ECLI:NL:GHARL:2026:322

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
200.349.413
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:88 BWArt. 6:30 BWArt. 3:309 BWArt. 7:311 BWArt. 7:399d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen pachtovereenkomst en recht op terugbetaling verhoogde erfpachtcanon

De zaak betreft een geschil over het gebruik en de betaling van erfpachtcanon voor percelen grasland eigendom van Stichting Beheer Osen c.s. De vader van appellant had een erfpachtrecht dat in 2011 verliep. Er werd onderhandeld over een nieuw erfpachtrecht met hogere canon, maar dit is nooit gevestigd. Appellant nam het bedrijf van zijn vader over en betaalde een verhoogde canon.

De rechtbank wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde hem tot ontruiming. In hoger beroep betoogde appellant dat er een pachtovereenkomst bestond en dat hij partij was bij het nieuwe erfpachtrecht. Het hof oordeelde dat geen pachtovereenkomst tot stand is gekomen en dat appellant geen partij is bij het nieuwe erfpachtrecht, dat uitsluitend met zijn vader was overeengekomen.

Wel stelde het hof vast dat appellant onverschuldigd de verhoogde canon heeft betaald vanaf 23 december 2015, toen het erfpachtrecht aan hem werd overgedragen. De vordering tot terugbetaling daarvan is niet verjaard. Het hof vernietigde het vonnis voor zover de terugbetaling werd afgewezen en veroordeelde Osen c.s. tot betaling van het verschil in canon. De overige beslissingen werden bekrachtigd.

Uitkomst: Geen pachtovereenkomst met zoon, wel recht op terugbetaling van onverschuldigde canonverhoging vanaf 23 december 2015.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.349.413
zaaknummer rechtbank 11138376 en 432027
arrest van de pachtkamer van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] )
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Zutphen optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: [appellant] of [de zoon]
advocaat: mr. M.J.H. van Baalen
tegen

1.Stichting Beheer Osen,die is gevestigd in Amsterdam

2.
[geïntimeerde 2]die woont in [woonplaats 2]
3.
[geïntimeerde 3]die woont in [woonplaats 3]
4.
[geïntimeerde 4]die woont in [woonplaats 4] ( [land 1] )
5.
[geïntimeerde 5]die woont in [woonplaats 5]
6.
[geïntimeerde 6]die woont in [woonplaats 6] (gemeente [gemeente 2] )
7.
Stichting tot Exploitatie van het Landgoed Osendie is gevestigd te Amsterdam
die ook voorwaardelijk hoger beroep hebben ingesteld
en bij de pachtkamer in Zutphen optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie
hierna: Osen c.s.
advocaat: mr. E.H.M. Harbers

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2025 heeft op 6 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De kern van de zaak, feiten, wat partijen willen en de rechtbank heeft beslist
Kern van de zaak
2.1.
De vader van [appellant] had een erfpachtrecht op een aantal percelen van Osen c.s. De termijn van dat erfpachtrecht is in 2011 verstreken. Vervolgens is onderhandeld en overeenstemming bereikt over een te vestigen erfpachtrecht, ook met een hogere canon (jaarlijkse betaling). Dat erfpachtrecht is echter nooit gevestigd. Daarna heeft [appellant] het bedrijf van zijn vader overgenomen. Osen c.s. hebben het erfpachtrecht opgezegd. Het hof moet nu beslissen of tussen [appellant] en Osen c.s. een (reguliere) pachtovereenkomst bestaat, of [appellant] ook partij is bij (en dus rechten kan ontlenen aan) de overeenkomst tot vestiging van het nieuwe erfpachtrecht en of [appellant] recht heeft op terugbetaling van de verhoging van de canon die was afgesproken. Het hof zal oordelen dat er geen reguliere pachtovereenkomst is afgesproken, dat [appellant] geen partij is bij de overeenkomst tot vestiging van een nieuw erfpachtrecht, maar dat hij wel recht heeft op terugbetaling van de verhoging van de canon vanaf 23 december 2015.
Feiten
2.2.
Het gaat in deze zaak om de percelen grasland kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] (hierna: de percelen). Osen c.s. zijn eigenaar van deze percelen. In 1986 is op de percelen een recht van erfpacht gevestigd, dat in 2000 aan de vader van [appellant] (hierna: [vader van appellant] ) is overgedragen. In de erfpachtakte staat dat voor het verstrijken van de termijn de eigenaar aan de erfpachter een aanbod zou doen voor erfpacht voor tenminste 12 jaar, pacht of koop door de pachter. De erfpacht liep volgens de akte tot en met 31 oktober 2011. Van november 2012 tot en met medio 2014 is onderhandeld over het recht op gebruik van de percelen. Overeenstemming is bereikt over een erfpachtrecht tegen een hogere canon (€ 9.009 in plaats van € 3.713,11), maar een nieuw erfpachtrecht is niet gevestigd. Osen c.s. hebben op 8 november 2023 per deurwaardersexploot de erfpacht opgezegd op grond van artikel 5:88 BW Pro met inachtneming van een termijn van één jaar.
2.3.
[vader van appellant] en [appellant] zijn op 1 januari 2002 een maatschapsovereenkomst aangegaan met de partner van [vader van appellant] . Op 23 december 2015 is deze maatschap beëindigd en is de onderneming voortgezet door [appellant] . Daarbij is ook het “pachtrecht” op de percelen overgedragen, waarbij als aankomsttitel van de percelen erfpacht is vermeld. Volgens een uittreksel uit het kadaster met betrekking tot de percelen is het recht van erfpacht daarop op 29 december 2015 aan [appellant] overgedragen.
Wat partijen willen (de vorderingen van partijen)
2.4.
Osen c.s. hebben bij de rechtbank Gelderland een verklaring voor recht gevorderd dat ten aanzien van de percelen sprake is van een erfpachtrelatie die rechtsgeldig is opgezegd tegen 9 november 2024 en gevorderd dat [appellant] wordt bevolen om het gebruik van deze percelen per 9 november 2024 te staken en deze percelen leeg, ontruimd en in goede staat op te leveren op straffe van een dwangsom.
2.5.
[vader van appellant] heeft een incident tot voeging en/of tussenkomst ingediend en samen met [appellant] ook een incident opgeworpen dat de rechtbank onbevoegd is en de zaak verwezen moet worden naar de pachtkamer.
Als tegenvordering heeft [appellant] schriftelijke vastlegging gevorderd van een pachtovereenkomst tussen vader en/of [de zoon] als pachter en Osen c.s. als verpachter voor de percelen voor onbepaalde tijd ingaande 2013 voor een pachtprijs van € 9.009 per jaar. Als deze vordering niet wordt toegewezen (dus: subsidiair) hebben vader en [de zoon] een verklaring voor recht gevorderd dat voor de percelen een pachtovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd voor een pachtprijs van € 8.500 per jaar.
Als deze tegenvordering niet wordt toegewezen heeft [appellant] samengevat gevorderd dat (i) Osen c.s. worden veroordeeld om de onderhandelingen met [appellant] voort te zetten over hetzij erfpacht voor ten minste 12 jaar, hetzij pacht, hetzij koop en dat voor zover dit resulteert in een recht van erfpacht daarop artikel 7:399d BW van toepassing is; (ii) als overwogen of geoordeeld wordt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een recht van erfpacht, Osen c.s. veroordeeld worden om medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte ter vestiging van dat recht op straffe van een dwangsom of dat in het vonnis een dwangvertegenwoordiger wordt aangesteld of dat het vonnis in de plaats komt van de akte van erfpacht; (iii) voor zover tussen zoon en/of [vader van appellant] en Osen c.s. sprake is van een recht van erfpacht met een duur van 12 jaar, althans 25 jaar of korter, voor recht verklaard wordt dat daarop artikel 7:399d BW van toepassing is.
Als de vorderingen van Osen c.s. geheel of gedeeltelijk worden toegewezen wil [appellant] dat Osen c.s. veroordeeld worden om het verschil tussen de betaalde prijs en de tot en met 2012 betaalde jaarlijkse prijs terug te betalen aan zoon en/of [vader van appellant] .
Wat de rechtbank Gelderland heeft beslist
2.6.
De rechtbank heeft de voeging/tussenkomst van [vader van appellant] afgewezen en de zaak verwezen naar de pachtkamer. De pachtkamer in Zutphen heeft de vordering tot ontruiming van Osen c.s. toegewezen, en alle andere vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie afgewezen.
Wat partijen willen in hoger beroep
2.7.
[appellant] komt daartegen in hoger beroep. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van Osen c.s. alsnog worden afgewezen en de vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen, waarbij alleen [appellant] en niet meer zijn vader genoemd worden en de verklaring voor recht dat voor de percelen een pachtovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd nu voorziet in een pachtprijs van € 9.009 in plaats van € 8.500.
2.8.
Osen c.s. komen voorwaardelijk in hoger beroep. Als het vonnis ten aanzien van de veroordeling tot ontruiming wordt vernietigd, komen Osen c.s. ertegen op dat de pachtkamer heeft geoordeeld dat een nieuwe erfpachtovereenkomst tot stand is gekomen. Osen c.s. vorderen dan een verklaring voor recht dat tussen Osen c.s. en [appellant] ten aanzien van de percelen sprake is van een erfpachtrelatie die rechtsgeldig is opgezegd tegen 9 november 2024.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De afwijzing van de incidentele vordering tot voeging
3.1.
[appellant] komt ten eerste op tegen de afwijzing van de vordering van [vader van appellant] tot voeging/tussenkomst. Hij vindt dat [vader van appellant] voldoende belang heeft om zich te mogen voegen, omdat de uitkomst van deze procedure invloed kan hebben op de afspraken over bedrijfsoverdracht van [vader van appellant] aan [appellant] .
3.2.
Deze klacht slaagt niet. Voor zover [vader van appellant] tegen de afwijzing van zijn incidentele vordering tot voeging/tussenkomst wilde opkomen, had hij daartegen hoger beroep moeten instellen. De afwijzing van die incidentele vordering van [vader van appellant] was namelijk ten aanzien van [vader van appellant] een eindvonnis. Tegen een eindvonnis moet tijdig hoger beroep worden ingesteld. [vader van appellant] heeft in hoger beroep ook geen nieuw incident tot voeging of tussenkomst opgeworpen. Ten aanzien van [appellant] was deze beslissing weliswaar een tussenvonnis, maar niet valt in te zien welk belang [appellant] heeft dat zijn vader zich als partij kan voegen of kan tussenkomen. Voor zover dat belang ziet op de mogelijkheid van [vader van appellant] om te vertellen hoe hij het ziet, is dat niet voldoende.
Is er een pachtovereenkomst tot stand gekomen tussen Osen c.s. en [appellant] ?
3.3.
[appellant] komt ten tweede op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen reguliere pachtovereenkomst tot stand is gekomen. Hij beroept zich erop dat hij de percelen gebruikt voor bedrijfsmatige landbouw en daar ook voor betaalt. Reguliere pacht kan volgens hem ook uit de omstandigheden worden afgeleid.
3.4.
Voor een overeenkomst is wilsovereenstemming of gerechtvaardigd vertrouwen dat daarvan sprake is vereist. Of dat het geval is moet worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze wilsovereenstemming of het gerechtvaardigd vertrouwen daarop kan ook stilzwijgend tot stand komen. Het hof moet daarbij eerst vaststellen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen, om daarna de vraag te beantwoorden of de aldus gemaakte afspraken als pacht gekwalificeerd moeten worden of als een ander soort overeenkomst.
3.5.
Het hof oordeelt dat geen wilsovereenstemming tot stand is gekomen voor een pachtovereenkomst met [appellant] en dat [appellant] daar ook niet op mocht vertrouwen. De rechtbank heeft geoordeeld dat een nieuwe overeenkomst om een erfpachtrecht te vestigen tot stand is gekomen (rov. 2.9 van het eindvonnis). Over dat oordeel heeft [appellant] in hoger beroep niet geklaagd. Het hof deelt dat oordeel ook: uit de correspondentie tussen [vader van appellant] en [geïntimeerde 6] blijkt dat partijen gesproken hebben over het vestigen van een nieuw erfpachtrecht, waarbij zelfs een ontwerp voor de erfpachtakte is uitgewisseld. Uit die correspondentie kan dan ook geen wilsovereenstemming om een pachtovereenkomst te sluiten afgeleid worden.
3.6.
Dat vervolgens geen nieuwe erfpachtakte door de notaris gepasseerd is, betekent niet dat daarmee wilsovereenstemming tot stand is gekomen over een verbintenisrechtelijk recht van gebruik van het land ter uitoefening van de landbouw tegen betaling of dat [appellant] redelijkerwijs mocht verwachten dat een dergelijke wilsovereenstemming bestond. Nergens blijkt uit dat Osen c.s. iets anders bedoeld heeft dan een zakelijk recht van erfpacht aan [vader van appellant] te verschaffen. [vader van appellant] had ook een erfpachtrecht dat in 2011 niet is opgezegd of beëindigd. [appellant] wist dat ook, want in 2015 is het erfpachtrecht door [vader van appellant] aan [appellant] overgedragen en die overdracht is ook ingeschreven in het kadaster. [appellant] heeft verklaard dat hij toen ervan op de hoogte was dat de akte tot vestiging van de erfpacht waarover tussen 2012 en 2014 overeenstemming was bereikt niet was ingeschreven. Uit niets blijkt dat Osen c.s. toen aanleiding heeft gegeven voor een gerechtvaardigd vertrouwen dat bedoeld was de percelen in gebruik te geven aan [appellant] tegen betaling anders dan op grond van erfpacht. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zijn adviseur toen tegen hem heeft gezegd dat er sprake zou zijn van (reguliere) pacht. Als er al een verwachting bij [appellant] was dat daarvan sprake was, dan was dat te wijten aan het verkeerde advies van zijn eigen adviseur. Dat kan niet aan Osen c.s. worden toegerekend. De vordering om een pachtovereenkomst vast te leggen of voor recht te verklaren dat er sprake is van een pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden afgewezen.
3.7.
[appellant] betoogt dat het aan Osen c.s. te wijten is dat het nieuwe erfpachtrecht nooit is gevestigd. Ook als dat zo zou zijn, is dat echter niet relevant voor het antwoord op de vraag of [appellant] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat wilsovereenstemming bestond over rechten en verplichtingen die volgens de definitie van artikel 7:311 BW Pro pacht opleveren.
Is een nieuwe erfpachtovereenkomst met [de zoon] gesloten of met [vader van appellant] ?
3.8.
De pachtkamer in Zutphen heeft geoordeeld dat [vader van appellant] en niet [de zoon] partij was bij de tussen 2012 en 2014 onderhandelde overeenkomst om een nieuw erfpachtrecht te vestigen. Daartegen komt [appellant] ten derde op.
3.9.
Het hof onderschrijft het oordeel van de pachtkamer in Zutphen op dit punt, zowel ten aanzien van de toegepaste maatstaf als ten aanzien van de beoordeling aan de hand van de feiten van dit geval. Wat [appellant] in hoger beroep daartegen inbrengt, kan niet tot een andere conclusie leiden. Ook als [vader van appellant] in 2014 al 65 jaar was en zijn zoon al sinds januari 2002 met hem in de maatschap zat, aan de onderhandelingen deelnam en is genoemd als beoogd bedrijfsopvolger, doet dat niet af aan de concept-akte die uitsluitend op naam van [vader van appellant] is gezet en de correspondentie die alleen door [vader van appellant] is gevoerd. In de concept-akte is ook de mogelijkheid tot overdracht aan [appellant] in het kader van bedrijfsopvolging opgenomen zonder voorafgaande instemming van Osen c.s. Daaraan zou geen behoefte zijn geweest als bedoeld was dat [appellant] zelf partij zou worden bij de nieuwe te vestigen erfpacht. Tijdens de onderhandelingen is ook niet opgemerkt dat [vader van appellant] de verkeerde partij zou zijn of dat [appellant] ook partij moest zijn. In dat licht is het feit dat [vader van appellant] in zijn e-mails ook over “wij” spreekt onvoldoende om aan te nemen dat de bedoeling was dat [appellant] partij zou worden bij deze nieuwe overeenkomst. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor een redelijke verwachting van [appellant] dat hij ook partij bij deze overeenkomst is geworden. Dat [vader van appellant] als vertegenwoordiger van zijn zoon optrad, zoals [appellant] in hoger beroep aanvoert, blijkt nergens uit.
3.10.
[appellant] is dus geen partij bij de tussen 2012 en 2014 gesloten overeenkomst tot vestiging van een recht van erfpacht. Dat betekent dat de klachten van [appellant] tegen het vonnis, voor zover deze zien op de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen behalve de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde betaling van canon, niet slagen en het vonnis van de pachtkamer te dien aanzien bekrachtigd moet worden.
Heeft [appellant] onverschuldigd de verhoging van de canon betaald?
3.11.
Ten slotte komt [appellant] ertegen op dat de pachtkamer in Zutphen zijn vordering tot terugbetaling van de teveel betaalde canon heeft afgewezen. Het gaat om het verschil tussen de canon van € 3.713,11 per jaar die betaald werd op grond van de voorwaarden van het in 1986 gevestigde recht van erfpacht en de canon van € 9.009 per jaar die in de tussen 2012 en 2014 onderhandelde overeenkomst tot vestiging van een recht van erfpacht is afgesproken. [appellant] beroept zich erop dat deze canonverhoging nooit zelfstandig is afgesproken, maar alleen als onderdeel van de vestiging van een nieuw te vestigen erfpachtrecht. Ook beroept hij zich erop dat zelfs als dit met [vader van appellant] is afgesproken, hij aan die afspraak niet gebonden is en sinds het erfpachtrecht aan hem is overgedragen ook niet meer voor zijn vader betaald kan hebben.
3.12.
Deze klacht slaagt. De voorwaarden van de in 1986 gevestigde erfpacht voorzagen in een verhoging van de canon elke zes jaar in lijn met de wettelijke pachtnormen. Dat aan deze bepaling uitvoering is gegeven is niet gesteld of gebleken. Dat een dergelijke verhoging ook in afwijking van de erfpachtvoorwaarden afgesproken kon worden en wel zodanig dat deze ook een rechtsopvolger zou binden is niet voldoende toegelicht, voor zover het in hoger beroep al tijdig naar voren is gebracht.
3.13.
Duidelijk is wel dat als onderdeel van de onderhandelingen van partijen over het nieuwe erfpachtrecht tussen 2012 en 2014 [vader van appellant] met de hogere canon akkoord is gegaan. Ook volgens de stellingen van Osen c.s. is dit nieuw te vestigen erfpachtrecht nooit gevestigd. Het in 1986 gevestigde erfpachtrecht is in 2015 door [vader van appellant] aan zijn zoon overgedragen. Voor dit bestaande erfpachtrecht gold de oude, lagere canon. De stelling van Osen c.s. dat [de zoon] verplichtingen uit deze overeenkomst om een nieuw erfpachtrecht te vestigen heeft overgenomen is onvoldoende onderbouwd. Osen c.s. stellen zich namelijk op het standpunt dat [appellant] bij deze overeenkomst geen partij is. Waarom dan alleen de betalingsverplichting wel door [de zoon] is overgenomen, maar de rechten onder deze overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht niet, hebben Osen c.s. niet uitgelegd.
3.14.
[appellant] was dus niet gebonden aan een afspraak van [vader van appellant] over een hogere canon. Osen c.s. beroepen zich erop dat [de zoon] toch niet onverschuldigd betaald heeft, omdat hij voor [vader van appellant] heeft willen betalen (artikel 6:30 BW Pro). Maar onvoldoende is uitgelegd waarom [de zoon] de bedoeling gehad heeft voor [vader van appellant] te betalen, terwijl hij het bestaande erfpachtrecht overgedragen had gekregen. Dat wijst erop dat [appellant] voor zichzelf betaald heeft. Waarom Osen c.s. er gerechtvaardigd van mochten uitgaan dat [appellant] voor zijn vader wilde betalen om te voldoen aan verbintenissen uit de overeenkomst tot vestiging van een nieuw erfpachtrecht is mede daarom ook niet duidelijk. Osen c.s. stellen zelf dat zij ervan uitgingen dat het tussen 2012 en 2014 uitonderhandelde nieuwe erfpachtrecht ook daadwerkelijk gevestigd was. Dat zij er rekening mee gehouden hebben dat dit niet zo was en daarom ook erop hebben vertrouwd dat [appellant] heeft betaald om te voldoen aan verbintenissen van zijn vader op grond van een niet uitgevoerde overeenkomst tot vestiging van een erfpacht volgt het hof niet.
3.15.
[appellant] heeft dus het verschil tussen de jaarlijkse betalingen van € 9.009 en een jaarlijks bedrag van € 3.713,11 vanaf 23 december 2015, toen het recht van erfpacht aan hem is overgedragen, onverschuldigd betaald. Over de periode daarvoor hoeft het hof niet te oordelen omdat [vader van appellant] geen partij is in dit geding.
Is de vordering uit onverschuldigde betaling verjaard?
3.16.
In de procedure bij de pachtkamer in Zutphen hebben Osen c.s. een beroep gedaan op verjaring van deze vordering uit onverschuldigde betaling. Volgens Osen c.s. heeft [appellant] voor het eerst in de conclusie van antwoord van 3 april 2024 een beroep op de onverschuldigde betaling gedaan, zodat een claim op zijn hoogst kan teruggaan tot betalingen vanaf 3 april 2019.
3.17.
Artikel 3:309 BW Pro bepaalt, voor zover hier relevant, dat een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Het gaat er daarbij om dat [appellant] daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen.
3.18.
De stelplicht ten aanzien van het beginmoment van de termijn van verjaring rust op Osen c.s. Zij hebben echter niets gesteld over wanneer [appellant] met de vordering uit onverschuldigde betaling bekend is geworden, zodanig dat hij daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering in te stellen. Zelfs als [appellant] in 2015 wist dat het nieuw uitonderhandelde erfpachtrecht niet was gevestigd is daarmee zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, niet duidelijk dat hij daadwerkelijk in staat was om een vordering uit onverschuldigde betaling in te stellen.
Bewijsopdrachten
3.19.
Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van [appellant] en Osen c.s. De stellingen waarvoor bewijs is aangeboden kunnen namelijk niet tot een andere conclusie leiden.
Het voorwaardelijk incidenteel appel
3.20.
Osen c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, voor het geval het verweer van [appellant] tegen de ontruimingsvordering alsnog zou slagen. Aan die voorwaarde is niet voldaan. Het hof hoeft het incidenteel appel dus niet te behandelen.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk. Het hof zal het vonnis van de pachtkamer in Zutphen vernietigen voor zover daarin de vordering uit onverschuldigde betaling is afgewezen en voor het overige bekrachtigen. Omdat [appellant] in conventie in het ongelijk is gesteld en zijn hoger beroep te dien aanzien niet slaagt, zal het hof de proceskostenveroordeling in conventie door de pachtkamer in Zutphen bekrachtigen. Omdat Osen c.s. in reconventie gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal het hof Osen c.s. in de proceskosten in reconventie van de procedure bij rechtbank Gelderland veroordelen. Het hof hanteert daarbij het kantontarief voor vorderingen van tussen € 40.000 en € 100.000, omdat het hof ervan uitgaat dat het jaarlijkse bedrag dat teveel betaald is meer is dan € 5.000 en het hof ervan uitgaat dat dit bedrag vanaf 2016 tot opzegging per 2024 betaald is. Onder de hiervoor genoemde kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1] Omdat partijen in hoger beroep ieder gedeeltelijk in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld bepaalt het hof dat in hoger beroep iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 mei 2024 en het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 november 2024 behalve de beslissingen in reconventie onder 3.5 en 3.6 die hierbij worden vernietigd;
4.2.
veroordeelt Osen c.s. om aan [appellant] te betalen het verschil tussen de jaarlijkse betalingen van [appellant] aan Osen c.s. van € 9.009 en een jaarlijks bedrag van € 3.713,11 vanaf 23 december 2015;
4.3.
veroordeelt Osen c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland:
€ 1.086 aan salaris van de gemachtigde van [appellant] (2 punten);
4.4.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en J.U.M. van der Werff en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ing. H.W.J. van Schooten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.