ECLI:NL:GHARL:2026:3295

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.355.430/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 3:4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening vordering in consignatieovereenkomst tussen fotografe en galeriehouder

De fotografe vorderde betaling van een openstaande vordering van de galeriehouder, die stelde dat deze was verrekend met zijn eigen vordering voor inlijstkosten van onverkochte werken. Het hof bevestigde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

Partijen hadden een consignatieovereenkomst waarbij de galeriehouder de inlijstkosten aan kopers doorbelastte. Na beëindiging van de samenwerking werden ingelijste, onverkochte werken geretourneerd. Het hof oordeelde dat de fotografe deze inlijstkosten zelf moet dragen, omdat de gangbare praktijk en redelijkheid en billijkheid dit vereisen.

Het hof verwierp het betoog dat de galeriehouder de lijsten had moeten verwijderen of verkopen. De vordering van de galeriehouder was voldoende gespecificeerd en niet gemotiveerd bestreden. Het hoger beroep van de fotografe werd afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt de verrekening van de vordering en wijst het hoger beroep van de fotografe af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.430/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11488062
arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1] , Duitsland
advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid
en
[verweerder] ,
mede h.o.d.n. [naam]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.L. Kale

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 3 februari 2026 heeft op 30 april 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Volgens [verzoekster] heeft [verweerder] een vordering van haar niet betaald. Zijn verweer daartegen is, dat die vordering is verrekend met een vordering van hemzelf. Het bedrag dat van zijn eigen vordering nog resteert, heeft hij van zijn kant gevorderd. Het hof zal hierna kort de feitelijke achtergrond van dat geschil weergeven, en de procedurele verwikkelingen tot aan dit arrest. Daarna zal de te nemen beslissing worden toegelicht.

3.De feiten

3.1
[verzoekster] is een internationaal bekende fotografe. De afgelopen jaren heeft [verweerder] meerdere van haar werken in zijn kunstgalerie in [woonplaats2] geëxposeerd. [verzoekster] gaf de kunstwerken in consignatie af aan [verweerder] . Zij leverde deze doorgaans zonder lijst bij hem aan. [verweerder] verzorgde dan in veel gevallen de inlijsting, waarna de kunstwerken werden verkocht. Hij berekende de kosten van het inlijsten steeds aan de kopers door.
3.2
Nadat [verzoekster] de samenwerking beëindigde, heeft zij € 3.361,34 in rekening gebracht voor eerdere verkopen door [verweerder] . Hij bestrijdt niet dat hij dit bedrag aan [verzoekster] diende te betalen, maar meent dat deze schuld te niet is gegaan door verrekening met een eigen vordering van € 3.560,51 voor de inlijsting van geretourneerde werken. In essentie gaat het geschil erover of deze kosten voor [verzoekster] rekening komen en dus of het door [verweerder] gevoerde verrekeningsverweer opgaat.

4.De procedures

4.1
Omdat partijen er niet in slaagden dat geschil onderling op te lossen, heeft [verzoekster] bij de kantonrechter gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van haar vordering, vermeerderd met rente en kosten (onder meer € 1.250 aan incassokosten). [verweerder] heeft daar eigen vorderingen tegenovergesteld: (i) betaling van het restant dat na verrekening van
zijnvordering nog resteert (€ 199,17), (ii) retourneringskosten van de foto’s (€ 483,96) en (iii) kosten en schade door het onrechtmatig instellen van de eerdere revindicatieprocedure (€ 2.633,29).
4.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [verzoekster] afgewezen en haar (enkel) veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van € 199,17 met rente. De bedoeling van haar hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [verweerder] heeft zijn vordering vermeerderd voor het geval aan zijn beroep op verrekening wordt voorbijgegaan. In die situatie vordert hij dat [verzoekster] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.560,51, vermeerderd met rente en kosten.
4.3
Tegen deze eiswijziging is op zichzelf geen bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet geen procedurele belemmeringen. De wijziging wordt daarom toegestaan.

5.De beslissing van het hof en de toelichting daarop

De beslissing
5.1
Het hof zal beslissen dat het bestreden vonnis in stand blijft en licht dat hierna toe.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht
5.2
Zoals de kantonrechter al constateerde, heeft deze zaak een internationaal karakter, omdat [verzoekster] in Duitsland woont. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De kantonrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat dat het geval is, en ook dat Nederlands recht van toepassing is. Omdat het hier blijkens de stellingen van partijen om consignatie gaat en niet om de koop van zaken (in dit geval kunstwerken), kan aan de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag op de rechtsverhouding van partijen voorbij worden gegaan. [1]
Uitleg van de afspraken die over het inlijsten zijn gemaakt
5.3
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] met instemming van [verzoekster] de inlijsting verzorgde van foto’s die zij aan hem in consignatie gaf, en dat het – uitzonderingen daargelaten - niet mogelijk was foto’s te exposeren als ze niet waren ingelijst. Dat inlijsten gebeurde in overeenstemming met voorstellen die [verzoekster] aan het begin van de samenwerking heeft gedaan. Vast staat ook (onvoldoende is bestreden) dat [verweerder] de kosten van het inlijsten steeds aan de koper in rekening bracht en zijn courtage niet mede over die kosten berekend werd.
5.4
Verder staat vast (i) dat [verzoekster] , die de beurzen heeft bezocht waar het ingelijste werk hing, nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze van inlijsten, (ii) dat [verweerder] geen kosten aan derden in rekening heeft kunnen brengen van lijsten voor de werken die ten tijde van de beëindiging van de samenwerking nog niet waren verkocht, en (ii) dat [verweerder] die ingelijste werken aan [verzoekster] heeft geretourneerd. De vraag die dan moet worden beantwoord, is of [verzoekster] deze kosten aan [verweerder] moet vergoeden. Dat is inderdaad het geval. Het hof licht dat hierna toe.
5.5
De door het sluiten van een overeenkomst tussen contractspartijen ontstane rechtsverhouding wordt niet alleen beheerst door hetgeen zij met elkaar hebben afgesproken, maar ook door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Uit die eisen vloeit voort dat contractspartijen niet alleen tijdens het uitvoeren van hun overeenkomst, maar ook bij de afwikkeling respectievelijk na afloop ervan in voldoende mate rekening hebben te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en verwachtingen. [2] Al naar gelang de omstandigheden blijven zij elkaar een zekere mate van loyaliteit verschuldigd. Dit kan zich vertalen in de constatering dat uit de aanvullende redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro) een of meer additionele verplichtingen zijn voortgevloeid die de contractspartijen bij de afwikkeling van hun relatie in acht moeten nemen.
5.6
Van doorslaggevend belang bij de beantwoording van de vraag waar dat in deze zaak toe moet leiden, is dat de gangbare praktijk die gedurende ongeveer vier jaren tussen partijen heeft bestaan en zoals die uit de stukken naar voren komt, er mede uit bestond dat [verweerder] de kosten van het inlijsten van verkocht werk met medeweten en instemming van [verzoekster] aan de koper doorbelastte. Die kosten kwamen dan dus niet voor zijn rekening. Dat is in overeenstemming met het door [verzoekster] zelf ingenomen standpunt dat [verweerder] deze kosten altijd voorschoot (Memorie van Grieven onder 3.4, laatste alinea).
5.7
Deze kosten werden ook niet door [verweerder] betrokken in de procentuele berekening van courtage. Het hof is het met hem eens dat, gegeven deze gangbare praktijk, waarbij de kosten van het inlijsten naar de kopers van het werk plachten te worden ‘verlegd’, hij er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij voor die kosten niet zelf zou dienen op te draaien na beëindiging van de samenwerking met [verzoekster] en de daaraan verbonden verplichting niet verkocht werk te retourneren. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen, dan mee dat [verzoekster] die kosten zelf voor haar rekening zal moeten nemen.
5.8
Het hof volgt [verzoekster] evenmin in het betoog dat [verweerder] de lijsten van de onverkochte kunstwerken af had moeten halen en had moeten verkopen aan derden. Het hof is het met [verweerder] eens dat van hem niet gevergd kon worden om van ieder te retourneren kunstwerk de lijst los te halen, maar te zien of dit wel zonder beschadiging zou lukken en vervolgens te proberen daar een koper voor te vinden. Dit geldt te minder nu door [verzoekster] niet gemotiveerd is weersproken dat elk van deze lijsten op de omvang van het betreffende werk was afgestemd en in dat licht allerminst vanzelf spreekt (vgl. artikel 3:4 BW Pro) dat [verweerder] van die lijsten überhaupt nog eigenaar was en daarover dus beschikkingsmacht had. [3]
5.9
[verweerder] heeft zijn vordering voldoende gespecificeerd. Nu die onderbouwing niet gemotiveerd is bestreden, moet de conclusie luiden dat de tegenvordering van [verweerder] ook voor het hof is komen vast te staan. De vraag of zijn vordering eveneens zou kunnen worden gebaseerd op de door hem gehanteerde en beweerdelijk met [verzoekster] overeengekomen algemene voorwaarden, op expliciete telefonische afspraken, of op hetgeen binnen de branche gebruikelijk is, kan om die reden onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor het beroep op het leerstuk ongerechtvaardigde verrijking dat [verweerder] nog heeft gedaan.
De conclusie
5.1
Het hoger beroep van [verzoekster] slaagt niet. Omdat zij in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Aan de beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde vordering van [verweerder] komt het hof niet toe.

6.De beslissing

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 16 april 2025;
6.2
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] :
€ 362 aan griffierecht
€ 1.108 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:872.
2.Vgl. onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG1569, NJ 1997/685 en HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8442, NJ 2004/117.
3.Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/65.