Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3148

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.356.289
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:119 lid 1 BWArt. 161 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over eigendom en schadevergoeding Porsche na betwiste koop of diefstal

In deze civiele zaak staat centraal of verzoeker de Porsche van verweerder heeft gekocht of deze heeft gestolen. Verweerder bood de Porsche te koop aan, waarna verzoeker reageerde en de auto meenam van het parkeerterrein bij het werk van verweerder. Verweerder stelde dat sprake was van diefstal, verzoeker stelde dat hij eigenaar was geworden door koop en betaling.

De rechtbank had de vorderingen van verweerder toegewezen, maar verzoeker ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat het bewijsvermoeden van eigendom op verzoeker was weerlegd vanwege ongeloofwaardigheden in zijn verhaal en onvoldoende bewijs van betaling. De strafrechtelijke vrijspraak van verzoeker voor diefstal stond een civielrechtelijke aansprakelijkheid niet in de weg.

Het hof vernietigde de vordering tot teruggave van de auto omdat deze al was teruggegeven en verkocht. Wel werd verzoeker veroordeeld tot betaling van €29.000 schadevergoeding voor waardevermindering van de Porsche en tot betaling van proceskosten. Het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof veroordeelt verzoeker tot betaling van €29.000 schadevergoeding en bekrachtigt de meeste vonnissen van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.289
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 561419
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn
en
[verweerder]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. E. Köse

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 12 juni 2024, 9 oktober 2024 en 26 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het arrest van 28 oktober 2025
  • het verslag (proces-verbaal) van de meervoudige mondelinge behandeling die op 10 maart 2026 is gehouden.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol voor het gelijktijdig door partijen nemen van aktes. Partijen hebben daarvan afgezien. Vervolgens is een datum voor het wijzen van arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verweerder] heeft zijn Porsche te koop aangeboden via Marktplaats.nl. [verzoekster] heeft op die advertentie gereageerd en vervolgens hebben partijen elkaar twee keer ontmoet. Op de ochtend na de laatste ontmoeting heeft [verzoekster] de Porsche meegenomen van het parkeerterrein bij het werk van [verweerder] . [verweerder] stelt dat [verzoekster] de Porsche toen van hem heeft gestolen. Volgens [verzoekster] heeft hij de Porsche echter van [verweerder] gekocht en is hij vervolgens eigenaar geworden van de auto.
2.2.
[verweerder] heeft bij de rechtbank gevorderd [verzoekster] te veroordelen de Porsche en de bij de auto behorende reservesleutel en kentekenbewijzen aan hem te retourneren op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast een verklaring voor recht dat [verzoekster] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en hem te veroordelen om aan [verweerder] de schade te vergoeden die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de diefstal, ter zake van de waardevermindering van de auto, nader op te maken bij staat. Tot slot heeft [verweerder] gevorderd [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de kosten van de sleutelmaker van € 300,- en de proceskosten.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.4.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verweerder] zijn vorderingen gewijzigd. [verweerder] heeft zijn vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure laten vallen en heeft gevorderd [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan hem van € 29.000,- aan schadevergoeding voor de waardevermindering van de auto.
2.5.
Het hof zal de vonnissen van de rechtbank grotendeels bekrachtigen. De vordering van [verweerder] tot veroordeling van [verzoekster] tot betaling aan hem van een bedrag van € 29.000,- zal het hof toewijzen. Deze beslissingen zal het hof hierna toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Achtergrond van het geschil
3.1.
[verweerder] heeft zijn Porsche in juni 2022 aangeboden op Marktplaats.nl voor € 88.500,-. Vervolgens heeft [verzoekster] contact opgenomen met [verweerder] en aangegeven dat hij de Porsche wilde komen bekijken en deze zou willen kopen voor € 80.000,-.
3.2.
Daarna hebben partijen elkaar op 30 juli 2022 ontmoet bij het werk van [verweerder] aan de [straatnaam1] in [woonplaats2] . [verzoekster] heeft een proefrit in de Porsche gemaakt en de autopapieren bekeken. Daarnaast heeft [verweerder] toen, op advies van [verzoekster] , via internet bij de RDW de tenaamstellingscode van het kentekenbewijs van de Porsche opgevraagd.
3.3.
Op 16 augustus 2022 heeft ’s middags een vervolgafspraak plaatsgevonden. Partijen zijn toen langs de Porsche-garage en de Bosch Car Service gereden om de auto te laten keuren. Beide garages hadden daarvoor geen tijd. Partijen hebben toen bij Bosch Car Service een afspraak gemaakt om de auto de volgende dag om 13.00 uur te keuren.
3.4.
De Porsche is op 16 augustus 2022 om 19.26 uur in het kentekenregister van de RDW op naam van [verzoekster] gezet.
3.5.
Op 17 augustus 2022 is [verweerder] ’s ochtends naar zijn werk gereden met de Porsche en heeft hij de auto daar geparkeerd. De keuring bij Bosch Car Service heeft die dag niet plaatsgevonden. Voorafgaand aan het moment waarop de keuring stond ingepland, heeft [verzoekster] de auto meegenomen van het parkeerterrein bij het werk van [verweerder] .
3.6.
Diezelfde dag heeft [verweerder] bij de politie aangifte gedaan van diefstal van de Porsche. Enige tijd later is de Porsche door de politie aangetroffen in een parkeergarage op verdieping -5, diep onder de grond. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de diefstal beslag gelegd op de auto. Op een gegeven moment heeft het Openbaar Ministerie de auto afgegeven aan [verweerder] . Pas na het eindvonnis van 26 maart 2025 heeft [verzoekster] de autosleutel en het overschrijvingsbewijs afgegeven aan [verweerder] . Daarna heeft [verweerder] de Porsche in het kentekenregister op zijn naam gezet en vervolgens voor € 51.000,- aan een derde verkocht.
3.7.
De meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam heeft [verzoekster] bij vonnis van 4 juni 2025 vrijgesproken van diefstal van de Porsche. [2]
Standpunten van partijen
3.8.
De verhalen van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar. [verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoekster] de Porsche heeft gestolen. Volgens [verweerder] heeft [verzoekster] het kenteken van de Porsche zonder zijn medewerking op zijn eigen naam gezet. [verweerder] stelt dat [verzoekster] de tenaamstellingscode die hij op advies van [verzoekster] bij de RDW had opgevraagd heeft genoteerd. Verder zat volgens [verweerder] de reservesleutel van de Porsche in een envelop met de autopapieren die [verzoekster] heeft bekeken. [verzoekster] moet kans hebben gezien om de reservesleutel mee te nemen, aldus [verweerder] . Volgens [verzoekster] was de koop van de Porsche op 16 augustus 2022 afgerond en is hij die dag eigenaar van de auto geworden. [verzoekster] heeft aangevoerd dat hij die dag contant € 79.000,- aan [verweerder] heeft betaald, dat zij gezamenlijk het kenteken van de auto op zijn naam hebben overgeschreven en dat [verweerder] de sleutel aan hem heeft overhandigd. Op een later moment zou hij nog € 1.000,- aan [verweerder] betalen en zou hij onder meer de tweede autosleutel ontvangen van [verweerder] , aldus [verzoekster] . Volgens [verzoekster] had [verweerder] de auto op de avond van 16 augustus 2022 nog nodig en hadden partijen daarom afgesproken dat [verzoekster] de volgende dag de auto zelf zou meenemen vanaf het werk van [verweerder] .
Bewijslastverdeling
3.9.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 juni 2024 [verzoekster] bewijs opgedragen van zijn stellingen dat hij op 16 augustus 2022 € 79.000,- contant heeft betaald aan [verweerder] , waarna hij en [verweerder] gezamenlijk het kenteken van de auto hebben overgeschreven op naam van [verzoekster] , waarna [verweerder] aan [verzoekster] de sleutel van de Porsche heeft overhandigd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoekster] dat bewijs niet heeft geleverd. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de bewijslast ten onrechte bij hem heeft neergelegd.
3.10.
Vaststaat dat [verweerder] in ieder geval tot 16 augustus 2022 eigenaar was van de Porsche. De vraag is wie van partijen in de periode daarna de eigenaar was van de auto. [verzoekster] heeft een beroep gedaan op het bewijsvermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW Pro. Op grond daarvan wordt de bezitter van een zaak vermoed de rechthebbende van die zaak te zijn. [verzoekster] had de auto vanaf 17 augustus 2022 in zijn bezit, dus hij wordt vanaf die datum vermoed de rechthebbende van de Porsche te zijn. Het is vervolgens aan de wederpartij ( [verweerder] ) om dit vermoeden te weerleggen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld,
staat het de rechter vrij om op grond van hetgeen over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het vermoeden dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen. [3]
Bewijsvermoeden is op voorhand al door [verweerder] weerlegd
3.11.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door [verzoekster] geschetste gang van zaken op voorhand dusdanig ongeloofwaardig is, dat het bewijsvermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW Pro al door [verweerder] is weerlegd. Daarbij is allereerst van belang dat [verzoekster] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij in augustus 2022 over de financiële middelen beschikte om de Porsche contant te kunnen betalen. Het hof sluit zich aan bij wat de rechtbank daarover onder 4.6 tot en met 4.11 van het tussenvonnis van 12 juni 2024 heeft overwogen. [verzoekster] heeft ter zitting bij het hof desgevraagd geen nadere uitleg gegeven over zijn financiële positie dan een verwijzing naar randnummer G van de pleitnota van zijn advocaat in de strafzaak over de diefstal van de Porsche. Het hof heeft deze pleitnota niet aangetroffen in het door [verzoekster] overgelegde procesdossier. Ook heeft [verzoekster] niet toegelicht wat in deze pleitnota is opgenomen dan wel een sluitende verklaring gegeven over de vraag hoe hij kon beschikken over € 79.000,- aan contant geld. Verder acht het hof net als de rechtbank van belang dat de door [verzoekster] geschetste gang van zaken in augustus 2022 een aantal eigenaardigheden bevat die behoorlijk ongeloofwaardig zijn. Deze eigenaardigheden heeft de rechtbank onder 4.12 tot en met 4.18 van het tussenvonnis van 12 juni 2024 opgesomd. De rechtbank heeft er onder meer op gewezen dat uit de uitgepeilde telefoongegevens van [verzoekster] blijkt dat hij op 17 augustus 2022 om 1.00 uur ’s nachts in de buurt van het werk van [verweerder] in [plaats] was en dat hij daarvoor geen verklaring heeft gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verzoekster] nog steeds geen antwoord kunnen geven op de vraag wat hij die nacht deed in de buurt van het werk van [verweerder] . Verder acht het hof het volgende van belang. [verweerder] heeft, ter onderbouwing van zijn betoog dat hij op het moment van de overschrijving van het kenteken op de naam van [verzoekster] niet bij hem maar gewoon thuis was, een bon overgelegd van Uber Eats. Volgens die bon heeft [verweerder] op 16 augustus 2022 om 19.05 uur avondeten besteld dat moest worden afgeleverd bij zijn huisadres aan de [straatnaam2] in [plaats] . [verweerder] heeft verklaard dat een bezorging meestal tussen de 15 en 30 minuten na de bestelling plaatsvindt. Ook dat gegeven maakt dat het niet waarschijnlijk is dat [verweerder] , zoals [verzoekster] heeft aangevoerd, op 16 augustus 2022 om 19.26 uur bij de [straatnaam1] in [plaats] samen met [verzoekster] het kenteken van de Porsche heeft overgeschreven op naam van [verzoekster] .
Bewijs is niet geleverd door [verzoekster]
3.12.
De rechtbank heeft [verzoekster] dus terecht bewijs opgedragen van zijn stellingen. Vervolgens heeft [verzoekster] in het kader van zijn bewijsopdracht twee screenshots van foto’s overgelegd: een foto van stapels bankbiljetten en een foto van een open kofferbak van een auto, op welke foto een deel van het kenteken van de Porsche te zien is. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 26 maart 2025 geconcludeerd dat [verzoekster] daarmee niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen 2.3 tot en met 2.6 van de rechtbank uit het eindvonnis. Het hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. In hoger beroep heeft [verzoekster] aangevoerd dat de tijden die onder de foto’s te zien zijn de bestandseigenschappen van de foto’s zijn. Daaruit volgt volgens hem dat de foto van de stapels bankbiljetten op 13 juli 2022 om 19.10 uur is gemaakt en de foto van de open kofferbak van de auto op 16 augustus 2022 om 19.24 uur. Volgens [verzoekster] kan op grond van de foto’s worden vastgesteld dat hij in juli 2022 over aanzienlijke hoeveelheden contant geld beschikte en dat hij en [verweerder] het kenteken van de Porsche op 16 augustus 2022 ’s avonds samen hebben overgeschreven op zijn naam. [verzoekster] heeft aangevoerd dat hij de foto van de open kofferbak per ongeluk heeft gemaakt vlak voordat zij het kenteken hebben overgeschreven. Op de foto is een deel van de website van de RDW te zien en de telefoon van [verweerder] , die op het moment van de overschrijving naast [verzoekster] stond, aldus [verzoekster] . [verweerder] heeft de stellingen van [verzoekster] weersproken. Volgens hem leveren de foto’s geen enkel bewijs op en kan het niet anders dan dat de foto’s en de screenshots van de bestandseigenschappen door [verzoekster] zijn vervalst. Volgens informatie op internet is het heel makkelijk om dergelijke vervalsingen te maken, aldus [verweerder] . Verder kan [verzoekster] geen originele bestanden overleggen die door bijvoorbeeld een IT-deskundige kunnen worden onderzocht, [verzoekster] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn oude telefoon, waarop die foto’s met bestandseigenschappen stonden, niet meer kan vinden. Ook vindt [verweerder] het opvallend dat de screenshots pas na het tweede tussenvonnis in deze zaak en ook niet tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn overgelegd. Het hof is van oordeel dat hetgeen [verzoekster] in hoger beroep heeft aangevoerd niet tot een andere conclusie leidt dan zoals is overwogen door de rechtbank. Nog daargelaten dat uit de foto’s niet blijkt van wie de bankbiljetten waren en hoeveel geld het was, noch dat het moment van overschrijving van het kenteken is vastgelegd, kan immers niet worden vastgesteld dat de bestandseigenschappen van de foto’s, waarvan screenshots zijn overgelegd, origineel zijn. [verzoekster] heeft ook niet weersproken dat dergelijke bestandseigenschappen makkelijk kunnen worden vervalst. [verzoekster] heeft in hoger beroep niet aangeboden nader bewijs te leveren.
3.13.
Verder staat de strafrechtelijke vrijspraak door de rechtbank Rotterdam van [verzoekster] van de diefstal van de Porsche niet in de weg aan het aannemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid in deze zaak. Aan een strafrechtelijke vrijspraak in een civiele procedure komt geen dwingende bewijskracht toe (artikel 161 Rv Pro). Het hof heeft als civiele rechter een eigen afweging gemaakt op basis van het feitencomplex in deze zaak. De door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat [verzoekster] onrechtmatig tegenover [verweerder] heeft gehandeld zal dus worden bekrachtigd.
Vordering tot teruggave van de auto
3.14.
De rechtbank heeft [verzoekster] veroordeeld om, kort gezegd, indien hij de beschikking heeft gekregen over de Porsche, deze met de reservesleutel en de kentekenbewijzen aan [verweerder] terug te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [verweerder] heeft ter zitting zijn vordering tot teruggave van de auto, onder last van een dwangsom laten vallen. [verweerder] heeft de Porsche immers al teruggekregen en vervolgens aan een derde overgedragen. Het hof zal het eindvonnis van de rechtbank daarom op dit punt vernietigen.
Schadevergoeding waardevermindering auto
3.15.
[verweerder] heeft na wijziging van eis ter zitting zijn vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure laten vallen en in plaats daarvan veroordeling tot betaling van € 29.000,- gevorderd, dan wel een ander redelijk bedrag voor de waardevermindering van de auto. Na de mondelinge behandeling hebben partijen de gelegenheid gekregen om zich bij akte uit te laten over de waardevermindering van de auto. Partijen hebben daar geen gebruik van gemaakt. Het hof zal het gevorderde bedrag van € 29.000,- toewijzen. [verweerder] heeft voldoende onderbouwd dat de Porsche tussen 2022 en 2025 in waarde is gedaald van € 80.000,- naar € 51.000,-. Vaststaat namelijk dat [verzoekster] in 2022 aan [verweerder] € 80.000,- heeft geboden voor de Porsche. Verder staat tussen partijen vast dat [verweerder] de Porsche in 2025 aan een particulier heeft verkocht voor € 51.000,-. Het hof gaat ervan uit dat dit op dat moment de marktwaarde was van de Porsche. Daarbij weegt het hof mee dat als onbetwist vaststaat dat een Porsche dealer op 29 april 2025, voorafgaand aan de verkoop door [verweerder] aan de particulier, heeft aangeboden om de auto te kopen voor € 45.000,-. Verder ligt ook voor de hand dat de waarde van de auto is gedaald doordat de auto enige jaren heeft stilgestaan, onder meer door het strafrechtelijk beslag op de auto. [verzoekster] , die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij akte in te gaan op de gestelde waardevermindering, heeft hier te weinig tegenover gesteld.
Kosten sleutelmaker
3.16.
Verder heeft de rechtbank [verzoekster] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 300,- aan kosten van de sleutelmaker. Nu [verzoekster] hiertegen in hoger beroep niet is opgekomen, zal het hof het eindvonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigen.
De conclusie
3.17.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [verzoekster] (grotendeels) in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [verweerder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 juni 2024, 9 oktober 2024 en 26 maart 2025, behalve de beslissingen onder 3.1 en 3.3 van het eindvonnis van 26 maart 2025, die hierbij worden vernietigd, en beslist als volgt:
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 29.000,- aan schadevergoeding voor de waardevermindering van de Porsche;
4.3.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 3.340,- aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III);
4.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, D.M.I. De Waele en J.G.B. Pikkemaat, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 12 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7819, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7820 en 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7701.
2.Rechtbank [woonplaats2] 4 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8846.
3.HR 17 juni 1994, NJ 1994, 671.
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.