Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3146

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.353.050
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:44 lid 4 BWArt. 7:17 BWVerordening (EU) 2016/425Aanbeveling 2020/403
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over onrechtmatig bedongen prijskorting bij levering mondmaskers in coronatijd

In maart 2020 sloot het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH), onder regie van de Staat (VWS) en met Mediq als inkoper, een koopovereenkomst met IGC voor de levering van één miljoen mondmaskers voor zorgpersoneel. Na afkeuring van de eerste levering kreeg IGC de kans een herstellevering te leveren, die volgens het RIVM aan de FFP2-standaard voldeed, ondanks het ontbreken van CE-certificering vanwege een tijdelijke vrijstelling.

De Staat stelde dat de herstellevering niet conform was omdat het KN95-mondmaskers betrof in plaats van FFP2/N95 en dat deze niet CE-gecertificeerd waren. Het hof oordeelde dat de mondmaskers wel aan de FFP2-standaard voldeden en dat de tijdelijke vrijstelling van CE-certificering redelijk was gezien de coronacrisis. De Staat had onterecht de mondmaskers afgekeurd en een prijskorting afgedwongen.

Tijdens een gesprek op 26 juni 2020 stemde IGC in met een lagere prijs onder druk van de Staat, die dreigde de overeenkomst te ontbinden en de aanbetaling terug te vorderen. Het hof oordeelde dat dit misbruik van machtspositie was en dat de prijsverlaging onrechtmatig was afgedwongen. IGC leed daardoor een schade van €547.520,-. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat de Staat en Mediq hoofdelijk veroordeelde tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de Staat en Mediq tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig bedongen prijskorting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.050
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573842
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van

1.De Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

die is gevestigd in 's-Gravenhage
2. Mediq Nederland B.V.
die is gevestigd in Utrecht
hierna samen te noemen: de Staat, en afzonderlijk: de Staat (VWS) en Mediq
advocaat: mrs. W.I. Wisman en M.T. Beumers
en
D&D International B.V. (voorheen IGC International B.V.)
die is gevestigd in Amsterdam
hierna te noemen: IGC
advocaat: mrs. R.P.R. Nolten en L.A.C. van Lierop

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De Staat heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 8 januari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven, met producties
• de memorie van antwoord, met een productie
• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 26 maart 2026 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Vanwege de coronacrisis was er in maart 2020 wereldwijd, ook in Nederland, plotseling een dringende behoefte aan grote hoeveelheden mondmaskers, met name voor zorgmedewerkers. Om de inkoop van mondmaskers voor zorgmedewerkers landelijk te coördineren werd op 23 maart 2020 het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (hierna: LCH) opgezet. Dit was een tijdelijk publiek-privaat samenwerkingsverband zonder eigen rechtspersoonlijkheid. Het LCH stond onder regie van de Staat (VWS), waarbij Mediq een faciliterende rol had en formeel als inkoper optrad namens het LCH voor rekening en risico van de Staat (VWS). Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft in opdracht van de Staat (VWS) tussen maart 2020 en oktober 2020 kwaliteitscontroles uitgevoerd op onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen, waaronder mondmaskers.
2.2
Veruit de meeste mondmaskers werden in China geproduceerd. IGC is een handelaar in promotiematerialen en consumentenproducten die veelal in China worden geproduceerd, en daarom goede contacten heeft met producenten in China. In maart 2020 is er contact geweest tussen het LCH en IGC over de levering van een grote hoeveelheid mondmaskers uit China door IGC aan het LCH.
2.3
Vervolgens hebben de Staat (VWS) en Mediq, samenwerkend in het LCH, een overeenkomst gesloten met IGC voor de levering van één miljoen mondmaskers, ten behoeve van zorgpersoneel. De totale koopsom bedroeg € 2.990.000,-. Er is een aanbetaling van 60% van de koopsom gedaan, en 40% zou worden betaald bij aflevering. Nadat de eerste deelleveringen waren afgekeurd, is IGC door het LCH in de gelegenheid gesteld om alsnog de overeengekomen mondmaskers te leveren. De samples van deze herstelleveringen zijn door het RIVM aanvankelijk afgekeurd op de ‘fit’ (pasvorm). Nadat IGC aanpassingen aan de oor-elastieken en de metalen neusclip van de mondmaskers had laten doorvoeren, is het nieuwe sample door het RIVM goedgekeurd. Toen de mondmaskers klaar stonden in China om te worden geleverd, stelde het LCH zich op het standpunt dat deze niet conform de overeenkomst waren. Het LCH heeft IGC vervolgens voor de keuze gesteld dat hetzij de overeenkomst zou worden ontbonden en de aanbetaling zou worden teruggevorderd, hetzij de mondmaskers werden afgenomen tegen een lagere prijs. IGC heeft tijdens een gesprek op 26 juni 2020 met de lagere prijs ingestemd, hoewel de mondmaskers volgens haar wel degelijk voldeden aan de overeenkomst.
2.4
IGC heeft bij de rechtbank gevorderd dat de Staat haar een schadevergoeding moet betalen, bestaande uit het bedrag van de volgens haar onrechtmatig afgedwongen prijskorting van € 547.520,-, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van de Staat is dat de toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen.
2.5
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt, en licht dat hierna toe. De grieven (bezwaren) van de Staat worden daarbij thematisch behandeld.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De grondslag van de vordering en het verweer
3.1
Volgens IGC heeft de Staat onrechtmatig gehandeld (art. 6:162 BW Pro) door op 26 juni 2020 een prijskorting af te dwingen. Volgens de Staat moet de vordering worden beoordeeld aan de hand van het leerstuk van misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW Pro), en heeft de rechtbank dat in wezen ook gedaan. Het hof volgt dit niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bedingen van de prijskorting onrechtmatig is. Dit sluit aan op de (primaire) vordering van IGC. Zij heeft een onrechtmatige daad van de Staat gesteld als zelfstandige grondslag van haar vordering. Mede als invulling van wat de maatschappelijke zorgvuldigheid volgens haar vergt in dit geval, heeft IGC een parallel getrokken met de wilsgebreken van artikel 3:44 BW Pro. IGC heeft geen beroep gedaan op de vernietiging van haar instemming met de prijsverlaging, niet buitengerechtelijk en ook niet in deze procedure. Een (eventueel mogelijke) samenloop van de gestelde onrechtmatigheid met misbruik van omstandigheden maakt niet dat hier sprake is van een situatie waarin er een specifieke regel is waarvan de werking exclusief is en die daarom niet mag worden omzeild. [1] IGC mag immers ook de keuze maken om de rechtshandeling niet te vernietigen en de Staat aan te spreken tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.
3.2
Volgens IGC blijkt de schending van de maatschappelijke zorgvuldigheid vooral uit de houding van de Staat in de aanloop naar en tijdens het gesprek van 26 juni 2020 waarin IGC heeft ingestemd met de prijskorting. IGC voert aan dat de Staat misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie en dat IGC toen zij instemde met de lagere prijs geen enkele keuzevrijheid had. Het – plotselinge en onverwachte – standpunt van de Staat dat de geleverde mondmaskers niet beantwoordden aan de overeenkomst (non-conformiteit; art. 7:17 lid 1 BW Pro) is daarbij een bedrieglijke argumentatie, waarmee de Staat ook op oneigenlijke gronden de prijskorting heeft afgedwongen, aldus IGC. De Staat betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de Staat heeft IGC ingestemd met de lagere prijs, en is de overeenkomst in zoverre gewijzigd. Als er gebruik is gemaakt van een (economische) machtspositie om de prijskorting te bedingen betekent dat nog niet dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Bovendien stond de Staat wel degelijk in zijn recht, omdat de mondmaskers niet conform de overeenkomst waren. Het hof begrijpt dit laatste mede als een beroep op een rechtvaardigingsgrond voor de bedongen korting, die in de weg staat aan onrechtmatigheid. Het hof overweegt als volgt.
Wat zijn partijen overeengekomen?
3.3
IGC stelt dat zij mondmaskers conform de overeenkomst heeft geleverd. Het gaat om de herstellevering – de ‘tweede batch’ (928.000 mondmaskers) – van juli 2020. Volgens de Staat beantwoordt de herstellevering niet aan de overeenkomst, omdat IGC KN95-mondmaskers heeft geleverd (Chinese standaard GB2626-2006) terwijl FFP2-mondmaskers (Europese standaard EN 149:2001+A1:2009) dan wel N95-mondmaskers (Amerikaanse standaard NIOSH-42CFR84) zijn overeengekomen. Volgens IGC was duidelijk dat het ging om in China geproduceerde mondmaskers met KN95 er op gedrukt, en gaat het er voor de conformiteit om dat de maskers aan de kwaliteitsstandaard FFP2 voldoen, wat het geval is. Volgens de Staat is een KN95-mondmasker geen FFP2-mondmasker, en is de non-conformiteit van de mondmaskers er tevens in gelegen dat de herstellevering niet CE-gecertificeerd was (conform de Europese norm), terwijl ook dit was overeengekomen. Volgens IGC is algemeen bekend dat CE-certificering tijdelijk niet aan de orde was in de hectische dagen van de coronacrisis waarin deze mondmaskers geleverd moesten worden.
3.4
De Staat verwijst naar de inkooporder van 28 maart 2020, de factuur van IGC van 28 maart 2020, en de opdrachtbevestiging van IGC van 1 juni 2020, waar telkens (naast FFP2 / N95) “CE-certified” op is vermeld. Dit betreft certificering volgens de vereisten uit de Europese Verordening (EU) 2016/425 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna: de PBM-Verordening). [2] Een mondmasker dat aan de normvereisten van FFP2 voldoet, mag volgens die standaard in de handel worden gebracht en daarop wordt een CE-markering aangebracht. De Staat voert in dat verband tevens aan dat de eerste deelleveringen van IGC (wel) CE-gecertificeerd waren, voorzien van een testrapport van een zogenoemde notified body. Een ‘notified body’ is een onder de PBM-Verordening aangewezen instantie die controleert of persoonlijke beschermingsmiddelen voldoen aan de normvereisten en indien dat zo is, een certificaat verlenen. De herstellevering was bedoeld om alsnog aan de overeenkomst te voldoen en had dus ook van CE-certificering blijk moeten geven, aldus de Staat.
3.5
Het hof gaat niet mee in het betoog van de Staat. Naar het oordeel van het hof kon de Staat redelijkerwijs niet verwachten dat de herstellevering van een CE-certificering zou worden voorzien. Het hof is verder van oordeel dat de overeenkomst inhield dat IGC mondmaskers moest leveren die aan de FFP2-standaard voldoen, dat dit ook is geleverd, en dat de Staat de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat de KN95-mondmaskers van de herstellevering aan de overeenkomst beantwoordden als uit de kwaliteitscontrole van het RIVM zou volgen dat de mondmaskers aan de FFP2-standaard voldeden. De volgende omstandigheden zijn daarbij van belang.
Herstellevering hoefde geen CE-certificering te hebben
3.6
In maart 2020, aan het begin van de coronacrisis, steeg de vraag naar mondmaskers explosief. De testprocedure door een notified body kan zes tot acht weken duren en daar was destijds geen tijd voor. Volgens IGC werden de notified bodies overvraagd en kwamen zij (ook) in China stil te liggen, mede omdat reisbewegingen sterk waren beperkt zodat er niet ter plaatse bij de producent gecontroleerd kon worden of werd voldaan aan de vereisten voor een CE-certificering. De Staat heeft weliswaar gesteld dat de notified bodies nog wel functioneerden en een verkort protocol hanteerden, maar dat standpunt overtuigt niet. Het is algemeen bekend dat toen de coronacrisis uitbrak, de vraag naar mondmaskers explosief steeg en er zo snel mogelijk (goede) mondmaskers beschikbaar moesten komen. Ook de Europese landen zetten daar op in. De Europese Commissie heeft daarom op 13 maart 2020 Aanbeveling 2020/403 [3] gedaan (hierna: de PBM-Aanbeveling) op basis waarvan het tijdelijk was toegestaan – tussen 16 maart 2020 en 1 oktober 2021 – om mondmaskers zonder CE-markering op de Europese markt te brengen waarvan op een andere wijze een passend niveau van gezondheid en veiligheid werd vastgesteld. Deze tijdelijke vrijstelling van de CE-markering laat zich naar het oordeel van het hof moeilijk verklaren als op dat moment de notified bodies nog volop actief waren en in staat waren om op korte termijn voldoende CE-certificeringen van mondmaskers af te geven. Daar komt bij dat er in navolging van de PBM-Aanbeveling nationale testprocedures werden ingericht, ook in Nederland. Het LCH liet in deze periode van vrijstelling de mondmaskers die zij inkocht vooraf met steekproeftests (samples) controleren door het RIVM. Dit was om te kunnen vaststellen of de (meestal nieuw in China geproduceerde) mondmaskers voldeden aan de FFP2-standaard. Het RIVM hanteerde het testprotocol van de notified bodies onder de PBM-Verordening daarbij als leidraad. Het RIVM testte met name KN95-mondmaskers. Die mochten tijdens de periode van vrijstelling zonder CE-markering op de markt worden gebracht als het RIVM deze had getest en goedgekeurd. Dat het RIVM soms ook (op eerste oog) gecertificeerde mondmaskers testte gebeurde omdat er gesjoemeld werd met CE-markeringen die niet op certificering door een notified body waren terug te voeren.
3.7
Ook kwam het voor dat zendingen heimelijk werden verwisseld. Dat is wat er met de eerste deelleveringen van IGC is gebeurd, die ook zijn getest. Zoals IGC heeft uitgelegd, heeft er in april 2020 vlak voor de levering vanuit China een frauduleuze verwisseling plaatsgevonden, waardoor de eerste zendingen andere mondmaskers bleken te bevatten dan IGC dacht te hebben geleverd. Deze zendingen zijn door de Staat afgekeurd, afgezien van een klein deel dat “degraded” is (als FFP1 is gekwalificeerd). Dat IGC voor de eerste deelleveringen in april 2020 nog de hand had weten te leggen op een van de laatste CE-gecertificeerde partijen mondmaskers maakt tegen de hiervoor geschetste achtergrond niet dat de Staat redelijkerwijs mocht vasthouden aan de CE-certificering bij de herstellevering. Die indruk is ook niet gewekt; in de correspondentie tussen het LCH en IGC over de herstellevering is het niet gegaan over “CE-certified” maskers of testdocumenten van notified bodies. De afkeuring door het LCH van de herstellevering rust op de stelling dat het om KN95-mondmaskers gaat in plaats van FFP2-mondmaskers. Na de aansprakelijkstelling door IGC in augustus 2022 heeft de Staat gesteld dat de FFP2-standaard blijkt uit CE-certificering, maar dat acht het hof niet doorslaggevend. Een CE-markering bevestigt weliswaar dat de FFP2-standaard is gehaald, maar dat wil niet zeggen dat zonder de CE-markering de FFP2-standaard niet kan worden gehaald. Dat blijkt ook uit het feit dat het RIVM in de periode van vrijstelling vooral (uit China afkomstige) KN95-mondmaskers testte. Als een KN95-mondmasker per definitie de (Europese) FFP2-standaard niet haalt, zou het testen door het RIVM zinloos zijn geweest (en een verspilling van tijd en geld). Daarom staat voldoende vast dat een KN95-mondmasker kan voldoen aan de FFP2-standaard, los van een CE-markering. Of ‘KN95’ (alleen) verwijst naar de Chinese standaard of, zoals IGC ook aanvoert, een exportproductiecode is, maakt daarvoor niet uit.
Bepalend is dat de FFP2-standaard is gehaald
3.8
Partijen zijn het er over eens dat het mondmasker van de herstellevering op grond van de overeenkomst aan de FFP2-standaard moet voldoen. IGC heeft daartoe op 1 mei 2020 samples van de maskers op filtratie laten testen door TNO. TNO rapporteerde dat de geteste maskers voldeden aan de FFP2-standaard wat betreft filtratie. Het TNO rapport is gedeeld met het LCH. Bij het rapport zitten foto’s van de geteste maskers. De maskers voor de herstellevering werden in China gefabriceerd en de producent (JQ) had ze daar voorbedrukt met de markering KN95. IGC heeft vervolgens samples van de mondmaskers via het LCH laten testen door het RIVM. Op het daarbij gehanteerde ‘Aanvraagformulier Inkoopadviezen’, van 15 mei 2020, staat vermeld “
type masker: FFP2” en “
productnaam: JQ KN95 Protective Mask”. Op 18 mei 2020 ontving IGC via het LCH de testresultaten van het RIVM: de filtratie was goed, maar de ‘fit’ niet. IGC heeft daarop via het LCH specifieke feedback gevraagd van de heer [naam1] van het testcentrum van het RIVM om ook de ‘fit’ goed te krijgen. Op grond van die input heeft IGC haar Chinese producent het mondmasker laten aanpassen; het werd voorzien van een steviger (extra) metalen neusclip en verstelbare oor-elastieken, voor een betere pasvorm.
3.9
IGC ontving een sample van het nieuwe mondmasker en heeft het LCH op 26 mei 2020 opnieuw benaderd, eerst (de heer [naam1] van) het testcentrum van het RIVM en vervolgens de heer [naam2] , haar contactpersoon en inkoper van het LCH (hierna: [de contactpersoon] ), om met het nieuwe sample de test te doen. Het LCH heeft het volgende aan IGC geantwoord bij e-mail van 27 mei 2020: “
Net deze casus intern besproken. We voeren nog één keer een test uit. Als deze goed uit de test komt dan nemen we het restant van de afgesproken order af. Als dit niet zo is, dan moeten we helaas de rest van de order cancelen.” Op 1 juni 2020 heeft IGC een nieuwe opdrachtbevestiging gestuurd aan het LCH met productomschrijving “
KN95”. Op 8 juni 2020 kwam het testresultaat binnen en vernam IGC van het LCH dat het masker helemaal was goedgekeurd door het RIVM, zowel op filtratie als op ‘fit’. IGC deelde deze informatie dezelfde dag met haar voormalige contactpersoon bij het LCH, de heer [naam3] (hierna: [de voormalige contactpersoon] ), en stuurde daarbij de productsheet van het masker mee, getiteld “
KN95 mask equivalent of FFP2”. Op 10 juni 2020 mailde IGC aan het LCH het leverschema van de herstellevering, met daarin de productomschrijving “
approved mask (JQ KN95 with extra metal nose strip)”. Bij e-mail van 11 juni 2020 gaf het LCH akkoord op het leverschema en deelde mede dat het LCH IGC in contact zou brengen met HQTS, die voor inklaring door Mediq nog een eindinspectie zou uitvoeren op locatie in China. Op 19 juni 2020 kreeg IGC bericht van HQTS dat de mondmaskers volgens haar inspectie “
conform to client’s requirements” en goedgekeurd waren.
3.1
Naar het oordeel van het hof heeft het LCH, en daarmee de Staat, op grond van het voorgaande de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat als het mondmasker van IGC goed uit de test van het RIVM zou komen, de herstellevering zou worden afgenomen. De e-mail van 27 mei 2020 namens het LCH is daarin immers ondubbelzinnig en zonder (verder) voorbehoud. Na de goedkeuring van het RIVM, ook op ‘fit’, en vervolgens de bevestiging van HQTS dat de te leveren mondmaskers conform de vereisten zijn, mocht IGC dan ook verwachten dat de Staat de overeenkomst zou nakomen. De Staat heeft aangevoerd dat de test van het RIVM slechts een sample betrof en dat in de rede lag dat er daarna nog een CE-certificering zou worden verkregen, maar dat kon de Staat naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet van IGC verwachten. Juist omdat er gedurende de periode van vrijstelling onvoldoende CE-markeringen met testdocumentatie van een notified body voorhanden waren, werd de controle vervangen door de test van het RIVM. De overeenkomst is in die zin niet materieel aangepast; het ontbrak alleen aan CE-certificering ter bevestiging dat aan de FFP2-standaard werd voldaan. In plaats daarvan hebben partijen ingestemd met (nog één keer) een test van het RIVM. Volgens de Staat doet de controle van het RIVM onder voor de controle van een notified body, maar dat kan hij IGC niet met succes tegenwerpen. Dat alternatief was er immers onvoldoende. Daarbij heeft IGC onderbouwd aangevoerd dat de kwaliteit en veiligheid van een mondmasker worden bepaald door de filtratie en de ‘fit’ (pasvorm). Op die punten is door het RIVM getest en bleek het masker te voldoen aan de FFP2-standaard. Het bezwaar tegen KN95-mondmaskers dat het LCH heeft aangehaald, namelijk dat de pasvorm is gericht op een Aziatische gezichtsvorm in plaats van een westerse gezichtsvorm (als de pasvorm niet goed is ‘lekt’ het masker langs de randen en doet een goede filtratie alsnog teniet), is door IGC ondervangen door de aanpassingen (metalen neusclip en verstelbare oor-elastieken). Daarmee was ook de ‘fit’ goed, zoals volgt uit de test van het RIVM. De – algemene – stelling van de Staat dat een KN95-mondmasker geen FFP2-mondmasker is, schiet daarom tekort om te kunnen vaststellen dat de maskers niet in overeenstemming met de overeenkomst zouden zijn. Het ging partijen, zoals blijkt uit de verklaringen en gedragingen over en weer, om de FFP2-standaard, en die is gehaald.
De geleverde KN95-mondmaskers zijn conform de overeenkomst
3.11
Dat op de mondmaskers van IGC de markering KN95 stond voorgedrukt betekent niet dat de maskers non-conform waren. Het argument van de Staat dat ziekenhuizen in Nederland een sterke voorkeur hadden voor mondmaskers met FFP2 er op gedrukt in plaats van KN95 maakt dat niet anders. Dat veronderstelt om te beginnen dat er tijdens de periode van vrijstelling steeds een vrije keuze uit beschikbare (typen) mondmaskers kon worden gemaakt, terwijl het juist ontbrak aan (voldoende) mondmaskers. Bovendien is uitgangspunt dat het bij conformiteit gaat om de eigenschappen die nodig zijn voor normaal gebruik (art. 7:17 lid 2 BW Pro). Dat is iets anders dan een voorkeur van de beoogde gebruikers voor een bepaalde opdruk op het masker. De Staat heeft gesteld dat wie een product met specifieke kenmerken bestelt dat dan ook mag verwachten (‘een blauwe auto is geen rode auto’), maar bij een (generiek) product als mondmaskers gaat het naar het oordeel van het hof om eigenschappen zoals de kwaliteit en veiligheid. Die zijn immers bepalend voor de vraag of aan de FFP2-standaard wordt voldaan, en daar zag de test van het RIVM op. Daar komt nog bij dat IGC – zoals ter zitting besproken en door de Staat niet voldoende betwist – hetzelfde type mondmasker met succes rechtstreeks aan ziekenhuizen in Nederland heeft geleverd. Kennelijk viel het met die sterke voorkeur voor een andere opdruk in dit geval wel mee. De Staat heeft er nog op gewezen dat de herstellevering de ‘ijzeren voorraad’ is ingegaan en uiteindelijk is vernietigd. IGC heeft daar tegenover gesteld dat er begin juni 2020 zoveel mondmaskers waren geleverd dat de markt, ook in Nederland, verzadigd begon te raken. Dit vindt bevestiging in het feit dat de gemiddelde prijs van mondmaskers toen sterk was gedaald ten opzichte van het begin van de coronacrisis – iets waar de Staat ook zelf op heeft gewezen. Dat de maskers van de herstellevering niet de ziekenhuizen in Nederland hebben bereikt, zegt daarom ook te weinig om non-conformiteit aan te nemen.
3.12
Volgens de Staat blijft hoe dan ook overeind staan dat hij géén KN95-mondmaskers heeft besteld. Verwezen wordt naar de e-mail van het LCH aan IGC van 27 maart 2020. Daarin schrijft het LCH, in antwoord op de vraag van IGC of zij ‘capaciteit block’ vast moeten houden: “
Als het een N95/FFP2 masker is (dus geen KN95) dan wel. In je titel zet je nml KN95 en in de Doc staat N95 en dat is echt wel een verschil”. IGC mailde als antwoord: “
de test documenten zijn leading en daarin staat vermeld N95 en dat is het product wat we leveren”. Dit had echter betrekking op de eerste deelleveringen en niet de herstellevering. Voor de herstellevering is het TNO rapport van 1 mei 2020 door IGC gedeeld met het LCH. Na de afkeuring van de samples op ‘fit’ door het RIVM heeft IGC op 19 mei 2020 aan het LCH een foto en een afbeelding van het geteste mondmasker gemaild, waarop duidelijk de markering KN95 te zien is. IGC heeft op 1 juni 2020 haar opdrachtbevestiging gestuurd aan [de voormalige contactpersoon] , waarop staat: “
productomschrijving KN95 mask”. Op 8 juni 2020 mailt IGC aan [de voormalige contactpersoon] de product sheet van het masker, waarop staat “
KN95 mask equivalent of FFP2”. Op het leverschema, dat bij e-mail van 10 juni 2020 door IGC met het LCH is gedeeld, staat: “
Packing details for approved mask (JQ KN95 with extra metal nose strip)”. Door het LCH is op 11 juni 2020 akkoord gegeven op dat leverschema. Het HQTS rapport van 19 juni 2020 vermeldt: “
Product Description: JQ KN95 protective mask”, en bevat als “
overall conclusion” dat de mondmaskers volgens haar inspectie “
conform to client’s requirements” en zijn goedgekeurd.
3.13
Hieruit volgt dat het LCH wist, dan wel behoorde te weten dat op het mondmasker van de herstellevering de markering KN95 (en niet FFP2/N95/CE) was voorgedrukt. Het hof volgt niet de stelling van de Staat dat het LCH daar pas kort voor de herstellevering – rond 17 juni 2020 – achter is gekomen. Het mag zo zijn dat IGC de opdrachtbevestiging van 1 juni 2020 en de product sheet van 8 juni 2020 aan haar oorspronkelijke contactpersoon [de voormalige contactpersoon] heeft gestuurd, terwijl IGC toen [de contactpersoon] als contactpersoon had (zoals volgt uit de e-mail van IGC aan [de contactpersoon] van 30 april 2020). Maar de Staat heeft niet gesteld dat deze stukken het LCH niet hebben bereikt. [de contactpersoon] kon beschikken over de mailwisseling uit maart 2020 tussen [de voormalige contactpersoon] en IGC, en heeft, in navolging van IGC, vanaf 22 juni 2020 [de voormalige contactpersoon] in de (‘cc’ van de) e-mails aan IGC opgenomen. Bovendien wist [de contactpersoon] uit de hierboven genoemde communicatie met IGC van mei en juni 2020 die aan hem is gericht (ook zelf) waar de herstellevering uit zou bestaan, namelijk: KN95-mondmaskers die aan de FFP2-standaard voldoen. Dat [de voormalige contactpersoon] niet langer bevoegd zou zijn geweest om het LCH te vertegenwoordigen, zoals de Staat aanvoert, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat er om dat bij IGC de gerechtvaardigde verwachting is gewekt door het LCH dat het KN95-mondmasker dat voldoet aan de FFP2-standaard, volgens partijen beantwoordde aan de overeenkomst. Dat IGC in een aantal e-mails ‘FFP2-maskers’ heeft geschreven is dan ook niet misleidend, maar in lijn met deze overeengekomen standaard.
3.14
Op grond van al het voorgaande verwerpt het hof de stelling van de Staat dat de KN95-mondmaskers niet waren overeengekomen en enkel zijn afgenomen uit coulance tegenover IGC. De Staat heeft nog aangevoerd dat KN95-mondmaskers van mindere kwaliteit zijn dan FFP2-mondmaskers, maar dat is onvoldoende onderbouwd. Als dat in algemene zin al klopt – volgens het door IGC overgelegde rapport van 3M Personal Safety Division presteren FFP2/N95-mondmaskers en KN95-mondmaskers vergelijkbaar (“
similar”) op filtratie tegen virussen – gaat het in elk geval niet op voor de door IGC aangepaste maskers, die immers volgens de testen van het RIVM (ook wat betreft ‘fit’) aan de FFP2-standaard voldoen.
Onrechtmatig bedongen prijsverlaging
3.15
Op 22 juni 2020 heeft het LCH aan IGC gemaild dat uit het HQTS rapport blijkt dat er geen FFP2/N95 maskers zijn geleverd, dat het product daarom is afgekeurd en dat het LCH de aanbetaling zal terugvorderen. IGC heeft dit niet geaccepteerd, en heeft bij e-mail van 22 juni 2020 aangekondigd dat zij zal doorgaan met uitleveren, en dat de kwaliteit/fit van het masker meer dan voldoet aan de gestelde norm. Daarop heeft het LCH op 23 juni 2020 aan IGC bericht dat de verantwoordelijkheid voor de productie zoals overeengekomen in de order ligt bij de leverancier, maar dat het LCH toch bereid is de KN95 maskers af te nemen, zij het tegen een herziene prijs omdat dit een “
goedkoper type masker” betreft. IGC heeft ook dit niet geaccepteerd. Zij heeft op 23 juni 2020 geantwoord dat er geen enkele reden is voor een andere prijs, en dat het masker de kwaliteit FFP2 heeft en dus voldoet aan de eisen. Op voorstel van het LCH heeft vervolgens een bespreking plaatsgevonden op 26 juni 2020. Van de zijde van het LCH waren daarbij aanwezig [de contactpersoon] en de heer [naam4] . Van de zijde van IGC waren aanwezig [de directeur] en [de medewerkster] (medewerkster die ook contact met het LCH onderhield).
3.16
Het staat vast dat de overeenkomst is gewijzigd tijdens de bespreking op 26 juni 2020. IGC heeft toen ingestemd met de door het LCH voorgestelde prijsverlaging van de maskers, tot € 2,40 per stuk (in plaats van de overeengekomen € 2,99). Partijen verschillen van mening over hoe deze afspraak tot stand is gekomen. Volgens IGC is de prijsverlaging op onrechtmatige wijze afgedwongen, volgens de Staat niet. Het hof sluit zich aan bij de lezing van IGC. Uit de verklaringen en de toelichting op de zitting van [de directeur] en [de medewerkster] blijkt duidelijk dat zij zich tijdens dit – korte – overleg zodanig voor het blok gezet voelden, dat IGC geen andere keuze had dan hetzij met de lagere prijs in te stemmen, hetzij dat de overeenkomst zou worden ontbonden en de aanbetaling zou worden teruggevorderd. Ook moest IGC direct een beslissing nemen. Tegenover deze specifieke verwijten overtuigt niet de verklaring van [de contactpersoon] dat hij zich geen oneigenlijke druk tijdens het gesprek kan herinneren. Daar komt bij, dat [de contactpersoon] volgens zijn verklaring telefonisch had vernomen van IGC dat zij in de problemen zou komen als het LCH de deal cancelde, en vreesde op de fles te gaan. Het LCH wist met andere woorden dat IGC in een sterk afhankelijke (economische/financiële) positie verkeerde en geen andere keuze had dan toe te geven op de prijs, hoewel zij staande heeft gehouden dat de maskers conform de overeenkomst zijn.
3.17
Bovendien rustte de ‘keuze’ waar IGC voor werd gesteld op het onjuiste standpunt dat het LCH (coulance betrachtte omdat het) in zijn recht stond om de overeenkomst te ontbinden en de aanbetaling terug te vorderen. Zoals uit het voorgaande is gebleken, klopt dat niet, omdat de maskers aan de overeenkomst beantwoordden en er dus geen tekortkoming was van de zijde van IGC. Van een ‘goedkoper type’ masker is daarbij geen sprake; voor het KN95-masker dat voldoet aan de FFP2-standaard waren partijen immers een prijs van € 2,99 per stuk overeengekomen. De Staat heeft aangevoerd dat dit achteraf redeneren is, maar het standpunt van IGC in deze procedure is niet gewijzigd ten opzichte van haar – overduidelijke – e-mails van 22 en 23 juni 2020. IGC heeft zich terecht verzet tegen de prijsverlaging. Het LCH kan ook redelijkerwijs niet hebben gedacht dat IGC alsnog vrijwillig heeft ingestemd met de prijsverlaging. Door de opstelling van het LCH in het gesprek van 26 juni 2020 was er van enige reële keuzevrijheid voor IGC geen sprake, terwijl het LCH niet alleen bekend was met de afhankelijke positie waarin IGC verkeerde, maar zich ook ten onrechte beriep op rechten die het niet had. Daarmee heeft het LCH naar het oordeel van het hof misbruik gemaakt van zijn machtspositie. Het bedingen – in wezen: het afdwingen – van de prijskorting levert, als strijdig met de maatschappelijke zorgvuldigheid in de omstandigheden van dit geval, een onrechtmatige daad op van de Staat jegens IGC. Dat IGC direct na het gesprek van 26 juni 2020 geen wanklank heeft laten horen maakt dat niet anders. De levering en de financiële afwikkeling moesten nog plaatsvinden, zodat begrijpelijk is dat IGC niet onmiddellijk weer protest liet horen. Ook was IGC daarna druk met het opstarten van haar onderneming, die door de coronacrisis grotendeels stil was gevallen.
3.18
IGC heeft genoegzaam onderbouwd dat zij door de prijsverlaging een verlies heeft geleden van ruim € 160.000 (mede door hoge transportkosten). De Staat heeft ten onrechte een substantieel prijsvoordeel afgedwongen. IGC is niet betrokken geweest bij de keuze van het LCH om de maskers niet aan de ziekenhuizen uit te leveren. Dat IGC door de toewijsbare schadevergoeding alsnog winst maakt, doet er niet aan af dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de prijskorting te bedingen. Met de rechtbank acht het hof daarbij begrijpelijk dat IGC heeft gewacht met de aansprakelijkstelling tegen de achtergrond van de negatieve beeldvorming rond een ander geval. Daarin is onderzoek gedaan naar exorbitante winsten en verrijking bij de inkoop van mondmaskers. Er is ook een brede maatschappelijke discussie over gevoerd. Deze zaak is daarmee niet vergelijkbaar, en de Staat heeft iets dergelijks ook niet gesteld. Dat maakt echter niet minder begrijpelijk dat IGC het onderzoek naar dat andere geval heeft afgewacht.
Schade en causaal verband
3.19
Als de Staat niet onrechtmatig had gehandeld, zou de prijskorting niet zijn toegepast en zou de overeengekomen prijs (van € 2,99 per stuk) voor de mondmaskers zijn betaald. Dat zou terecht zijn geweest, want de mondmaskers waren conform de overeenkomst. Niet in geschil is dat de te vergoeden schade van IGC bij deze stand van zaken € 547.520,- bedraagt. Tegen de door de rechtbank toegewezen hoofdelijke veroordeling, de wettelijke rente en de rest van de beslissing is door de Staat geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van de Staat (VWS) en Mediq in de kosten van het hoger beroep, zoals door IGC gevorderd.
Bewijs
3.2
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat er geen voldoende concrete feiten en omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden leiden.
De conclusie
3.21
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de Staat (VWS) en Mediq in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen hoofdelijk tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, die is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 8 januari 2025;
4.2
veroordeelt de Staat (VWS) en Mediq hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van IGC:
€ 6.803,- aan griffierecht
€ 11.238,- aan salaris van de advocaat van IGC (2 procespunten x tarief VII)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, M.P.M. Hennekens en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Voetnoten

1.Anders dan bijvoorbeeld aan de orde was in HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2582 (samenloop met art. 7:23 BW Pro).
2.Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad, Pb EU 2016 L81/51.
3.Aanbeveling 2020/403 van de Commissie van 13 maart 2020 betreffende conformiteitsbeoordelings- en markttoezichtsprocedures in het kader van de Covid-19- dreiging, Pb EU 2020 L 79 1/1.
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.