Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Roermond,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 augustus 2015.
Hoge Raad
In deze zaak vorderden eisers dat de kantonrechter zou bepalen dat eiser 1 medehuurder werd van de woning, waarop eiseres 2 als huurder stond ingeschreven. De kantonrechter wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, omdat op het moment van het verzoek geen duurzame gemeenschappelijke huishouding meer bestond en het verzoek niet spoedig na beëindiging was gedaan.
Eisers stelden in cassatie dat het hof ten onrechte alleen keek naar het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding op het moment van het verzoek en onvoldoende rekening hield met de lange duur van de samenwoning en andere omstandigheden. De Hoge Raad bevestigde dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen en dat een verzoek ook na beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding kan worden toegewezen, mits het verzoek zo spoedig mogelijk na beëindiging wordt gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat het verzoek niet spoedig genoeg was gedaan en dat de samenwoning definitief was beëindigd. Het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk gemotiveerd en kon de beslissing dragen, ook rekening houdend met de lange duur van de samenwoning. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek om medehuur wordt afgewezen omdat het niet spoedig na beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding is gedaan.