Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3155

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.365.071
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing uitvoerbaarverklaring zorg- en contactregeling na echtscheiding

Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. Na hun echtscheiding is in een ouderschapsplan een zorg- en contactregeling vastgelegd, waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. De moeder vordert nakoming van deze regeling, omdat de vader de contactregeling niet naleeft.

De voorzieningenrechter heeft de vader veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling met een opbouwregeling en een dwangsom bij niet-nakoming, en deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vader stelt hoger beroep in en verzoekt in een incident de schorsing van de uitvoerbaarverklaring.

Het hof overweegt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij handhaving. Financiële problemen zijn niet aannemelijk gemaakt en er zijn geen nieuwe feiten of kennelijke misslagen in het vonnis. Daarom wijst het hof het verzoek af en veroordeelt de vader tot betaling van de proceskosten. De hoofdzaak wordt voortgezet en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring af en veroordeelt de vader tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.071
zaaknummer rechtbank Overijssel 342898
arrest in het incident in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant](de vader)
die woont in [woonplaats1] , gemeente Tubbergen
advocaat: mr. H. Versluis
tegen
[geïntimeerde](de moeder)
die woont in [woonplaats2] , gemeente Twenterand
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De vader heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 5 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarin opgenomen de grieven en een incidentele vordering
  • de memorie van antwoord in het incident
  • de memorie van antwoord in de hoofdzaak.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige1] (geboren [in] 2015) en [minderjarige2] (geboren [in] 2017) over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk van partijen is op 26 november 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 juli 2025 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in een door hun beiden ondertekend ouderschapsplan, waarvan in de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de inhoud daarvan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan zijn partijen – voor zover in het kader van dit incident van belang – een zorg-/contactregeling overeengekomen en overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. De zorg-/contactregeling wordt niet nagekomen, als gevolg waarvan de moeder de kinderen al lange(re) tijd niet (regelmatig) ziet.
2.2.
De moeder heeft in onderhavige procedure bij de voorzieningenrechter in kort geding gevorderd te bepalen dat de zorg-/contactregeling als vastgelegd in het ouderschapsplan door de vader wordt nageleefd, in die zin dat de kinderen in de oneven weken van vrijdag tot maandagochtend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder verblijven, dit op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat de man weigert aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 15.000,-.
2.3.
Bij vonnis van 5 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – de vader veroordeeld tot nakoming van de in het ouderschapsplan opgenomen zorg- en contactregeling, met dien verstande dat daar een in het vonnis opgenomen opbouwregeling aan vooraf gaat, dit op straffe van een dwangsom zoals door de moeder verzocht. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 februari 2026. In dit incident vordert de vader, zo begrijpt het hof, schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de toegewezen vordering ten aanzien van de zorg- en contactregeling en/of de daaraan gekoppelde dwangsommen op grond van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Het hof zal de vordering van de vader afwijzen en licht hierna toe hoe het hof tot dat oordeel is gekomen.
Juridisch kader
3.2.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. De voorzieningenrechter heeft de beslissing om het vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
Inhoudelijk oordeel
3.3.
Het hof overweegt als volgt. Het hof dient na te gaan of het belang van de vader bij schorsing van de ten uitvoerlegging van het vonnis tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging daarvan. Het hof is van oordeel dat in dit geval het belang van de vader niet zwaarder weegt dan dat van de moeder. Het is aan de vader om te onderbouwen dat zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij handhaving daarvan. Dit heeft hij nagelaten. De vader onderbouwt zijn vordering in dit incident enkel door te stellen dat hij belang heeft bij die vordering en verwijst in dat kader naar de door hem geformuleerde grieven en zijn verzoek om het hoger beroep als spoedappel te behandelen met toelichting, maar de vader laat na om in het kader van dit incident te stellen en te onderbouwen waar zijn belang bij schorsing uit bestaat en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij handhaving van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader heeft in de toelichting op zijn verzoek om het hoger beroep te behandelen als spoedappel wel aangevoerd dat hij in financiële problemen dreigt te komen als hij de opgelegde dwangsommen zal verbeuren. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat de vader zelf stelt dat hij spaargeld heeft dat hij dan aan zal moeten wenden. Van dreigende financiële problemen is daarom niet gebleken. Bovendien heeft de vader het zelf in de hand om geen dwangsommen te verbeuren. Het hof ziet overigens in het kader van de belangenafweging in hetgeen de vader in het kader van dit incident heeft aangevoerd ook onvoldoende zwaarwegende belangen van de kinderen om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis of van nieuwe feiten en omstandigheden die een schorsing rechtvaardigen. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zal dan ook worden afgewezen.
De conclusie
3.4.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Het hof ziet in de uiterst summiere toelichting door de vader van zijn verzoek in dit incident en in het feit dat de vader in dit incident in het ongelijk wordt gesteld aanleiding om de vader te veroordelen in de door de moeder in dit incident gemaakte kosten. De door de vader aan de moeder te betalen proceskosten stelt het hof vast op € 1.290,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x appeltarief II).
3.5.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering van de vader tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring af;
4.2.
veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van haar proceskosten in het incident ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van de moeder;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, M. Schoemaker en R. Verkijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,