Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3227

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.366.653/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrouw moet huurwoning van ex-partner verlaten ondanks verzoek medehuur

Partijen hadden een relatie van 2017 tot mei 2024 en zijn ouders van twee minderjarige kinderen. De man is huurder van een particuliere huurwoning die hij in mei 2024 verliet. De vrouw mocht met de kinderen tijdelijk in de woning verblijven, maar werd bij vonnis van de rechtbank veroordeeld om de woning binnen zes weken te ontruimen.

De vrouw vorderde in hoger beroep medehuur en het recht om met de kinderen in de woning te blijven, maar het hof oordeelde dat zij geen spoedeisend belang had om in de woning te blijven. Zij had ruim de tijd gehad om elders onderdak te vinden en heeft pas na lange tijd een urgentieverklaring verkregen.

De kinderen verblijven zonder bezwaar bij de man en zijn niet dakloos. De vrouw ziet de kinderen slechts tweemaal per week, terwijl de man openstaat voor een ruimere omgangsregeling. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van de vrouw af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van de vrouw af, waardoor zij de huurwoning moet verlaten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.366.653/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 604217)
Arrest in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen, die kantoor houdt te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. de Haan, die kantoor houdt te Almere.

1.De procedure bij de rechtbank

Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 februari 2026 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep houdende de grieven en een vordering schorsing uitvoerbaar bij voorraad van 9 maart 2026 (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties).
2.2.
Op 23 april 2026 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Het daarvan opgemaakte verslag (proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier.
2.3.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie gehad van 2017 tot mei 2024. Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
Partijen zijn niet gehuwd geweest, en hebben evenmin een geregistreerd partnerschap dan wel een samenlevingscontract afgesloten.
3.2.
De kinderen staan sinds 22 september 2025 onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI).
3.3.
[geïntimeerde] is huurder van de woning aan [adres] te [plaats] . Dat is een woning in de particuliere sector. In mei 2024 heeft [geïntimeerde] de woning verlaten.
3.4.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 27 januari 2025 is bepaald dat [appellante] met de kinderen voor een periode van uiterlijk zes maanden gebruik mag maken van de woning. In onderling overleg is deze periode daarna met drie maanden verlengd.

4.De procedure bij de rechtbank

4.1.
[geïntimeerde] heeft gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening leeg en ontruimd aan hem ter beschikking te stellen. [appellante] heeft een tegenvordering ingediend, en gevorderd [geïntimeerde] te gebieden om haar medehuurder te maken van de woning, zich uit te laten schrijven van het adres van de woning en te bepalen dat [appellante] samen met de kinderen tijdelijk het gebruik zal hebben van de woning.
4.2.
In het bestreden vonnis is [appellante] veroordeeld om binnen zes weken na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en aan [geïntimeerde] ter beschikking te stellen. De vorderingen van [appellante] zijn afgewezen.

5.5. Het oordeel van het hof

5.1.
De inzet van het hoger beroep van [appellante] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen, en die van [geïntimeerde] worden afgewezen. Op de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat [appellante] , als gevolg van de betekening van het bestreden vonnis, de woning op 10 april 2026 heeft verlaten. De kinderen verblijven sinds die datum bij [geïntimeerde] .
5.2.
Het hof is van oordeel dat [appellante] nog steeds een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij verblijft nu noodgedwongen bij derden en kan als gevolg daarvan de kinderen niet meer bij zich hebben. Zij ziet de kinderen nu tweemaal per week elders.
5.3.
Het hof laat bij de te nemen beslissing de volgende factoren een rol spelen:
- [geïntimeerde] is huurder van de woning. Hoewel [appellante] alsnog had kunnen proberen om als medehuurder te worden aangemerkt, heeft zij daar in de afgelopen twee jaren geen actie toe ondernomen in een bodemprocedure. Het hof wijst erop dat een verzoek om medehuurder te worden ook na de beëindiging van de samenwoning kan worden gedaan, mits dat verzoek zo spoedig na die beëindiging is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd [1] . Daarvan is naar het voorshandse oordeel van het hof geen sprake;
- Sinds het vonnis van 27 januari 2025 moet het voor [appellante] voldoende duidelijk zijn geweest dat zij de woning diende te verlaten. Ook nadien heeft zij nog een ruime periode gehad om elders onderdak te vinden. Pas 15 maanden na dit vonnis is [appellante] daadwerkelijk vertrokken;
- [appellante] heeft inmiddels sinds 20 februari 2026 een urgentieverklaring voor een huurwoning;
- Volgens de raad voor de kinderbescherming en de GI kunnen de kinderen zonder bezwaren bij [geïntimeerde] verblijven, wat nu ook gebeurt. De kinderen zijn dus niet dakloos;
- Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat [appellante] er zelf voor kiest om de kinderen maar tweemaal per week te zien. [geïntimeerde] staat open voor een veel ruimere regeling.
5.4.
Op grond van bovenstaande afwegingen is het hof van oordeel dat het bestreden vonnis in stand dient te blijven. De vorderingen van [appellante] zullen dan ook worden afgewezen. Hoewel [appellante] ook nog heeft verzocht om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen, is tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat deze vordering geen bespreking behoeft, omdat het hof meteen in de hoofdzaak zal beslissen.
5.5.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 februari 2026;
- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep;
- wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, J.H. Kuiper en M.A.F. Veenstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
19 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2193