,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Energiewonen
€ 3.225,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290,-);
5.5
verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.