Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
21-003531-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor inbraak in vakantiewoning en wederspannigheid met letsel politieagent

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het met geweld verzetten tegen een politieambtenaar tijdens zijn aanhouding en voor inbraak in een vakantiewoning waarbij hij zich toegang verschafte door braak. Het hof verwierp het verweer dat het binnentreden onrechtmatig was, omdat de politie op grond van artikel 2 lid 3 van Pro de Algemene wet op het binnentreden zonder machtiging mocht binnenkomen vanwege ernstig en onmiddellijk gevaar.

De bewijslast werd gedragen door getuigenverklaringen, processen-verbaal, forensisch onderzoek waaronder DNA-sporen op handschoenen en een schroevendraaier die bij verdachte werden aangetroffen. De verdachte heeft zich niet verdedigd en maakte gebruik van zijn zwijgrecht.

De straf werd vastgesteld op drie maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, mede vanwege eerdere veroordelingen van verdachte. Daarnaast werden de in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard. De benadeelde politieambtenaar kreeg een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens immateriële schade door een ski-duim en letsel aan de pink. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf bevolen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, verbeurdverklaring van voorwerpen en toewijzing schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003531-25
Uitspraakdatum: 22 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen , van 28 juli 2025 met parketnummer 18-118263-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-012718-24, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 11 mei 2026 en de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde;
  • oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest;
  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • verbeurdverklaring van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen;
  • toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. D.P. Poppe, is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 28 juli 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering. De politierechter heeft de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurdverklaard. Tot slot heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting van het hof is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] ( [functie 1] bij eenheid Noord-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door meermalen, althans eenmaal (terwijl verdachte geboeid was en op de grond lag) zijn lichaam
- met kracht te bewegen en/of ,
- van die [benadeelde] weg te draaien en/of,
- om te draaien,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een ski-duim, althans letsel aan de gewrichtsband van de duim en/of letsel aan de pink bij die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad;
2. primair
hij in of omstreeks de periode van 24 november 2024 tot en met 29 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , waardebonnen en/of een speaker (merk JBL) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, toebehoorden(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, en/of inklimming;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 24 november 2024 tot en met 29 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen (waardebonnen en/of een speaker) of in elk geval enig goed die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, met een schroevendraaier of een soortgelijk voorwerp, in elk geval enig werktuig een of meerdere ra(a)m(em) en/of deur(en) heeft getracht te openen en/of heeft geopend en/of heeft geforceerd en/of het chalet van [slachtoffer] is binnengegaan en/of binnengeklommen en/of het chalet van [slachtoffer] heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het binnentreden in het chalet waar verdachte zich bevond, heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een geval als bedoeld in artikel 2 lid 3 van Pro de Algemene wet op het binnentreden, zodat een machtiging niet vereist was.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat bewijsuitsluiting moet volgen, nu onrechtmatig is binnengetreden in het chalet waar verdachte zich bevond. Immers, zo stelt de verdediging, is er driemaal binnengetreden zonder toestemming van verdachte. Er bevinden zich hiervoor geen machtigingen in het dossier.
Oordeel van het hof
Overweging ten aanzien van de rechtmatigheid van het binnentreden
Het hof stelt vast dat er driemaal zonder toestemming van verdachte is binnengetreden in het chalet waar verdachte zich bevond. In een dergelijk geval is voor binnentreden in beginsel een machtiging vereist.
Ten aanzien van de eerste keer binnentreden overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 2 lid 3 van Pro de Algemene wet op het binnentreden is een machtiging niet vereist indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.
Op grond van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast:
Op 29 november 2024, vanaf 08:50 uur, is getuige [getuige] werkzaam als onderhoudsmedewerker op [recreatiepark] . Hij ziet dat bij chalet nummer 79 de deuren openstaan en dat het er binnen een rotzooi is. Nadat hij aan de slag is gegaan met een machine en van machine wil gaan wisselen, hoort hij geritsel in de heg tussen chalets nummers 79 en 80. Hij ziet dat er een man uit de heg komt met een donkere doek om zijn gezicht geslagen. Deze man rommelt in zijn broekzak en verstopt een voorwerp in zijn mouw. Hierna loopt hij op [getuige] af. Dit komt op [getuige] erg intimiderend over en hij loopt weg. Een paar seconden later zag hij dat de man ook weg was. Hij hoort gerommel vanuit het chalet en vermoedt dat de man het chalet in is gegaan waarvan de deuren open stonden. De politie ontvangt om ongeveer 09:45 uur een melding over bedreiging van een medewerker van het park en mogelijk onrechtmatig verblijf van deze persoon in het chalet met nummer 79. De politie besluit om ongeveer 10:00 uur om het chalet binnen te treden.
Naar het oordeel van het hof had de politie op basis van deze feiten en omstandigheden reden om te vermoeden dat sprake was van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. Gelet hierop mocht de politie het chalet binnentreden zonder machtiging.
Ten aanzien van de tweede en derde keer binnentreden van het chalet overweegt het hof dat, hoewel zich in het dossier geen machtigingen voor binnentreden bevinden, uit in het dossier opgenomen (op ambtseed) opgemaakte processen-verbaal en verslagen van binnentreden voldoende duidelijk naar voren komt dat de vereiste machtigingen wel zijn gevraagd en gegeven. [1]
Met betrekking tot de tweede keer binnentreden wordt in een proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2024 door [verbalisant 1] vermeld dat men na de melding van braakschade aan het chalet met nummer 80 omstreeks 11:15 uur ter plaatse is gekomen en dat telefonisch een machtiging tot binnentreden ter inbeslagname is gevraagd en dat die machtiging per mail is ontvangen [2] . In een daaropvolgend proces-verbaal van bevindingen vermeldt [verbalisant 1] dat nadat de machtiging van [HOvJ] werd verkregen, de schroevendraaier en handschoenen in beslag genomen werden, [3] overeenkomstig een door deze verbalisant opgemaakt verslag van binnentreden op 29 november 2024 om 13.04 uur [4] . Ook in het aanvullend proces-verbaal van deze verbalisant van 16 december 2024 is vermeld dat van [HOvJ] een machtiging tot binnentreden werd verkregen.
Over de derde keer binnentreden bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2024 van [verbalisant 2] waarin wordt vermeld dat men rond 13.45 ter plaatse kwam, dat [verbalisant 1] vertelde dat hij wachtte op een machtiging tot binnentreden ter aanhouding van verdachte en dat [verbalisant 2] hoorde dat [verbalisant 1] de machtiging ontving via zijn email [5] . In een verslag van binnentreden is opgenomen dat op 29 november 2024 om 13.45 is binnengetreden krachtens een machtiging van [OvJ] en verdachte vervolgens is aangehouden [6] . Verder wordt in het proces-verbaal van forensisch onderzoek van 3 december 2024 door [verbalisant 3] vermeld dat zij op 29 november 2024 hoorde dat verbalisanten telefonisch contact zochten met [OvJ] voor toestemming van aanhouding van verdachte [7] .
Ten aanzien van bovengenoemde verslagen van binnentreden heeft het hof opgemerkt dat hierin abusievelijk chalet nummer 80 in plaats van 79 wordt genoemd. Dit is gelet op de inhoud van het dossier klaarblijkelijk een verschrijving.
Het voorgaande maakt dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op het voorgaande zal het hof niet overgaan tot uitsluiting van het bewijs, zoals door de verdediging verzocht.
Overweging ten aanzien van feit 1
Het hof acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen. Na verkrijging van een machtiging tot binnentreden ter aanhouding van verdachte is chalet met nummer 79 binnengetreden en is verdachte daar aangehouden waarna hij zich heeft verzet. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt het hof het verweer van de verdediging dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was omdat een machtiging zou hebben ontbroken.
Overweging ten aanzien van feit 2
Het hof acht het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat in de ochtend van 29 november 2024 na 08:50 uur een persoon is gezien die uit de heg kwam tussen chalets nummers 79 en 80. Volgens een getuige was zijn gezicht bedekt, verborg deze persoon iets in zijn mouw, gedroeg hij zich intimiderend en is hij vermoedelijk het chalet met nummer 79 binnengegaan.
Na een melding bij de politie over een persoon die zich zou ophouden in de bosjes en een medewerker van het park zou bedreigen en een chalet binnen zou zijn ingegaan is de politie het chalet met nummer 79 binnengetreden en is verdachte daar omstreeks 10.00 aangetroffen. Verbalisant zag toen in de broekzak van verdachte een schroevendraaier zitten.
Omstreeks 11.00 uur is bij de politie een melding binnengekomen dat het chalet met nummer 80 inbraakschade had. Aan meerdere kozijnen was schade toegebracht, volgens de verbalisant mogelijk door een schroevendraaier. Onderaan de kozijnen lag vers zaagsel. Vervolgens werd voor een tweede keer binnengetreden in het chalet met nummer 79 waar verdachte lag te slapen en werd de schroevendraaier die eerder in de broekzak van verdachte was gezien inbeslaggenomen. Verder werd een paar handschoenen aangetroffen op de eettafel in de woonkamer van het chalet, waarvan de eigenaar van het chalet heeft laten weten dat zij zoiets niet heeft of heeft gehad.
Bij onderzoek van chalet nummer 80 werd een handschoenspoor aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat het handschoenspoor waarschijnlijk is gemaakt door de in chalet nummer 79 aangetroffen rechterhandschoen. Bovendien zijn aan de binnenzijde van beide bij verdachte aangetroffen handschoenen DNA sporen aangetroffen die zijn geïdentificeerd onder de personalia van verdachte.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte de persoon is geweest die door de getuige in de bosjes tussen chalet 79 en chalet 80 is gezien. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn in onderling verband en samenhang bezien redengevend voor het bewijs dat verdachte heeft ingebroken in chalet 80 en de uit het chalet missende voorwerpen heeft weggenomen. Door verdachte, die zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en bij de politierechter en het hof niet is verschenen, is geen verklaring naar voren gebracht die deze redengevendheid weerlegt.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november
2024, opgenomen op pagina 69 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met
nummer PL0100-2024327449 d.d. 13 februari 2025, inhoudende de verklaring van
[benadeelde] :
Op vrijdag 29 november 2024 was ik, [benadeelde] , belast met de incidenten afhandeling aan politiebureau [plaats 2] . Daartoe was ik in uniform gekleed. Omstreeks 13:45 uur diezelfde dag moest ik samen met mijn collega' s een verdachte, genaamd [verdachte] , buiten heterdaad aanhouden op bevel van [OvJ] . We liepen naar de auto toe om de verdachte te transporteren naar het cellencomplex. Omdat de man zeer onvoorspelbaar was en om te voorkomen dat de collega's of ik onder het bloed terecht zouden komen, wilde ik bij de verdachte een spuugmasker aanleggen. Ik deelde de verdachte dit ook mede. Ik hoorde dat de verdachte zei dat hij dat niet wilde. Ik zag dat de verdachte mij in de ogen aan keek. Ik zag dat de verdachte zijn hoofd naar achteren bewoog. Ik zag dat de verdachte zijn voorhoofd naar voren kantelde. Ik zag dat de verdachte met kracht naar voren kwam. Ik zag dat hij met zijn hoofd dicht bij mijn hoofd in de buurt kwam. Hierop ben ik de verdachte om de nek gesprongen en heb ik de verdachte naar de grond gewerkt. Toen wij op de grond lagen wilde de verdachte nog steeds niet meewerken, hierop hebben wij de verdachte met kracht op de grond gefixeerd. Toen wij op de verdachte zaten merkte ik veel pijn in mijn duim. Mijn duim was verdraaid of uit de kom gegaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor
aangever d.d. 30 november 2024, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier,
inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
Ik heb in de aangifte verklaard dat ik tijdens de aanhouding van [verdachte] mijn duim geblesseerd heb. Dit is gebeurd omdat de verdachte verzet pleegde. U vraagt mij op welke manier de verdachte verzet pleegde. Wij hadden de verdachte naar de grond gewerkt. Hij bleef nog steeds verzet plegen door zijn lichaam met kracht te bewegen en van ons weg te draaien. Wij probeerden de verdachte op zijn buik te leggen maar hij bleef met kracht zijn lichaam bewegen en om te draaien. Ik had tijdens deze worsteling met mijn linkerhand zijn boeien vast. Ik kon deze niet los laten omdat ik bang was dat zijn verzet dan nog heviger zou worden. Uiteindelijk kregen wij de verdachte enigszins onder controle. Ik merkte toen direct dat ik veel pijn had aan mijn duim. Later voelde ik dat ik ook mijn pink had geblesseerd. Ik kreeg een bult aan mijn pink. Ik ben inmiddels bij de dokter geweest. Het blijkt dat ik door het verzet van verdachte [verdachte] een zogenaamde ski-duim heb opgelopen. Dit betekent dat mijn duim te ver achterover is gebogen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29
november 2024, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Wij ontvingen van een centralist van het Operationeel Centrum Noord-Nederland het verzoek om te gaan naar de [adres] . Hier zouden verbalisanten vragen om ondersteuning ter aanhouding van een, voor ons onbekende, verdachte. Ik zag dat [verbalisant 5] rechtsaf sloeg naar de slaapkamer. Ik hoorde dat [verbalisant 5] mededeelde dat de verdachte was aangehouden voor de poging tot gekwalificeerde diefstal en dat hij uit zijn bed moest komen. Ik hoorde de verdachte zeggen dat wij rustig moesten doen, aangezien hij net wakker zou zijn.
Ik pakte de verdachte tegelijkertijd met [verbalisant 5] vast aan beide armen. [verbalisant 5] en ik zetten de verdachte met zijn borst tegen de muur, waarna [verbalisant 1] het van mij, [verbalisant 2] , aan de linkerzijde overnam. Toen zag ik dat de verdachte in verzet ging en zich probeerde los te rukken, waardoor [verbalisant 5] de verdachte los moest laten, aangezien de verdachte buiten zijn bereik stapte. Ik pakte de verdachte vast, daar waar hij van [verbalisant 5] loskwam. Ik hoorde hem zeggen: 'Doe eens rustig joh, kankerhoer!'. Hierna draaide de verdachte zijn gezicht naar mij toe en begon zich los te rukken.
Samen met verbalisant [benadeelde] nam ik de verdachte mee naar ons dienstvoertuig. Toen wij met de verdachte bijna bij de auto arriveerden, zag ik dat de verdachte zijn gezicht richting verbalisant [benadeelde] draaide en achteruit stapte. Ik zag dat de verdachte zijn hoofd achterover boog en deze opzettelijk en met kracht wilde stoten tegen het hoofd van verbalisant [benadeelde] . Hier opvolgend hebben verbalisant [benadeelde] en ik de verdachte opnieuw naar de grond gebracht. Verbalisant [benadeelde] vertelde mij dat zijn duim uit de kom was gegaan, maar dat deze er inmiddels weer in was teruggeschoten.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november
2024, opgenomen op pagina 12 e.v. voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van
[slachtoffer] :
Plaats delict: [adres] .
Zondag 24 november 2024 omstreeks 17:00 uur was ik voor het laatst bij mijn chalet. Ik zag dat de buitenkant van mijn chalet in goede staat was en ik had alle deuren en raampjes goed afgesloten. Vandaag, vrijdag 29 november 2024, werd ik gebeld door het park dat er ingebroken zou zijn in mijn chalet. Mijn vrouw is naar de chalet toe gegaan. Zij zag dat er meerdere deuren en raampjes openstonden en dat er meerdere moeten in de kozijnen stonden.
Dit proces-verbaal is door mij opgemaakt en afgesloten op 29 november 2024.
[benadeelde] , [dienstnummer] , werkzaam als [functie 1] bij de eenheid Noord-Nederland, op ambtsbelofte.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 5 december 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Mijn chalet is rondom beschadigd, doordat deze persoon in mijn chalet wilde komen. Ook mis ik, na inventarisatie in het chalet, minimaal drie waardebonnen van het [recreatiepark] .
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 3 januari 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Ook blijk ik nu een JBL tuner 2 te missen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] :
Op 29 november 2024, omstreeks 10.00 uur, zag ik dat wij van een medewerker van het vakantiepark een sleutel kregen om in het chalet (nummer 79) te kijken of daar iemand onrechtmatig verblijft. In de slaapkamer van het chalet zag ik een man op bed liggen. Ik zag dat de persoon op de bank ging zitten. Ik zag in de broekzak van de man een schroevendraaier zitten. Ik zag dat de steel daarvan uitstak uit zijn broekzak.
Omstreeks 11.00 uur kregen wij melding van het Operationeel Centrum dat het chalet van nummer 80 braakschade had. Mogelijk zou de casus van vanmorgen verband hebben met de inbraak. Ik, [verbalisant 1] , zag dat er bij meerdere kozijnen schade aan de kozijnen was toegebracht. Ik zag dat dit mogelijk door een schroevendraaier was gedaan. Ik zag dit aan de vorm en dikte van de gaten. Ik zag dat er ramen open stonden en ik zag onderaan de kozijnen vers zaagsel liggen. Ik kreeg van een medewerker van het park een sleutel om de chalet te betreden. Ik zag dat in het chalet de deur van het wc en de slaapkamer openstond. Ik zag dat de keukenkastjes openstonden. Ik zag dat het kastje waar de tv op stond, open stond en dat er een zwart bakje uitstak.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16
december 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] :
Ik, [verbalisant 1] ontving van [HOvJ] een machtiging tot binnentreden in de chalet op plaatsnummer 79 ter in beslagname van schroevendraaier en handschoenen. Ik betrad de chalet samen met collega [benadeelde] . Hierop liep ik naar de woonkamer en zag op tafel een schroevendraaier liggen. Deze was gelijk aan de schroevendraaier die ik eerder deze ochtend uit zijn zak had laten halen door verdachte. Ik zag dat de schroevendraaien nog op dezelfde plek lag waar de verdachte deze eerder had neergelegd. Ik zag op de eettafel in de woonkamer een paar handschoenen liggen. Ik pakte de handschoenen op en nam deze mee. Ik zag de schroevendraaier en nam deze mee.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29
november 2024, opgenomen op pagina 33 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] :
Ik hoorde dat de medewerker van Forensische Opsporing zei dat de veiliggestelde sporen in chalet overeen kwamen met de in beslag genomen handschoenen.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29
november 2024, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :
Vanmorgen omstreeks 08:50 ging ik aan het werk op [recreatiepark] . Ik werk hier als onderhoudsmedewerker. Ik ging direct naar chalet nummer 78 om onderhoud te doen. Ik zag bij nummer 79 dat de deuren openstonden. Ik liep naar de voordeur en ik keek naar binnen. Ik zag dat het binnen een rotzooi was. Ik zag niemand binnen. Ik hoorde geritsel uit de heg met chalet nummer 80 en 79. Ik zag dat er een man uit de heg kwam die er als volgt uit zag:- man- blank- donkere kleding- donkere doek om het gezicht en hoofd geslagen.
Ik vroeg de man wat hij hier deed. Ik hoorde de man vragen wat ik vroeg. Ik vroeg hem nogmaals wat hij hier deed. Ik hoorde hem zeggen dat hij daar gewoon liep. Ik zag dat de man zijn rechterhand in zijn rechterbroekzak ging. Hij rommelde wat in zijn zak. Ik zag dat hij een voorwerp in zijn mouw verstopte. Ik zag dat hij op mij af kwam lopen met een stevige pas. Dit kwam erg intimiderend op mij over. Ik ben hierop weggelopen. Toen ik mij een paar seconden later omdraaide zag ik dat de man al weg was. Ik hoorde wat gerommel vanuit de chalet. Ik vermoedde dat de man de chalet in was gegaan.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei
2025, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van
[verbalisant 6] :
Op 19 mei 2025 nam ik, [verbalisant 6] , op verzoek van het openbaar ministerie contact op met de eigenaar van huisje 79, te weten [naam] , en met de onderhoudsmedewerker [getuige] . Ik kreeg [naam] aan de lijn. Ze kon mij op de vraag of ze werkhandschoenen in huis had en wat voor merk/type of kleur deze hadden, vertellen dat ze dat echt niet wist. Op het moment dat ik haar het merk van de handschoenen aanreikte, was ze stellig in haar antwoord dat ze zoiets niet heeft of heeft gehad.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal identificatie sporen d.d. 10
januari 2025, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas
van [verbalisant 7] :
Uit het door het Nederlands Forensisch Instituut ingesteld vergelijkend onderzoek bleek dat de hieronder genoemde sporen zijn geïdentificeerd op het DNA profiel onder de volgende personalia:- Achternaam: [verdachte]- Voornamen: [verdachte]- Geboren: [geboortedag] 1998- Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland

SporenSpoornummer: PL0100-2024327053-99569SIN: AAST4112NLPlaats veiligstellen: binnenzijde handpalmzijde vingers, muis, rechterhandschoen

Spoornummer: PL0100-2024327053-99570SIN: AAST4113NLPlaats veiligstellen: binnenzijde handpalmzijde vingers, muis, linkerhandschoen
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek
woning d.d. 3 december 2024, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :
Bij onderzoek in de woning trof ik vingerafdrukken aan op de binnenzijde van het kozijn van het raam aan de achterzijde van de woonkamer. Deze vingerafdrukken waren gezien de stand vanaf de binnenzijde geplaatst. De papillairlijnen waren niet zichtbaar daar het handschoen gelijkende sporen betroffen (cirkels patroon). Ten behoeve van een vergelijkend handschoensporen onderzoek werden door mij deze vingerafdrukken veiliggesteld en voorzien van SIN AAKU9801NL, AAKU9802NL, AAKU9803NL.
Na dat de verbalisanten de woning hadden betreden hoorde ik dat zij mij verklaarden dat zij een schroevendraaier en een paar handschoenen in beslag hadden genomen ter waarheidsvinding. Deze schroevendraaier en handschoenen werden door mij ten behoeve van een vergelijkend sporenonderzoek veiliggesteld en voorzien van SIN AAQR3549NL en AAQR3547NL.
14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 16
december 2024, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 8] :
Veiliggestelde sporenSpoornummer: PL0100-2024327053-99569SIN: AAST4112NLRelatie met SIN: AAQR3547NLPlaats veiligstellen: binnenzijde handpalmzijde vingers, muis, rechterhandschoen
Spoornummer: PL0100-2024327053-99570SIN: AAST4113NLRelatie met SIN: AAQR3547NLPlaats veiligstellen: binnenzijde handpalmzijde vingers, muis, linkerhandschoen
15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vergelijkend handschoensporenonderzoek d.d. 24 december 2024, opgenomen op pagina 59 e.v. van
voornoemd dossier, met als bijlage foto’s van de onderzochte handschoenen (pagina 63 e.v.) inhoudende het relaas van [verbalisant 9] :
Ik, [verbalisant 9] , [functie 2] van Politie, gecertificeerd onderzoeker Schoen- en Bandsporen, Politie Eenheid Noord-Nederland, Team Forensische Opsporing, ontving van de afdeling Sporenbeheer, Team Forensische Opsporing Noord-Nederland te [plaats 3] :
[01] Een folie met daarop een handschoenafdrukspoor veiliggesteld onder spoornummer PL0100-2024327053-99390 en voorzien van SIN AAKU9801NL;[02] Een folie met daarop een handschoenafdrukspoor veiliggesteld onder spoornummer PL0100-2024327053-99391 en voorzien van SIN AAKU9802NL;[03] Een folie met daarop een handschoenafdrukspoor veiliggesteld onder spoornummer PL0100-2024327053-99389 en voorzien van SIN AAKU9803NL;[A] Een paar handschoenen, in beslaggenomen onder goednummer PLO 100-2024327053-1778335 en voorzien van SIN AAQR3547NL.

VraagstellingZijn de handschoensporen [01] t/m [03] veroorzaakt met (één van) de handschoenen [A]?

ConclusieOp grond van het vergelijkende onderzoek concludeer ik, dat het handschoenspoor [01] WAARSCHIJNLIJK is veroorzaakt met de rechterhandschoen [A].

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 29 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] ( [functie 1] bij eenheid Noord-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte), door (terwijl verdachte geboeid was en op de grond lag) zijn lichaam
- met kracht te bewegen en,
- van die [benadeelde] weg te draaien en,
- om te draaien,
terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een ski-duim en letsel aan de pink bij die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad;
2. primair
hij in de periode van 24 november 2024 tot en met 29 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente] waardebonnen en een speaker (merk: JBL), die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak en wederspannigheid. Hij heeft een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer] . Tijdens zijn aanhouding heeft verdachte met zijn handelen geen enkel respect getoond voor het gezag van de politie en ten gevolge van zijn handelen heeft verbalisant [benadeelde] lichamelijk letsel opgelopen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 10 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof naar voren zijn gekomen.
Alles afwegende acht het hof, gelet op de ernst van de feiten en de hiervoor geldende oriëntatiepunten voor strafoplegging van het LOVS, het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Beslag

Het onder 2 primair bewezenverklaarde is begaan met behulp van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven schroevendraaier en handschoenen. Deze voorwerpen behoren verdachte toe. De voorwerpen worden daarom verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het verzoek tot schadevergoeding is onderbouwd met verklaringen van de huisarts en de fysiotherapeut van de benadeelde partij. Uit deze verklaringen blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde pijn en zwellingen had aan zijn linkerhand. De fysiotherapeut spreekt over een mogelijke distorsie van de pink. Op de zitting van het hof is namens de benadeelde partij verklaard dat hij nog steeds last heeft van het letsel en zijn alledaagse en werk gerelateerde activiteiten nog niet zonder problemen kan uitvoeren.
Het hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat de benadeelde partij in aanmerking komt voor schadevergoeding. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid schatten op een bedrag van € 1.500,00, waarbij is gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde en op bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend.
Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 08-012718-24 is verdachte op 24 januari 2024 door de politierechter in de rechtbank Overijssel een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 57, 181 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 schroevendraaier
- 2 handschoenen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 november 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 24 januari 2024, parketnummer 08-012718-24, voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of
2.pagina 31.
3.pagina 33.
4.pagina 99.
5.pagina 36.
6.pagina 101.
7.pagina 46.