Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3217

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.352.972/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling aanbetaling voor niet geleverde Porsche na ontbinding koopovereenkomst

Geïntimeerde betaalde €10.000 aan aanbetaling voor een Porsche die via internet werd aangeboden, maar de koop ging niet door. Appellant ontkende betrokkenheid, maar het hof achtte zijn verklaring ongeloofwaardig en stelde vast dat hij de auto te koop aanbood en de aanbetaling op zijn verzoek op rekening van een derde werd gestort.

De overdracht van de Porsche in Duitsland ging niet door vanwege het ontbreken van een identiteitsbewijs en onduidelijkheden over de verkoper, waarna geïntimeerde afstand deed van de koop. Appellant weigerde de aanbetaling terug te betalen, waarop geïntimeerde de kantonrechter inschakelde en in hoger beroep ging.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter dat appellant tot terugbetaling veroordeelde, maar vernietigde het deel over buitengerechtelijke incassokosten. Appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten in hoger beroep. De grieven van appellant werden grotendeels verworpen, behalve die over de incassokosten.

Uitkomst: Appellant moet de aanbetaling van €10.000 terugbetalen, maar de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.972/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11049074
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in de gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. W.G. ten Have
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats] , Duitsland
advocaat: mr. P.D. Bosma

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Ter uitvoering van het tussenarrest van 20 mei 2025 heeft op 23 oktober 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgehad. Het verslag (proces-verbaal) daarvan bevindt zich bij de stukken. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• een akte uitlating producties van [appellant]

2.De kern van de zaak

[geïntimeerde] heeft een bedrag van € 10.000 aanbetaald voor een Porsche die op internet te koop werd aangeboden. De koop is niet doorgegaan. [geïntimeerde] vordert dit bedrag terug van [appellant] . [appellant] betwist het aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn; hij ontkent enige betrokkenheid te hebben gehad bij de koop.

3.De feiten

3.1
Begin september 2022 zag [geïntimeerde] een online advertentie waarin een witte Porsche 911 coupé werd aangeboden voor een koopprijs van € 51.500. Geïnteresseerden konden bellen met het telefoonnummer: [telefoonnummer] . Onderaan de advertentie stond vermeld:
“ [naam6] , Privater anbieter, Aktiv seit 22.02.21.”
3.2
Op 15 september 2022 om 20:18 uur is via WhatsApp door het telefoonnummer
[telefoonnummer] het volgende rekeningnummer doorgegeven aan [geïntimeerde] :
“ [naam1] Ondernemersrekening [rekeningnummer] ”
3.3
[geïntimeerde] heeft diezelfde dag om 21:03 uur gereageerd:
“ [naam1] ?”
3.4
Op 16 september 2022 heeft [geïntimeerde] € 10.000 overgemaakt op bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van [naam1] , onder vermelding van
“ [geïntimeerde] , anzalung porsche 911”
3.5
Op 23 september 2022 hebben partijen elkaar ontmoet in [plaats1] Duitsland. Daarbij waren ook de vader van [appellant] en [naam2] (‘ [naam2] ’) aanwezig. De geplande overdracht van de Porsche is toen niet doorgegaan: [geïntimeerde] heeft van de koop afgezien.
3.6
Op 31 maart 2023 heeft mevrouw [naam3] ( [naam3] ), werkzaam op het kantoor van de advocaat van [geïntimeerde] , het volgende geschreven aan het e-mailadres [mailadres] :
“Te deze zake treed ik op in opdracht van de heer [geïntimeerde] uit ( [postcode] ) [woonplaats] in
Duitsland.
Via E-Bay vond client uw advertentie over een Porsche 911 Coupé. Cliënt nam contact met
u op en een eerste bezichtiging vond op 12 september 2022 plaats. Op 16 september 2022
deed cliënt een aanbetaling ter hoogte van € 10.000,00 aan de heer [naam1] .
Vervolgens werd afgesproken, dat u de auto naar Duitsland zal afleveren, maar dit ging in
verband met ziekte van een van uw familieleden niet door. De overdracht werd daarom
verplaatst naar [plaats1] en afgesproken was dat uw vader (de heer [naam4] ) aanwezig
zal zijn. Cliënt verscheen met zijn echtgenote en tot zijn verbazing was zowel u als ook ene
" [naam2] " aanwezig. Toen werd geprobeerd de schriftelijke koopovereenkomst op te stellen.
Maar dit lukt niet. Tot de ontsteltenis van cliënt kon u geen identiteitsdocument voorleggen
(ondanks dit in Nederland wettelijk verplicht is). Vervolgens werd voorgesteld dat
zogenaamde [naam2] als Verkoper in de koopovereenkomst zal worden omschreven. Dat dit een onserieuze gang van zaken is, moet ook voor u duidelijk zijn. Gezien deze omstandigheden nam cliënt afstand van de koop.
Vervolgens nam cliënt met u telefonisch contact op over de terugbetaling van zijn afbetaling. Cliënt was ook bereid om een deel van uw onkosten over te nemen. Maar u weigerde de restitutie van de aanbetaling met de verklaring, dat deze transactie beëindigd is en dat cliënt u niet meer hoeft te bellen.
(…)
Op grond van de ontbinding met wederzijds goedvinden bent u gehouden de aanbetaling
van € 10.000,00 aan mijn cliënt terug te betalen.
Gelet op bovenstaande verzoek ik u vriendelijk om de aanbetaling van € 10.000,00 binnen
een termijn van 14 na dagtekening van deze brief ( ... ) over te maken op de
derdengeldrekening van mijn kantoor ( .... )”
3.7
[appellant] heeft het door [geïntimeerde] aanbetaalde bedrag niet terugbetaald.
3.8
In een e-mail van 29 juni 2024 schreef [naam1] aan [naam3] het volgende:
“Wellicht is het goed dat ik de situatie nog een keer beschrijf.
De heren [naam4] [adres1] te [plaats2] , en [appellant] [adres2] te [plaats3] in aanwezigheid van de heer [naam2] verkochten een Porsche aan de familie [geïntimeerde] .
Deze transactie ter waarde van ruim 40.000 euro kwam in goed overleg tot stand.
Ter bevestiging maakte [geïntimeerde] cs aan mijn bedrijf destijds een bedrag van 10.000 euro over met omschrijving aanbetaling Porsche.
Om mij onbekende redenen wenst [geïntimeerde] de transactie op een gegeven moment niet na te komen.
Dit terwijl er van de kant van [appellant] minimaal 2 keer een reis naar Duitsland was ondernomen om de zaak af te wikkelen.
Na geruime tijd meldde de heer [geïntimeerde] zich bij mij teneinde de aanbetaling terug te ontvangen.
[appellant] cs stelt zich op het standpunt dat door de eenzijdige ontbinding [geïntimeerde] in ieder geval 15% annuleringskosten is verschuldigd, als mede vergoeding van de kosten die gemaakt zijn. ( reizen etc. )
Aanvullend is de auto later toen bleek dat [geïntimeerde] de auto definitief niet afnam met een groot verlies aan een andere partij verkocht.
Ik heb zelf de heer [geïntimeerde] meerdere malen verzocht de auto alsnog af te nemen, teneinde geen direct verlies aan de transactie te hebben.
Zonder opgaaf van reden was de heer [geïntimeerde] hier niet toe bereid.
Mijn rol is uitsluitend het in ontvangst nemen van de aanbetaling, en het vervolgens doorgeven aan [appellant] cs geweest.”
3.9
[naam2] heeft schriftelijk het volgende verklaard:
“Hierbij verklaar ik dat de heer [naam1] aanwezig was bij de verkoop van de Porsche. Ik was hierbij ook aanwezig en ik zat samen met de heer [naam1] in de auto. Ik heb de heer [naam1] met [appellant] junior zijn auto (oprijauto LT) opgehaald bij zijn zaak in [plaats4] . We hebben samen de Porsche opgeladen bij zijn zaak en vervolgens zijn we naar de MC Donalds in [plaats1] gereden om de verkoop te regelen. Bij de verkoop waren ook [appellant] junior en [appellant] (senior) aanwezig. De koper was er en zijn vrouw. Ik weet het niet zeker of zijn vrouw was maar daar leek het op. De familie [appellant] kwamen er later pas bij. Vervolgens heb ik mij er verder niet mee bemoeid en ik weet ook niet wat er is besproken. Op een bepaald moment was de afspraak klaar en toen heb ik de heer [naam1] weer meegenomen naar zijn zaak en de Porsche is weer afgezet op de zaak bij [naam1] . Ik ben alleen de chauffeur geweest.
Deze verklaring werd opgesteld voor overlegging aan de rechtspraak. De opsteller heeft weet van het feit dat hij zich door een valse verklaring blootstelt aan straffen.”

4.De vordering, de beslissing van de kantonrechter en het oordeel van het hof

4.1
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 10.875 (hoofdsom en buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten, primair op grond van artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), subsidiair op grond van artikel 6:271 BW Pro (ongedaanmaking na ontbinding met wederzijds goedvinden).
4.2
De kantonrechter heeft die vorderingen toegewezen.
4.3
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. [appellant] heeft vier bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd.
4.4
Het hof zal het beroep grotendeels verwerpen en het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, behalve op het punt van de buitengerechtelijke incassokosten. Dat wordt hierna uitgelegd.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

5.1
[appellant] heeft in de procedure bij de kantonrechter in zijn conclusie van antwoord ontkend dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij deze zaak. Hij heeft stellig ontkend dat hij een Porsche te koop heeft aangeboden en dat hij enig bedrag van [geïntimeerde] heeft ontvangen.
In zijn conclusie van dupliek heeft [appellant] volhard in zijn betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] . Hij heeft opnieuw ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de transactie en heeft benadrukt dat er geen stukken waren overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op enig moment contact met hem heeft gehad.
5.2
Nadat [geïntimeerde] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na aanbrengen in hoger beroep een aantal producties had overgelegd die later ook als producties 4 tot en met 8 aan de memorie van antwoord zijn gehecht, wijzigde [appellant] zijn verweer. Hij moest erkennen dat hij op de foto stond die op het moment van de beoogde overdracht van de Porsche in [plaats1] was gemaakt (productie 7 bij mva). [appellant] verklaarde toen dat hij toevallig in de buurt was en erbij kwam staan toen [naam1] de auto verkocht.
5.3
Hoe het toeval [appellant] naar een parkeerplaats in [plaats1] bracht, precies op het moment dat daar een Porsche aan [geïntimeerde] zou worden overgedragen, terwijl [appellant] in het geheel niets van die transactie zou hebben geweten, heeft [appellant] niet toegelicht.
Het hof acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig en licht dat toe.
5.4
Uit de door [geïntimeerde] overgelegde advertentie blijkt dat de Porsche te koop werd aangeboden door ‘ [naam6] ’ . [appellant] noemt zichzelf [naam6] (zie memorie van grieven onder 4). [appellant] heeft
nietbetwist dat het in de advertentie genoemde telefoonnummer zijn telefoonnummer is, zodat het hof daarvan uitgaat.
5.5
Vast staat dat [geïntimeerde] via dat telefoonnummer contact met de aanbieder heeft gezocht en dat hij hem aansprak met ‘ [naam6] ’. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer [geïntimeerde] het volgende rekeningnummer heeft opgegeven: [rekeningnummer] ten name van [naam1] .
[geïntimeerde] heeft het bedrag van € 10.000 vervolgens naar dat rekeningnummer overgemaakt.
Verder blijkt uit die WhatsApp-correspondentie dat [geïntimeerde] op 16 september 2022 per WhatsApp het bewijs van de overboeking heeft gestuurd en dat op 22 september 2022 het [adres3] in [plaats1] aan hem werd doorgegeven.
5.6
Uit de overgelegde stukken blijkt dus duidelijk dat het [appellant] was die de Porsche heeft aangeboden, dat hij het was die [geïntimeerde] verzocht de aanbetaling over te boeken op rekening van [naam1] en dat [appellant] het adres in [plaats1] heeft genoemd waar de overdracht van de Porsche zou plaatsvinden. Er is dus geen sprake van dat [appellant] ‘toevallig’ in [plaats1] was.
5.7
[geïntimeerde] heeft aangegeven – en [appellant] heeft dat niet gemotiveerd weersproken – dat [appellant] op het moment van de beoogde overdracht in [plaats1] , Duitsland, geen identiteitsbewijs kon laten zien en dat hij [naam2] als verkoper in de koopovereenkomst wilde vermelden. Deze schimmige gang van zaken was voor [geïntimeerde] reden om van de transactie af te zien, waarna de Porsche weer mee teruggegaan is naar Nederland.
5.8
[appellant] heeft betwist dat hij de e-mail van mr. [naam3] van 31 maart 2024 heeft ontvangen. Het hof gaat aan die betwisting voorbij omdat vaststaat dat deze e-mail wel is verzonden en [appellant] niet stelt dat het gebruikte e-mailadres onjuist zou zijn.
5.9
[appellant] , die aanvankelijk beweerde geen enkele betrokkenheid bij deze kwestie te hebben, heeft in hoger beroep betoogd dat de Porsche eigendom was van [naam1] , dat [naam1] de verkoper was, dat [naam1] de € 10.000 heeft ontvangen maar niet aan [appellant] heeft doorbetaald en dat er ‘geen reden is om [naam1] buiten schot te houden’. Het hof overweegt daarover het volgende.
5.1
Bij memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat [naam1] en [appellant] (senior en junior) beiden werkzaam zijn in de autobranche, met elkaar bekend zijn en in het verleden vaak samen optrokken. Zij hebben echter geen samenwerkingsverband en elk bedrijf handelt voor eigen rekening en risico, aldus [appellant] . Volgens [appellant] was ook [naam1] in [plaats1] aanwezig. [geïntimeerde] stelt dat alleen [appellant] , diens vader en [naam2] aanwezig waren. Vast staat dat [naam1] niet op de foto’s te zien is. Weliswaar heeft [appellant] een verklaring van [naam2] overgelegd, die verklaart dat [naam1] met hem mee is gereden naar [plaats1] , maar [naam2] verklaart niet dat [naam1] de verkoper was. Hij zegt ook dat hij niet weet wat er besproken is. Hij was slechts chauffeur.
5.11
Wat de precieze relatie tussen [appellant] en [naam1] ook is en wie van hen ook eigenaar van de Porsche was – [appellant] heeft daar door zijn wijze van verweer voeren onduidelijkheid over laten bestaan – is naar het oordeel van het hof niet relevant. Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat het [appellant] was die de auto te koop heeft aangeboden, dat [appellant] [geïntimeerde] heeft gevraagd de aanbetaling op rekening van [naam1] te storten en dat [appellant] de afspraak over de levering van de auto met [geïntimeerde] heeft gemaakt.
[appellant] benadrukt dat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat [naam1] het geld naar [appellant] heeft overgemaakt. Dat hoeft [geïntimeerde] ook niet. [geïntimeerde] heeft zaken gedaan met [appellant] en het geld op diens verzoek op rekening van [naam1] overgemaakt. Wat de reden van [appellant] voor dat verzoek was en of [naam1] het geld al dan niet ten onrechte niet aan [appellant] heeft doorgestort, regardeert [geïntimeerde] niet. [geïntimeerde] heeft op de door [appellant] aangegeven wijze betaald, en nu de koop uiteindelijk niet is doorgegaan, dient [appellant] dat bedrag terug te betalen aan [geïntimeerde] .
[naam1] is zelf geen partij in deze procedure. Als [appellant] niet had gewild dat [naam1] in deze procedure ‘buiten schot’ blijft, had hij [naam1] in vrijwaring moeten oproepen. Dat annuleringskosten zijn overeengekomen, zoals [naam1] suggereert, heeft [appellant] (ook subsidiair) niet aangevoerd. [1]
5.12
Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding voor het geven van een bewijsopdracht.
5.13
De derde grief van [appellant] is gericht tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] heeft erkend dat die grief is terecht voorgedragen [2] .
5.14
Voor het overige faalt het hoger beroep. Omdat [appellant] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen [3] . Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
5.15
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 26 november 2024, behalve voor zover daarin een bedrag van € 875 aan buitengerechtelijke kosten is toegewezen en vernietigt het vonnis in zoverre;
6.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde] :
€ 362 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M.W. Zandbergen en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
19 mei 2026.

Voetnoten

1.De grieven 1 en 2 falen
2.Grief 3 slaagt
3.Grief 4 faalt.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.