AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep over vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling en uitleg testament
Deze civiele zaak betreft een geschil over vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling op grond van artikel 4:1167 BWPro oud, waarbij de kinderen vorderingen instelden tegen hun vader en zus over de nalatenschap van hun moeder die in 1998 overleed.
De rechtbank stelde de vorderingen vast op € 13.000 per kind en veroordeelde de executeur tot betaling. De executeur, de nieuwe echtgenote van de vader, stelde in hoger beroep dat de vorderingen verjaard waren en dat de kinderen afstand hadden gedaan van hun rechten. Ook betwistte zij de hoogte van de vorderingen en voerde zij verrekening aan.
Het hof oordeelde dat het testament zo moet worden uitgelegd dat de vorderingen opeisbaar zijn bij het einde van het vruchtgebruik, dat nooit is gevestigd, waardoor de vorderingen niet verjaard zijn. De schriftelijke verklaringen van afstand uit 2011 werden niet als afstand van rechten beschouwd, omdat deze waren opgesteld in het kader van een naturalisatieprocedure en niet met de bedoeling afstand te doen. De hoogte van de vorderingen werd bevestigd op € 13.000 per kind, en het beroep op verrekening werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hoger beroep werd verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarbij de vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling worden bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.074/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 192724
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellante], in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [naam1]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F. Hofstra
en
1.[geïntimeerde1]
die woont in [woonplaats1]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats2]
3. [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.P. van Dalen
Partijen worden hierna [appellante], [geïntimeerde1], [geïntimeerde2]en [geïntimeerde3]genoemd. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] samen (de oorspronkelijke eisers) en [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] samen worden [geïntimeerden]genoemd.
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland op 26 februari 2025 tussen partijen heeft gewezen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep, met memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling bij het hof van 24 maart 2026.
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen.
2.De kern van de zaak
2.1.
Deze zaak gaat over vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling (artikel 4:1167 vanPro het Burgerlijk Wetboek oud (hierna: BW oud)). De vraag is of de vorderingen van de kinderen ( [geïntimeerden] ) uit ouderlijke boedelverdeling zijn verjaard en, zo nee, of [geïntimeerden] afstand van die vorderingen hebben gedaan. Verder is er discussie over onder meer de hoogte van de vorderingen.
2.2.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben hun vader ( [naam1] ) en hun zus [geïntimeerde3] gedagvaard in de procedure bij de rechtbank. Zij hebben gevorderd dat vastgesteld wordt wat de omvang is van de nalatenschap van hun in 1998 overleden moeder en wat de hoogte is van de vorderingen van de kinderen wegens onderbedeling. Verder hebben zij gevorderd om de onderbedelingsvordering vast te stellen op € 20.000 per kind en om vader te veroordelen om die vorderingen aan henzelf en aan [geïntimeerde3] te voldoen. Vader is kort na aanvang van de procedure overleden. [appellante] – met wie vader in 2019 hertrouwd was – is executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van vader. [appellante] heeft de procedure voortgezet en heeft verweer gevoerd. [geïntimeerde3] voert geen verweer en zij heeft de stellingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] onderschreven.
2.3.
De rechtbank heeft 26 februari 2025 over de zaak beslist. Daarbij heeft de rechtbank de vorderingen van de kinderen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling vastgesteld op € 13.000 per kind. [appellante] is veroordeeld om elk kind € 13.000 te betalen. Die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De overige vorderingen zijn afgewezen. [1]
2.4.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld. Zij wil met dit hoger beroep bereiken dat de vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.5.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Daarbij geeft het hof eerst een kort overzicht van de feiten.
3.De feiten
3.1.
[naam2] (hierna: erflaatster) en [naam1] (hierna: erflater) zijn met elkaar gehuwd geweest, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] .
3.2.
Erflaatster heeft [in] 1996 (voor het laatst) een testament gemaakt, dat is verleden voor mr. [naam3] , notaris te Leeuwarden. In dit testament zijn erflater en de kinderen tot erfgenamen benoemd. Voor de verdeling van de nalatenschap is gebruik gemaakt van artikel 4:1167 BWPro oud (ouderlijke boedelverdeling). Het testament vermeldt:
“ II. ERFSTELLING EN VERDELING
(…)
A. erfstelling
Ik benoem tot mijn erfgenamen, voor gelijke delen, mijn echtgenoot en mijn kinderen.
B. verdeling
Gebruikmakende van de door artikel 4:1167 enPro volgende van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid maak ik hierbij, voor het geval ik vóór mijn echtgenoot overlijd, tussen hem en mijn kinderen de verdeling van mijn nalatenschap als volgt:
1. Ik deel toe aan mijn echtgenoot: alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, onder de verplichting voor hem:
a. voor zijn rekening te nemen en als een eigen schuld te voldoen: alle schulden die ten laste van mijn nalatenschap bestaan, de boedel- en eventuele taxatiekosten en de kosten van mijn begrafenis of krematie;
b. wegens zijn overbedeling aan mijn kinderen in kontanten uit te keren de aan hen toekomende erfdelen, berekend in het saldo van mijn nalatenschap en verminderd met ieders aandeel in de kosten van mijn begrafenis of krematie, eventuele taxatie- en/of boedelkosten.
2. Ik deel toe aan mijn overige erfgenamen: een vordering in kontanten, ten laste van mijn echtgenoot wegens zijn overbedeling, voor ieder tot het bedrag van het hem of haar in het saldo van mijn nalatenschap toekomende netto erfdeel, berekend met inachtneming van het hiervoor bepaalde. Deze vorderingen zijn opeisbaar bij het einde van het hierna gelegateerde vruchtgebruik.
3. Ik legateer mijn echtgenoot het vruchtgebruik van de sub 2 bedoelde vordering.
III. KEUZE VOOR VRUCHTGEBRUIK
Als mijn echtgenoot en mijn kinderen samen kiezen voor een keuzelegaat met vruchtgebruik legateer ik mijn echtgenoot:
(…)
V. VRUCHTGEBRUIK
Met betrekking tot het vruchtgebruik bepaal ik nog het navolgende.
het vruchtgebruik:
- gaat in op de dag van mijn overlijden;
- dient binnen twaalf maanden na mijn overlijden bij notariële akte te worden geleverd;
- eindigt zoals de wet dat regelt, als vruchtgebruiker in staat van faillissement wordt verklaard of surséance van betaling vraagt en/of:
- als hij een beroep doet op de Algemene Bijstandswet;
- in al die situaties waarin verhaal op het vermogen van vruchtgebruiker wordt gedaan;
- bij hertrouwen zonder het maken of handhaven van huwelijksvoorwaarden die uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en verrekenbedingen inhouden, met uitzondering van verrekenbedingen met betrekking tot besparingen,
tenzij voldoende zekerheid wordt gesteld.
(…)
X. VERZORGINGSMOTIEF
Het vorenstaande heb ik mede bepaald ter verzorging van mijn echtgenoot na mijn overlijden. (…)”
3.3.
[in] 1998 overleed erflaatster. Op grond van ouderlijke boedelverdeling is erflater enig gerechtigde geworden van alle goederen van de nalatenschap van erflaatster. De kinderen hebben een renteloze vordering gekregen op erflater. Op 19 augustus 1998 heeft notaris mr. [naam3] een verklaring van toedeling opgesteld.
3.4.
Erflater heeft zich in 2011 gewend tot mr. [naam4] , notaris te Stiens. Erflater heeft met mr. [naam4] een bespreking gevoerd over zijn testament. Ook heeft hij met de notaris gesproken over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Naar aanleiding daarvan heeft de notaris een conceptverklaring opgesteld, die ziet op het vaststellen van de hoogte van de vorderingen die de kinderen op de erflater hebben en op de uitbetaling daarvan.
3.5.
[geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben op respectievelijk 7 oktober 2011, 17 oktober 2011 en 25 oktober 2011 schriftelijk verklaard (in een handgeschreven, ondertekende verklaring): “Hierbij verklaar ik bij gezondheid en verstand dat ik heden en in de toekomst van alle geldelijke lusten en lasten afstand doe”.
3.6.
Op 25 november 2011 heeft erflater een testament gemaakt, dat is verleden voor genoemde notaris mr. [naam4] .
3.7.
Erflater is op 30 juli 2019 gehuwd met [appellante] , zonder het maken van huwelijkse voorwaarden.
3.8.
Op 13 januari 2023 heeft erflater (voor het laatst) een testament gemaakt, verleden voor mr. [naam5] , notaris te Leeuwarden. In dit testament heeft erflater [appellante] en haar twee dochters tot erfgenamen benoemd. [appellante] is daarnaast benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
3.9.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben in december 2023 erflater en [geïntimeerde3] gedagvaard in deze procedure.
3.10.
Op 28 februari 2024 hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] conservatoir beslag gelegd op de woning van erflater te Leeuwarden (met een ingeschreven bedrag van € 26.000).
3.11.
Op 24 april 2024 – dus kort na aanvang van de procedure – is erflater overleden.
4.De beoordeling
4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de kinderen elk een vordering van € 13.000 hebben op de nalatenschap van erflater. [appellante] is als executeur van die nalatenschap veroordeeld om de bedragen van € 13.000 te voldoen. [appellante] heeft vier grieven (bezwaren) tegen die beslissing aangevoerd. Het hof zal die grieven hieronder bespreken.
4.2.
Het hof merkt op dat het deel van de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] dat door de rechtbank is toegewezen, niet ziet op een processueel ondeelbare rechtsverhouding. De toegewezen vordering houdt echter mede in dat [appellante] aan [geïntimeerde3] € 13.000 dient te betalen, dit ter voldoening van [geïntimeerde3] ’s vordering uit ouderlijke boedelverdeling. [appellante] heeft [geïntimeerde3] dan ook op goede gronden in dit hoger beroep betrokken (vgl. artikel 118 RvPro).
Beroep op verjaring
4.3.
[appellante] stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [geïntimeerden] verjaard zijn (grief I). [appellante] wijst erop dat het testament van erflaatster vermeldt dat de vorderingen van de kinderen uit de ouderlijke boedelverdeling opeisbaar zijn bij het einde van het vruchtgebruik op die vorderingen. Het vruchtgebruik op de vorderingen is gelegateerd aan erflater. Volgens [appellante] volgt uit artikel V van het testament dat het vruchtgebruik binnen twaalf maanden na het overlijden van erflaatster gevestigd had moeten worden. Het vruchtgebruik is echter nooit gevestigd. Dit betekent, aldus [appellante] , dat de vorderingen van de kinderen in elk geval twaalf maanden na het overlijden van erflaatster, dus [in] 1999, opeisbaar zijn geworden. De vorderingen zijn volgens [appellante] door een tijdsverloop van twintig jaar verjaard. [geïntimeerden] menen dat van verjaring geen sprake is. Volgens [geïntimeerden] moet het testament zo begrepen worden dat de vorderingen opeisbaar worden op het moment dat het vruchtgebruik eindigt of, in het geval dat geen vruchtgebruik gevestigd is, op het moment dat een wél gevestigd vruchtgebruik geëindigd zou zijn.
4.4.
Tussen partijen bestaat discussie over de uitleg van het testament van erflaatster. Het hof stelt voorop dat bij uitleg van een uiterste wilsbeschikking gelet moet worden op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (zie artikel 4:46 lid 1 BWPro). [2]
4.5.
Het testament van erflaatster bepaalt dat de vordering van de kinderen uit ouderlijke boedelverdeling opeisbaar zijn bij het einde van het aan de echtgenoot gelegateerde vruchtgebruik op die vorderingen (zie hiervoor, onder 3.2). Tussen partijen staat niet ter discussie dat dit vruchtgebruik nooit gevestigd is. [geïntimeerden] wijzen er echter terecht op dat het testament – in aanmerking genomen de hiervoor genoemde uitlegregel – niet zo begrepen kan worden dat de vorderingen van de kinderen, als het vruchtgebruik niet binnen twaalf maanden na het overlijden een vruchtgebruik gevestigd werd, meteen opeisbaar werden. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met het verzorgingsmotief, zoals dat uit het testament blijkt. Dat motief blijkt onder meer uit de keuze voor ouderlijke boedelverdeling; het motief is ook vermeld in artikel X van het testament (zie hiervoor, onder 3.2). Het testament bepaalt niet dat de vorderingen van de kinderen meteen of op korte termijn opeisbaar worden in het geval het gelegateerde vruchtgebruik, om welke reden dan ook, niet gevestigd wordt. Gezien het genoemde verzorgingsmotief dient artikel II van het testament naar het oordeel van het hof zo begrepen te worden dat het vruchtgebruik in zo’n situatie zo nodig later alsnog gevestigd kan worden. Dat artikel V vermeldt dat vruchtgebruik binnen twaalf maanden gevestigd dient te worden, maakt dat niet anders. Reden daarvoor is reeds dat dat artikel V niet ziet op het in artikel II bedoelde gelegateerde vruchtgebruik, waar het in deze zaak om gaat, maar op het in artikel III genoemde keuzelegaat. Gelet op de hiervoor genoemde uitlegregel dient het testament van erflaatster naar het oordeel van het hof dan ook zo uitgelegd te worden dat de vorderingen van de kinderen, in het geval dat verzuimd is een vruchtgebruik op die vorderingen te vestigen, opeisbaar worden op het moment dat het vruchtgebruik, als dat wel gevestigd zou zijn, geëindigd zou zijn.
4.6.
Het hof stelt vast dat als er een vruchtgebruik gevestigd was, dit vruchtgebruik in elk geval – zoals ook niet ter discussie staat – niet geëindigd was voor het moment dat erflater in 2019 hertrouwde met [appellante] . De vorderingen van de kinderen verjaren door verloop van twintig jaar na de datum waarop de vorderingen opeisbaar zijn geworden (zie artikelen 3:306 en 3:313 BW). Dit betekent dat de vorderingen niet verjaard zijn. Het verjaringsverweer van [appellante] wordt dan ook verworpen.
4.7.
Ten overvloede merkt het hof op dat het beroep op verjaring ook reeds afstuit op het gegeven dat dit beroep in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [geïntimeerden] wijzen er terecht op dat erflater zich aanvankelijk juist uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de vorderingen nog steeds niet opeisbaar waren. [geïntimeerden] hebben bovendien toegelicht dat erflater hen op geen enkele wijze geïnformeerd heeft over het testament van erflaatster en over de inhoud daarvan. Het doen van navraag was volgens hen vanwege de ‘erg dominante’ opstelling van erflater, feitelijk in redelijkheid ook niet mogelijk. Een en ander is niet voldoende gemotiveerd weersproken. Uit onder meer het gesprek van erflater met notaris mr. [naam4] uit 2011 kan worden afgeleid dat erflater zelf zich wél van de inhoud van het testament en van de daaruit volgende rechten van de kinderen bewust was (zie hiervoor, onder 3.4). Erflater heeft die informatie kennelijk aan de kinderen onthouden en hij heeft met zijn handelwijze feitelijk ook belet – of in elk geval proberen te beletten – dat de kinderen hun rechten geldend zouden maken. Het beroep op verjaring kan ook om die reden niet slagen.
Beroep op afstand van recht
4.8.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerden] in 2011 afstand hebben gedaan van hun vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling. [appellante] betoogt in dit hoger beroep dat [geïntimeerden] wel degelijk afstand hebben gedaan van hun vorderingsrechten (grief II). Het hof verwerpt dat betoog. De redenen daarvoor zijn als volgt.
4.9.
[geïntimeerden] hebben verklaard dat zij de schriftelijke verklaringen van oktober 2011 op verzoek van erflater hebben opgesteld. De tekst van de verklaring werd door erflater aangereikt of gedicteerd. Erflater, die destijds al een relatie had met [appellante] , had hun verteld dat de verklaringen nodig waren in het kader van de aanvraag van de Nederlandse nationaliteit door [appellante] . Er is niet met erflater gesproken over vorderingen waarvan afstand zou worden gedaan. Volgens [geïntimeerden] waren zij zich er destijds ook niet van bewust dat zij een vordering hadden vanwege de ouderlijke boedelverdeling. Het doel van de verklaringen was ook niet om afstand te doen van vorderingsrechten; het doel was enkel om erflater behulpzaam te zijn bij de aanvraag tot naturalisatie van [appellante] . De door notaris mr. [naam4] opgestelde concepttekst hebben [geïntimeerden] destijds niet gezien en daarover heeft erflater ook niet gesproken, aldus telkens [geïntimeerden]
4.10.
Het hof stelt vast dat deze verklaringen van [geïntimeerden] stroken met de overgelegde stukken. De handgeschreven verklaringen van de drie kinderen, die op verschillende data ondertekend zijn, zijn gelijkluidend. Erflater heeft bij de rechtbank de handgeschreven verklaringen als productie in het geding gebracht. Daarbij is de door notaris mr. [naam4] aangereikte concepttekst telkens als eerste pagina vóór de handgeschreven verklaring gevoegd. Diezelfde productie is door [appellante] bij memorie van grieven nogmaals overgelegd. Uit de productie blijkt dat de pagina’s met de concepttekst die de notaris had aangereikt, niet door [geïntimeerden] ondertekend zijn. [geïntimeerden] voeren terecht aan dat het voor de hand ligt dat als die concepttekst destijds met hen besproken was, zij de tekst ook ondertekend hadden (bij de aanduiding ‘handtekeningen’). Het hof merkt daarbij op dat de inhoud van de concepttekst van de notaris – waarin onder meer staat dat de erflater het kind een bepaald bedrag betaalt – ook niet zonder meer te rijmen is met de inhoud van de handgeschreven verklaringen. In de handgeschreven verklaringen staat immers niets over een betaling door erflater; er wordt slechts gesproken over afstand van ‘alle geldelijke lusten en lasten’ (zie hierboven, onder 3.5).
4.11.
[geïntimeerden] hebben, zoals vermeld, toegelicht en onderbouwd dat zij met hun verklaringen uit oktober 2011 niet bedoeld hebben om afstand te doen van enig recht. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] daar onvoldoende tegenover gesteld. [appellante] merkt op dat de handgeschreven verklaringen (mogelijk) helemaal niet nodig waren in het kader van de aanvraag tot naturalisatie. Ook als die verklaringen inderdaad niet nodig waren, ontkracht of weerlegt dat het betoog van [geïntimeerden] echter niet. Reden daarvoor is reeds dat [geïntimeerden] in redelijkheid konden menen dat de financiële situatie van erflater, en daarmee ook hun verklaringen, van belang waren bij de aanvraag tot naturalisatie. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende is aangetoond dat [geïntimeerden] de verklaringen alleen opgesteld hebben om de aanvraag tot naturalisatie te ondersteunen en dat zij met de verklaringen niet bedoeld hebben om afstand te doen van enig recht. Erflater heeft de verklaringen ook niet in die zin mogen begrijpen. Daarbij merkt het hof op dat [geïntimeerden] hebben toegelicht dat erflater hen nooit over hun vorderingsrechten uit de ouderlijke boedelverdeling geïnformeerd heeft. Dit laatste is niet voldoende gemotiveerd weersproken. [appellante] stelt weliswaar dat destijds besproken is dat erflater al vele betalingen aan de kinderen had gedaan en dat de vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling om die reden zouden worden kwijtgescholden, maar [appellante] – die naar eigen zeggen dergelijke financiële kwesties juist volledig overliet aan erflater – heeft nagelaten dit adequaat toe te lichten en te onderbouwen. De genoemde stelling van [appellante] verdraagt zich ook niet met het feit dat de concepttekst van notaris mr. [naam4] niet door de kinderen ondertekend is. Slotsom is dan ook dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerden] afstand hebben gedaan van hun vorderingen uit de ouderlijke boedelverdeling.
Hoogte van de vorderingen
4.12.
De rechtbank heeft de vorderingen uit de ouderlijke boedelverdeling vastgesteld op € 13.000 per kind. [appellante] meent dat dit bedrag in elk geval te hoog is (grief III). Volgens [appellante] is het ‘zeer waarschijnlijk’ dat zij en [geïntimeerden] tot dusver geen rekening hebben gehouden met het feit dat ten tijde van het overlijden van erflaatster (1998) de euro nog niet was ingevoerd. Met het eerder in de procedure door [appellante] genoemde bedrag van € 13.000 per kind is dus bedoeld NLG 13.000 per kind (€ 5.899,14). Verder merkt [appellante] op dat de belastingvrijstelling successierecht voor een kind destijds NLG 16.167 was (€ 7.336,26). Er is, aldus [appellante] , geen aangifte successiebelasting gedaan. De vordering per kind zou dus in elk geval niet meer bedragen dan € 7.336,26. Verder betoogt [appellante] dat de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de omvang van de nalatenschap van erflaatster ten onrechte geheel bij erflater is gelegd.
4.13.
Het hof is van oordeel dat voldoende is aangetoond dat de vorderingen van [geïntimeerden] uit de ouderlijke boedelverdeling € 13.000 per kind bedragen. [geïntimeerden] hebben de vorderingen in eerste instantie begroot op € 20.000. Dat bedrag is gebaseerd op een waarde van de huwelijksgemeenschap van erflaatster en erflater van in totaal € 160.000 (€ 80.000 spaargeld en € 80.000 woningwaarde). [appellante] heeft dat bedrag betwist, maar zij heeft in dat kader slechts zeer beperkte gegevens verstrekt. Naar het oordeel van het hof lag het, anders dan [appellante] meent, primair op de weg van erflater om de nodige informatie te verzamelen en te verstrekken. [geïntimeerden] hebben onweersproken gesteld dat erflater al in 1998 bekend was met de inhoud van het testament van erflaatster. Daarnaast volgt uit het gesprek van erflater met notaris mr. [naam4] en uit de door die notaris verstrekte concepttekst, dat erflater zich bewust moet zijn geweest van de inhoud van het testament en van de noodzaak om de omvang van de vorderingen van de kinderen vast te stellen (zie ook hiervoor, onder 3.4). De informatie bevond zich bovendien in het domein van erflater, en niet in dat van de kinderen. Van belang is verder dat [appellante] in haar conclusie van antwoord uitdrukkelijk verklaard heeft dat erflater er steeds van is uitgegaan dat de vordering € 13.000 per kind bedroeg. Dat [appellante] daarbij per abuis uitgegaan is van euro’s en niet van guldens, acht het hof niet geloofwaardig en is in elk geval onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Daarbij is van belang dat erflater en [appellante] steeds betoogd hebben dat de vorderingen van de kinderen al door erflater voldaan zijn en dat zij bij de in dat kader genoemde berekeningen eveneens zijn uitgegaan van euro’s en niet van guldens.
4.14.
Er is, anders dan [appellante] meent, ook onvoldoende grond om te veronderstellen dat de vordering per kind lager was dan het bedrag van de vrijstelling van successiebelasting. Zo blijkt niet welke informatie destijds aan de Belastingdienst is verstrekt. Dat destijds geen aangifte successiebelasting is gedaan, is ook niet nader onderbouwd. Verder kan worden opgemerkt dat de door [appellante] overgelegde brief van de Belastingdienst van 8 december 1998 uitdrukkelijk vermeldt dat als een van de erfgenamen meer verkrijgt dan de vrijstelling die voor hem geldt, (alsnog) aangifte van successierecht moet worden gedaan.
4.15.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat [geïntimeerden] voldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat hun vordering € 13.000 per kind bedraagt. [appellante] heeft haar verweer – gezien ook haar eerdere verklaring dat erflater er altijd van is uitgegaan dat de vordering € 13.000 per kind bedroeg – in zoverre onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Verrekening
4.16.
[appellante] betoogt tot slot dat [geïntimeerde2] in de periode na 17 oktober 2011 nog ruim € 20.000 van erflater heeft ontvangen. Volgens [appellante] dient dat bedrag op een eventuele vordering van [geïntimeerde2] in mindering te worden gebracht (grief IV).
4.17.
Het hof verwerpt dit betoog van [appellante] . [geïntimeerde2] heeft betwist dat zij nog iets aan erflater verschuldigd was of is. [geïntimeerden] merken terecht op dat [appellante] ook niet voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld heeft dat de bedoelde bedragen aan [geïntimeerde2] betaald zijn ter voldoening van haar vordering uit ouderlijke boedelverdeling. Daarbij kan worden opgemerkt dat [appellante] juist betoogd heeft dat erflater ervan uitging dat [geïntimeerde2] hem [in] 2011 de vordering uit ouderlijke boedelverdeling had kwijtgescholden. [appellante] heeft verder niet tijdig en voldoende duidelijk aan dit verweer ten grondslag gelegd dat de bedragen die vanaf de genoemde datum zijn overgeboekt naar de bankrekening van [geïntimeerde2] , een lening inhielden. Voor zover dat wel het geval zou zijn, dient het beroep op verrekening naar het oordeel van het hof overigens ook te stranden vanwege het gegeven dat de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. [appellante] heeft verder niet duidelijk gemaakt op welke andere grond [geïntimeerde2] gehouden zou zijn geweest de bedoelde bedragen terug te betalen of te vergoeden. Het beroep op verrekening wordt dan ook verworpen. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat niet blijkt dat er een andere grond is (afgezien van verrekening) die meebrengt dat de door erflater overgeboekte bedragen in mindering gebracht dienen te worden op het bedrag dat [geïntimeerde2] wegens de ouderlijke boedelverdeling te vorderen heeft.
De conclusie
4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep verworpen moet worden. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het hof ziet in de aard van de zaak en de relatie tussen partijen aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
5.De beslissing
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 februari 2025, zoals hersteld bij vonnis van 28 mei 2025;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep;
5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, C. Coster en E. Leentjes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.