Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3123

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.361.113/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie in samengesteld gezin met fictief inkomen nieuwe partner

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarig kind met hoofdverblijf bij de vrouw. De man is hertrouwd en heeft samen met zijn nieuwe partner twee kinderen. In eerste aanleg werd het verzoek van de man om de kinderalimentatie te verlagen afgewezen. In hoger beroep stelt de man dat door de geboorte van het derde kind zijn onderhoudsplicht is gewijzigd en verzoekt hij om een lagere bijdrage.

Het hof beoordeelt de draagkracht van de man en zijn nieuwe partner, waarbij het fictieve inkomen van de partner wordt meegenomen. De man heeft een fulltime baan, de partner runt een manege en heeft een beperkte verdiencapaciteit. De vrouw is arbeidsongeschikt en ontvangt een uitkering vanaf april 2026. Het hof maakt nieuwe berekeningen van het netto besteedbaar inkomen en de behoefte van de kinderen volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie.

Het hof concludeert dat de bijdrage van de man voor het kind vanaf 22 januari 2025 €188 per maand bedraagt en vanaf 1 april 2026 €295,77 per maand. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijzigt de alimentatie overeenkomstig. Eventuele te veel betaalde bedragen hoeven niet te worden terugbetaald omdat deze aan het kind zijn besteed.

Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie en bepaalt een lagere bijdrage vanaf 22 januari 2025 en een hogere vanaf 1 april 2026, rekening houdend met het fictieve inkomen van de nieuwe partner.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.113/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 198457)
beschikking van 19 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. P.D. Koffeman-Baak te Emmeloord,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 4 november 2025;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 10 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 11 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 16 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 20 maart 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de man, bijgestaan door mr. M.W.G. Versendaal als waarnemer voor mr. Koffeman-Baak;
- de vrouw, bijgestaan door mr. De Boer.
2.3
Ondanks dat genoemd journaalbericht van 16 maart 2026 buiten de in het Procesreglement gestelde termijn voor het indienen van stukken is binnengekomen, maakt dit journaalbericht met bijlage(n) onderdeel uit van het dossier. Het hof heeft van deze stukken kennisgenomen en deze zijn ter zitting besproken. De bij het journaalbericht gevoegde producties 27 tot en met 29 zijn eenvoudig te doorgronden en betreffen definitieve stukken van de Belastingdienst. De producties 30 tot en met 32 waren eerder al overgelegd. Mr. De Boer heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of deze stukken deel zouden moeten uitmaken van het dossier.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
3.2
De man is [in] 2022 gehuwd met [naam] . De man en [naam] hebben samen twee kinderen: [de minderjarige2] , geboren [in] 2021, en [de minderjarige3] , geboren [in]
2024.
3.3
Bij beschikking van 4 januari 2024 heeft het hof bepaald dat de man met ingang van
1 augustus 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 250,- per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt na indexering met ingang van 1 januari 2025 € 282,76 per maand en vanaf 1 januari 2026 € 295,77 per maand.

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) te wijzigen afgewezen.
4.2
De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de draagkracht van de man, de vrouw en [naam] en de behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De man verzoekt de beschikking van 4 augustus 2025 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat hij met ingang van 22 januari 2025 een bijdrage van
€ 23,- per maand voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het beroep van de man af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel de man dit beroep te ontzeggen.

5.De overwegingen voor de beslissing

Wijziging kinderalimentatie
5.1
De man stelt dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds de
beschikking van het hof van 4 januari 2024, omdat hij door de geboorte van [de minderjarige3] voor drie kinderen onderhoudsplichtig is geworden.
5.2
Het hof stelt voorop dat indien een verzoeker stelt dat zich een wijziging van
omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft
voorgedaan die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt, de verzoeker in zoverre
ontvankelijk is in zijn verzoek. In het geval de rechter vervolgens vaststelt dat er geen
rechtens relevante wijziging van omstandigheden is, dient een afwijzing van het verzoek te
volgen.
5.3
Nu de man aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er een wijziging van omstandigheden is, is hij ontvankelijk in zijn verzoek. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de gestelde wijziging een relevante wijziging is en tot wijziging van de kinderalimentatie dient te leiden. De rechtbank oordeelde van niet, zowel op formeel juridische als inhoudelijke gronden. Voor beide partijen is onduidelijk hoe de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man heeft berekend, omdat de onderliggende berekeningen geen deel uitmaken van de bestreden beschikking. Dat heeft in hoger beroep tot de nodige (hypothetische) discussies geleid. Het hof zal daarom nieuwe berekeningen maken en opnemen in deze beschikking.
Ingangsdatum
5.4
Tussen partijen staat niet ter discussie dat 22 januari 2025 als ingangsdatum van de wijziging kan worden gehanteerd. Dat is de datum waarop het wijzigingsverzoek van de man bij de rechtbank is binnengekomen. Het hof zal daarvan uitgaan.
Kinderalimentatie
5.5
De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatie zullen worden toegepast.
hoogte behoefte kinderen
5.6
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] op basis van genoemde richtlijnen in 2025 € 697,- per maand bedroeg. Namens de man is ter zitting aangevoerd dat de behoefte van [de minderjarige] feitelijk lager is, omdat hij bij beide ouders afzonderlijk al jarenlang niet meer opgroeit in de welstand die partijen kenden toen zij nog samen waren. Los van de vraag of deze stelling over de huidige welstand juist is, ziet het hof hierin geen reden om de behoefte van [de minderjarige] aan te passen en in afwijking van de geldende richtlijnen voor hem een vorm van verbleekte behoefte aan te nemen. Na indexering is de behoefte van [de minderjarige] in 2026 € 729,06 per maand.
5.7
Omdat de hoogte van de inkomens van de man en [naam] tussen partijen in geschil is, zijn zij het ook niet eens over de van die inkomens af te leiden behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Daarom zal het hof eerst beoordelen wat het NBI van de man en [naam] is. Gelet op hetgeen onder 5.4 ten aanzien van de ingangsdatum is overwogen, zal het hof dat doen vanaf 22 januari 2025.
* NBI man
5.8
Uit de jaaropgave van 2025 blijkt dat de man in dat jaar een inkomen uit loondienst had van € 41.584,-. Uit de salarisspecificaties van 2025 blijkt dat de man vanaf maart 2025 iets meer is gaan verdienen. Daarom geeft de jaaropgave nog niet helemaal een goed beeld van de voor de berekening van de kinderalimentatie relevante toekomstgerichte draagkracht van de man. Voor het hof is dit reden, net als de rechtbank heeft gedaan, uit te gaan van een salaris uit loondienst van € 3.282,70 bruto per maand zoals blijkt uit de salarisspecificaties vanaf maart 2025. Daarbij is rekening gehouden met de op de loonstroken vermelde premie WGA van € 13,95 per maand.
5.9
Uit de berekening op blad 8 volgt dat het NBI van de man € 3.540,- per maand bedraagt. Rekening is gehouden met een kindgebonden budget van € 4.667,- per maand en de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar (het gezin van) de man aanspraak op kan maken.
5.1
Naar aanleiding van door de vrouw ingebrachte informatie is in hoger beroep aan het licht gekomen dat de man samen met [naam] een vennootschap onder firma heeft:
[naam2] . Uit de overgelegde informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf zich richt op de handel in en verhuur van foodtrucks en trailers, de verhuur van biertaps en toebehoren, event catering en de organisatie van zakelijke en recreatieve evenementen. De man heeft in de procedure geen melding gemaakt van deze onderneming en daarvan geen stukken overgelegd. Pas naar aanleiding van vragen van het hof heeft de man ter zitting verteld dat [naam2] in februari 2026 is gestart en dat daar nog geen winst mee wordt gemaakt. Volgens de man is er tot nu toe één foodtruck verkocht waarop € 1.000,- is verdiend. De man stelt dat daar vele kosten tegenover staan, zoals voor het bouwen van de website (€ 1.300,-), bedrijfslogo’s die ontworpen moeten worden en beurskosten. De man zegt geen ondernemingsplan te hebben geschreven. De man en [naam] hopen dat [naam2] in de toekomst wat gaat opleveren, nu het andere bedrijf van [naam] ( [naam3] ) niet rendabel is. De man voert aan dat het de bedoeling is dat vooral [naam] [naam2] zal runnen en dat hij - naast zijn fulltime baan - alleen de nodige ondersteunende werkzaamheden doet. Hoewel het te denken geeft dat de man in deze alimentatieprocedure niet zelf open kaart heeft gespeeld over het bestaan, althans de oprichting van
[naam2] , acht het hof het aannemelijk dat een zo jong bedrijf nog geen winst maakt. Het hof zal hiermee bij de vaststelling van het NBI van de man (en [naam] ) daarom geen rekening houden.
* NBI [naam]
5.11
[naam] runt een manege/stoeterij in de vorm van een eenmanszaak. Dit bedrijf is gevestigd op landbouwgrond dat van oudsher (gezamenlijk) bezit is van de familie van
[naam] . De werkzaamheden van [naam] bestaan uit het verzorgen van de aanwezige (pension)paarden en pony’s, het geven van paardrijlessen en het fokken en verkopen van veulens. Net als de rechtbank constateert het hof op basis van de stukken dat [naam] met [naam3] de afgelopen jaren nagenoeg geen inkomen heeft gegenereerd. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geen inkomen aangenomen voor [naam] . Nu daartegen geen grief is gericht neemt het hof dat oordeel over. Zoals gezegd wordt voor [naam] evenmin inkomen aangenomen uit [naam2] .
5.12
Uit het voorgaande volgt dat het NBI van de man en [naam] samen gelijk is aan het NBI van de man van € 3.540,- per maand. Daar moet het huidige aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] (inclusief de zorgkorting) op in mindering worden gebracht. Uit genoemde eerdere beschikking van het hof volgt dat dit aandeel in 2023 € 421,- per maand was. Na indexering bedraagt dit in 2025 € 476,16 per maand. In totaal is het NBI dat ter beschikking staat aan de man, [naam] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] dan afgerond € 3.064,- per maand. Uit de NIBUD-tabellen “Kosten van kinderen” volgt voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] vervolgens een behoefte van in totaal € 654,- per maand in 2025. Na indexering is dat in 2026 € 684,08 per maand.
Draagkracht
5.13
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken. Om redenen van doelmatigheid begint het hof bij de draagkracht van [naam] .
* [naam]
5.14
Anders dan de man is het hof van oordeel dat de rechtbank [naam] terecht een verdiencapaciteit heeft toegekend. Niet ter discussie staat dat [naam] in staat is om te werken naast de zorg voor de kinderen en dat ook feitelijk doet. Uit de stukken is af te leiden dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] naar de opvang gaan (de man en [naam] krijgen kinderopvang-toeslag). [naam] werkt al jaren nagenoeg fulltime op de manege. Sinds kort komen daar nog haar werkzaamheden voor [naam2] bij. Uit de stukken blijkt dat [naam3] [naam] al die jaren nauwelijks inkomsten oplevert. Toch kiest
[naam] ervoor om met dit bedrijf door te gaan en geen ander werk te zoeken waarmee zij wel een inkomen kan verwerven. Het staat [naam] en de man vrij om die keuze te maken, maar de financiële gevolgen van de keuzes van [naam] en de man dienen niet ten laste te komen van de kinderen. [naam] dient ook haar aandeel te dragen in de kosten van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , zodat die financiële last niet enkel bij de man komt te liggen. Het gevolg daarvan zou namelijk zijn dat de draagkracht van de man voor [de minderjarige] lager is. Daarom mag van [naam] verwacht worden dat zij een redelijk inkomen verwerft. De man verwacht dat op zijn beurt ook van de vrouw.
5.15
Het hof acht het redelijk om voor [naam] uit te gaan van een verdiencapaciteit die past bij een parttime baan. Het hof acht het voorstelbaar dat de meeste zorg voor de kinderen bij [naam] ligt, zoals de man stelt. De man heeft zelf een fulltime baan. Het hof hanteert voor [naam] dezelfde deeltijdfactor (24 uur per week) als de vrouw tot voor kort had. Het hof gaat ervan uit dat de overige uren die [naam] per week aan de manege besteed hobbymatig van aard zijn.
5.16
Gezien haar leeftijd en de aard van de werkzaamheden die [naam] op de manege verricht vindt het hof een verdiencapaciteit enigszins boven het minimumloon aangewezen. Uitgaande van een brutoloon van € 20,- per uur, welk bedrag het hof passend acht, volgt uit de berekening op blad 10 voor [naam] dan een NBI van € 2.246,- per maand.
* de man
5.17
In de situatie dat [naam] genoemd (fictief) inkomen heeft, volgt uit de berekening op blad 9 dat het NBI van de man € 3.132,- per maand bedraagt.
5.18
Het hof ziet geen aanleiding om de man naast zijn 38-urige werkweek nog een extra verdiencapaciteit toe te kennen voor de beperkte tijd die hij onbezoldigd in [naam2] steekt.
* woonlasten
5.19
De man stelt dat er een groot tekort is aan draagkracht om in de kosten van verzorging en opvoeding van alle kinderen te voorzien. Daarom zal het hof uitgaan van de werkelijke woonlasten in plaats van te rekenen met een woonbudget. Nu het hof rekent met een fictief inkomen van [naam] ziet het aanleiding de werkelijke woonlasten van de man en
[naam] naar rato van hun inkomens te verdelen. De vrouw heeft de feitelijke woonlasten van de man en [naam] becijferd op € 888,44 per maand. De man heeft daartegen niets ingebracht, zodat het hof daarvan zal uitgaan. De woonlasten worden dan op basis van een gezamenlijk inkomen van € 5.378,- als volgt verdeeld:
- de man (€ 3.132/€ 5.378 x € 888,44 =) afgerond € 517,- per maand;
- [naam] (€ 2.246/€ 5.378 x € 888,44 =) afgerond € 371,- per maand.
5.2
Uit de berekeningen op blad 9 en blad 10 volgt dan dat uitgaande van de op deze wijze berekende woonlasten de man en [naam] een draagkracht hebben van € 914,- respectievelijk € 396,- per maand.
Draagkracht vrouw
5.21
De vrouw heeft vanaf april 2026 geen werk meer. Tot die tijd had zij een dienstverband van 24 uur per week als doktersassistente. Wegens burn-outklachten was zij de laatste tijd arbeidsongeschikt. Haar jaarcontract bij SMC Huisartsen is niet verlengd.
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw neemt het hof de jaaropgaves van 2025 tot uitgangspunt. Ten tijde van de zitting was de hoogte van de werkloosheidsuitkering van de vrouw nog niet bekend. Om redenen van doelmatigheid houdt het hof vanaf 1 april 2026 rekening met 70% van het tot die datum door de vrouw verdiende inkomen. Het hof gaat ervan uit dat de man zijn eerdere standpunt dat de vrouw haar werkzaamheden moet uitbreiden naar 32 uur per week en een verdiencapaciteit van € 3.000,- netto heeft laten varen, nu hij ter zitting heeft aangegeven dat zowel voor als na 1 april 2026 kan worden aangesloten bij de feitelijke inkomenssituatie van de vrouw.
5.22
Uit de berekeningen op blad 11 en blad 15 volgt dat het NBI van de vrouw tot 1 april 2026 € 2.943,- per maand bedroeg en vanaf die datum ongeveer € 2.220,- per maand zal zijn.
Uit die berekeningen volgt dan verder dat de vrouw tot 1 april 2026 een draagkracht heeft van € 525,- per maand en vanaf 1 april 2026 van € 132,- per maand. Het hof merkt op dat de draagkracht van de man en [naam] per 1 april 2026 door de aanpassing van de tarieven ook iets wijzigt.
Verdeling draagkracht
5.23
Uit de berekeningen van de verdeling van de kosten van de kinderen op blad 12 en blad 16 volgt dan verder dat de man na vergelijking van de draagkracht en naar rato van de behoefte van de kinderen over de periode van 22 januari 2025 tot 1 april 2026 € 188,- per maand en per 1 april 2026 € 375,- per maand aan de vrouw dient bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] . Gesteld noch gebleken is dat van een andere zorgkorting moet worden uitgegaan dan het hof in zijn beschikking van 4 januari 2024 heeft gedaan (25%).
Conclusie
5.24
Uit het voorgaande blijkt dat de bijdrage die de man op grond van de beschikking van het hof van 4 januari 2024 in 2025 aan de vrouw verschuldigd was voor [de minderjarige]
(€ 282,76 per maand) hoger is dan het bedrag waar het hof in zijn huidige berekening vanaf 22 januari 2025 op uitkomt (€ 188,- per maand). Het hof zal het wijzigingsverzoek van de man in zoverre toewijzen. De bijdrage die de man op grond van genoemde beschikking van
4 januari 2024 in 2026 aan de vrouw voor [de minderjarige] verschuldigd is (€ 295,77 per maand) is lager dan het bedrag waar het hof in zijn actuele berekening per 1 april 2026 op uitkomt
(€ 375,- per maand). Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd zal het hof de kinderalimentatie per 1 april 2026 bepalen op € 295,77 per maand. Het wettelijk uitgangspunt is namelijk dat de man niet slechter mag worden van het door hem ingestelde hoger beroep. Nu de vrouw van haar kant geen hoger beroep heeft ingesteld en daarin een hogere bijdrage heeft verzocht, blijft de bijdrage per 1 april 2026 het genoemde bedrag van € 295,77 per maand.
Het hof ziet wel aanleiding om te bepalen dat hetgeen de man over de periode tot 1 april 2026 eventueel te veel heeft betaald, door de vrouw niet aan hem hoeft te worden terugbetaald. Het hof gaat er namelijk van uit dat de door de vrouw ontvangen bedragen inmiddels zijn besteed aan kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
4 augustus 2025;
wijzigt de beschikking van het hof van 4 januari 2024 en bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 22 januari 2025 tot 1 april 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, € 188,- per maand dient te betalen;
bepaalt dat hetgeen de man over de periode tot 1 april 2026 eventueel te veel heeft betaald, door de vrouw niet aan hem hoeft te worden terugbetaald;
bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf 1 april 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 295,77 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. A.P. de Jong-de Goede en
mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 19 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.