Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3327

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.358.731
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.47 WVO 2020Art. 8.9 WVO 2020Art. 6:162 lid 2 BWArt. 6:163 BWArt. 3 lid 1 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bekostiging passend onderwijs bij particulier onderwijs

De zaak betreft een kort geding over de bekostiging van passend onderwijs voor een minderjarige die onderwijs volgt bij een particuliere instelling, Maupertuus. De ouders vorderden dat het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs (SWV) en de school CLV de kosten van dit onderwijs zouden blijven betalen, gebaseerd op een experimenteerregeling en een onderwijszorgarrangement.

De voorzieningenrechter wees de primaire vordering af maar kende een subsidiaire schadevergoeding toe. Het hof oordeelt anders: de experimenteerregeling is niet bedoeld voor financiering van particulier onderwijs dat volledig is uitbesteed aan een particuliere instelling. Nakoming van de overeenkomst kan niet worden verlangd en er is geen sprake van onrechtmatig handelen door SWV.

Het hof benadrukt dat particuliere scholen zijn uitgesloten van deelname aan het experiment en dat bekostiging niet mag worden overgeheveld naar particulier onderwijs. De ouders konden geen recht ontlenen aan de intenties in de overeenkomst en er is geen passend alternatief vastgesteld. De vorderingen van de ouders worden afgewezen, zij worden veroordeeld tot terugbetaling van een voorschot en tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de ouders af en veroordeelt hen tot terugbetaling van een voorschot en betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.731
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 592292
arrest in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
Stichting Samenwerkingsverband Passend Onderwijs VO Barneveld- Veenendaal
gevestigd in Ede
appellante in principaal hoger beroep
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep
hierna ook: SWV
advocaat: mr. I.A. Hoen
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]
beiden wonende in [woonplaats]
geïntimeerden in principaal hoger beroep
appellanten in incidenteel hoger beroep
hierna ook: de ouders
advocaat: mr. D.M.N. Metry

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
SWV heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis van 25 juli 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. [1] De procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarin opgenomen de grieven van SWV
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van de ouders
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van SWV
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is gehouden.
1.2
Deze zaak is door rolvoeging tegelijk behandeld met een soortgelijke zaak van andere ouders tegen SWV (zaaknummer 200.358.732).
1.3
Partijen hebben arrest gevraagd.

2.De kern van de zaak

2.1
[de minderjarige] is de nu 15-jarige zoon van de ouders. [de minderjarige] was in het schooljaar 2024-2025 ingeschreven bij het Christelijk Lyceum in Veenendaal (CLV) en volgde onderwijs bij de particuliere instelling Maupertuus in Driebergen. SWV en CLV betaalden voor dit onderwijs dat gegrond was op het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen. De zorgkosten van Maupertuus werden gedragen door het Centrum Jeugd en Gezin (CJG). Het onderwijsarrangement was neergelegd in een Overeenkomst Onderwijs-Jeugd-Arbeidsarrangement. In december 2024 heeft SWV in een brief aan de ouders gemeld dat deze tijdelijke experimenteerregeling dit schooljaar afliep en dat met ingang van het schooljaar 2025-2026 op zoek moest worden gegaan naar een andere oplossing voor passend (speciaal) onderwijs voor [de minderjarige] . Hiermee waren de ouders het niet eens.
2.2
De ouders hebben in mei 2025 bij de voorzieningenrechter gevorderd, primair, dat SWV en CLV (die in hoger beroep geen partij meer is) een passende onderwijsplek bieden voor [de minderjarige] . Daarmee bedoelden zij dat het onderwijs bij Maupertuus wordt voortgezet en bekostigd door SWV en CLV. Subsidiair hebben zij een voorschot op de schadevergoeding gevorderd, waarmee het onderwijs bij Maupertuus door de ouders kon worden betaald.
2.3
De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering afgewezen en de subsidiaire vordering tegen SWV toegewezen. SWV is het niet eens met de toewijzing van de subsidiaire vordering en de ouders zijn het niet eens met de afwijzing van hun primaire vordering. De zaak ligt dus in volle omvang aan het hof voor, binnen de beperkte beslissingsruimte die er is in kort geding.
2.4
Het hof beslist anders dan de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van de ouders tot nakoming van de overeenkomst en schadevergoeding af. Het hof licht dit oordeel hieronder toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
SWV is een bij wet (artikel 2.47 WVO 2020) ingestelde privaatrechtelijke rechtspersoon waarbij acht schoolbesturen voor voortgezet onderwijs (vo) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) in de regio Barneveld en Veenendaal (verplicht) zijn aangesloten. SWV heeft als taak om met de aangesloten schoolbesturen te zorgen voor een dekkend ondersteuningsaanbod, opdat voor alle kinderen met een ondersteuningsbehoefte een passend onderwijsaanbod is in de (eigen) regio. CLV is een bijzondere school voor voorgezet onderwijs dat bekostigd wordt uit overheidsmiddelen. Het bevoegd gezag van CLV heeft een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en is verantwoordelijk voor het bieden van passend onderwijs aan de betreffende leerling dan wel het zoeken naar een andere, passende plek (artikel 8.9 WVO 2020). Maupertuus is een particuliere onderwijsinstelling (een zogeheten B3-school in de zin van artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3 van de Leerplichtwet) die niet bekostigd wordt uit overheidsmiddelen.
3.2
Bij Besluit van 13 februari 2023 van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs is de aanvraag van SWV voor deelname aan het ‘experiment onderwijszorgarrangementen’ goedgekeurd. Het experiment loopt van 1 januari 2023 tot 1 januari 2028 waarna een evaluatie plaatsvindt. Aan deze deelname ligt ten grondslag het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen van 2022 (en de daaraan gekoppelde Uitvoeringsregeling). Het Besluit regelt dat het bevoegde gezag van scholen in het funderend onderwijs (waarmee wordt gedoeld op het primair en voortgezet onderwijs) en samenwerkingsverbanden passend onderwijs met een onderwijszorgarrangement kunnen deelnemen aan een experiment waarmee mag worden afgeweken van een aantal wettelijke voorschriften. Dit zijn wettelijke voorschriften die zien op onderwijstijd, kerndoelen, onderwijslocatie en bekostiging om jongeren met complexe ondersteuningsbehoeften maatwerk te bieden op het gebied van onderwijs en zorg. In de toelichting bij artikel 1 van Pro het Besluit staat opgenomen dat “
particuliere (niet van rijkswege bekostigde) scholen zijn uitgesloten van deelname aan en uitvoering van het experiment. Het is wettelijk niet toegestaan om bekostiging over te hevelen naar particulier onderwijs. Ook verwijst de regering naar het briefadvies van de Onderwijsraad, waarin het wordt afgeraden om bekostiging over te hevelen naar particulier onderwijs vanwege het risico van uitholling van het publieke stelsel.” [2]
3.3
[de minderjarige] is vastgelopen (in groep 7-8) in het basisonderwijs. Hij liep het risico volledig thuis te zitten. Vanaf januari 2023 volgde hij onderwijs bij Maupertuus. Omdat [de minderjarige] voor het schooljaar 2024-2025 nog niet kon terugkeren naar het regulier voortgezet onderwijs (dat bekostigd wordt uit de overheidsmiddelen) is de Overeenkomst Onderwijs-Jeugd-Arbeidsarrangement (verder: Overeenkomst OJA) tot stand gekomen met ondertekening namens SWV door de voorzitter Commissie Toewijzing en Plaatsing, de ouders, CLV en Maupertuus. De bekostiging van dit onderwijsarrangement vindt als volgt plaats: CLV stelt 95% van het bedrag voor de voor [de minderjarige] ontvangen basisbekostiging en het ontvangen leermiddelenbudget beschikbaar voor het onderwijsprogramma. SWV vult deze bedragen van basisbekostiging en leermiddelenbudget aan door middel van het arrangement tot de hoogte van het benodigde schoolgeld (dit is € 18.148 voor het onderwijsdeel van Maupertuus). De totale kosten voor het schooljaar 2024-2025 bedragen € 27.976, waarvan het zorgdeel van € 9.828 wordt betaald vanuit het CJG.
3.4
Per brief van 18 december 2024 heeft SWV de ouders gemeld dat de tijdelijke indicatie (de experimenteerregeling) dit schooljaar (2024-2025) afloopt en dat met ingang van het nieuwe schooljaar (2025-2026) gezocht moet worden naar een ander passend vervolg voor [de minderjarige] . Daarna hebben de ouders en SWV (met nog andere instanties) hierover overleg gevoerd maar zij zijn niet tot een eenduidige keuze gekomen voor passend onderwijs. [de minderjarige] is onderwijs blijven volgen op Maupertuus.
3.5
Bij besluit van 28 november 2025 is [de minderjarige] verwijderd van en uitgeschreven bij CLV; het bezwaar hiertegen van de ouders is op 2 maart 2026 ongegrond verklaard.
Spoedeisend belang?
3.6
Het gaat hier om een kort geding waarbij voorop staat dat sprake moet zijn van een spoedeisend belang bij de eisende partij bij een voorlopige voorziening en waarbij wat betreft een geldvordering bovendien terughoudendheid moet worden betracht. Ook in hoger beroep moet het hof ambtshalve beoordelen of de eisende partij nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. De ouders, die incidenteel hoger beroep hebben ingesteld, hebben belang bij een spoedige voorziening voor het komende schooljaar 2026-2027 in verband met de financiering van Maupertuus.
Het incidenteel hoger beroep van de ouders
3.7
Het hof ziet aanleiding om eerst het incidenteel hoger beroep van de ouders te beoordelen. Zij vorderen primair nakoming van de Overeenkomst OJA, waartoe in ieder geval behoort het voldoen van de in die overeenkomst gespecificeerde geldelijke verwijzing. Zij baseren dit op de genoemde overeenkomst en de daaraan verbonden intentie (en de bij hen gewekte gerechtvaardigde verwachtingen) om deze constructie zoveel jaren te laten voortduren zolang dat voor [de minderjarige] nodig is (tot 2028). Subsidiair vorderen de ouders schadevergoeding als nakoming van de Overeenkomst OJA niet mogelijk is, met als grondslag hiervoor wanprestatie (toerekenbare tekortkoming) en/of onrechtmatige daad.
SWV heeft tegen beide vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd.
Nakoming van de Overeenkomst OJA?
3.8
De Overeenkomst OJA hangt samen met de deelname van SWV aan de experimenteerregeling als hierboven weergegeven onder 3.2. Onder het kopje “Afspraken” in de Overeenkomst OJA staat onder meer:
[de minderjarige] staat gedurende schooljaar 2024-2025 ingeschreven op het CLV, maar zal deelnemen aan het lesprogramma op Maupertuus.
De inschrijving bij het CLV ter ondersteuning van het onderwijsaanbod bij Maupertuus garandeert niet vanzelfsprekend een inschrijving bij het CLV voor de daaropvolgende schooljaren.
Het CLV is bereid vanuit hun expertise (…) gedurende het schooljaar 2024-2025 met ouders en samenwerkingsverband mee te kijken op de onderwijsbehoeften van [de minderjarige] , om te bepalen welk onderwijsaanbod na Maupertuus voor hem passend is en welke onderwijsinstelling kan voorzien in het onderwijsaanbod.
(…)
Vervolg schoolloopbaan
Gedurende het schooljaar 2024-2025 (en uiterlijk in april 2025) formuleert Maupertuus een advies ten aanzien van een passende plek in schooljaar 2025-2026 en waar mogelijk daarna. (…)
Partijen spreken af dat de inschrijving van [de minderjarige] bij Maupertuus onder bovengenoemde voorwaarden vooralsnog geldt voor de periode 1 augustus 2024 tot en met 31 juli 2025.
De inschrijving van [de minderjarige] bij Maupertuus is onder vigerende wetgeving (i.c. Experimenteerregeling OnderwijsZorgArrangementen) mogelijk tot uiterlijk 1-1-2028. Partijen geven aan zich hiervan bewust te zijn en te blijven voorbereiden op een overstap van [de minderjarige] naar een vorm van meer regulier onderwijs op een nader te bepalen moment.
Partijen spreken de intentie uit bereid te zijn de inschrijving van [de minderjarige] bij Maupertuus te verlengen voor schooljaar 2025-2026 wanneer uit de evaluatie van voorjaar 2025 blijkt dat de stap richting een vorm van meer regulier onderwijs nog steeds te vroeg is.
3.9
Met hun vordering tot nakoming van de Overeenkomst OJA wensen de ouders te bewerkstelligen dat [de minderjarige] onderwijs kan blijven volgen bij Maupertuus tot uiterlijk 2028, waarvoor SWV (met CLV) de kosten draagt. Daargelaten het antwoord op de vraag of de Overeenkomst OJA een civielrechtelijke overeenkomst is waaruit voor de ouders verbintenissen voortvloeien waarvan in rechte nakoming kan worden verlangd, zoals de ouders betogen, oordeelt het hof voorshands als volgt. In de bepalingen van de Overeenkomst OJA, zoals beknopt hierboven weergegeven en in samenhang gelezen, leest het hof geen rechtens afdwingbare verplichting van SWV om het onderwijs van [de minderjarige] ook ná het schooljaar 2024-2025 en mogelijk tot 2028 te financieren. Voor het schooljaar 2024-2025 staat [de minderjarige] ingeschreven bij het CLV ter ondersteuning van het onderwijsaanbod van Maupertuus. Die inschrijving is niet vanzelfsprekend voor het daaropvolgende schooljaar. Maupertuus zal in het voorjaar 2025 een advies formuleren ten aanzien van een passende plek voor [de minderjarige] (dat is niet gebeurd). Het feit dat de inschrijving van [de minderjarige] bij Maupertuus mogelijk is tot 2028, is (kennelijk) opgenomen in het kader van de experimenteerregeling die tot 2028 loopt. Aan de (duur van de) experimenteerregeling zelf kunnen de ouders geen recht ontlenen dat het onderwijszorgarrangement van [de minderjarige] ook tot die datum bekostigd zou kunnen worden. De bepalingen in onderling verband gelezen, duiden voorshands veel meer op een intentie om de experimenteerregeling (de Overeenkomst OJA) onder bepaalde voorwaarden voort te zetten. Ook met die intentie, ziet het hof geen grondslag voor nakoming op grond van redelijkheid en billijkheid zoals de ouders betogen.
3.1
De ouders stellen dat hen door de voormalig bestuurder van SWV is voorgehouden dat de kinderen die gebruik maken van een onderwijszorgarrangement (onder wie [de minderjarige] ) volgens de huidige constructie onderwijs zouden kunnen blijven volgen (tot uiterlijk 2028). Voor zover de ouders bedoelen te zeggen dat zij gerechtvaardigd mochten vertrouwen op toezeggingen die zijn gedaan, kan het hof dat in het kader van dit kort geding niet vaststellen. De verklaring van de voormalig bestuurder volstaat niet om hieruit in kort geding een ten opzichte van SWV rechtens afdwingbare verplichting te kunnen vaststellen. Daarvoor is nader onderzoek en mogelijk bewijslevering nodig waarvoor in dit kort geding geen plaats is.
3.11
Een ander beletsel voor nakoming is dat de experimenteerregeling niet is bedoeld voor financiering van particulier onderwijs dat, zoals hier het geval is, geheel is uitbesteed aan Maupertuus (zie hierboven onder 3.2). Wel is inkoop en inhuur van kennis en expertise van particulier onderwijs mogelijk (zoals het inhuren van een deskundige die op school een plusklas opzet of het inkopen van lesmateriaal) [3] , maar niet het (geheel) uitbesteden van het onderwijs. Dat is hier het geval, nu [de minderjarige] het onderwijs geheel bij Maupertuus volgt. Naar voorshands oordeel van het hof kan van SWV geen nakoming worden verlangd van de experimenteerregeling (de overeenkomst OJA) die in strijd is met de wettelijke/publiekrechtelijke regels.
3.12
Concluderend oordeelt het hof dat de vordering tot nakoming van de ouders in dit kort geding niet gehonoreerd kan worden. Er is geen sprake van een (toerekenbare) tekortkoming van de zijde van SWV zodat SWV ook geen schadevergoeding moet betalen. Hun primaire vordering wijst het hof dan ook af. De vraag of het beëindigen van de experimenteerregeling onrechtmatig handelen oplevert, waarvoor de ouders schadevergoeding vorderen, komt hierna aan de orde.
Schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen?
3.13
Subsidiair vorderen de ouders schadevergoeding op de grondslag onrechtmatig handelen van SWV. Zij hebben dit als volgt uitgewerkt: SWV heeft de wettelijke plicht om een dekkend ondersteuningsaanbod te organiseren. [de minderjarige] ontvangt nu op Maupertuus passend onderwijs (en de noodzakelijke zorg). Uit eigen beweging heeft SWV het arrangement ter discussie gesteld en beëindigd. Hiermee heeft SWV zowel de wettelijke plicht uit artikel 2.47 WVO als de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW Pro) geschonden. De materiële schade van de ouders bestaat uit de kosten van Maupertuus die zij nu zelf moeten dragen (en niet kunnen betalen) en zij vorderen dan ook een bedrag van € 46.625 (€ 18.650 maal 2,5 jaar) als (voorschot op de) schadevergoeding. Zij hebben hiermee hun eis in hoger beroep vermeerderd.
De beëindiging door SWV
3.14
Met de brief van 18 december 2024 heeft SWV de ouders geïnformeerd dat de tijdelijke indicatie dit schooljaar (2024-2025) afloopt; SWV had volgens de brief de experimenteerregeling te ruim geïnterpreteerd. SWV wilde wel met de ouders in gesprek gaan over een passend vervolg met ingang van het nieuwe schooljaar (waarover hierna meer). Het hof is voorshands van oordeel dat SWV niet onrechtmatig heeft gehandeld door de experimenteerregeling ten aanzien van [de minderjarige] te beëindigen omdat deze in strijd kwam met de wettelijke/publiekrechtelijke regels en er een termijn van zes maanden was om te kunnen komen tot een passend alternatief voor Maupertuus.
Of sprake is (geweest) van een passend aanbod komt hierna aan de orde.
Passend aanbod?
3.15
Uit de overgelegde stukken volgt genoegzaam dat partijen geprobeerd hebben een ander passend aanbod te vinden, maar dat SWV (tezamen met CLV) en de ouders (gesteund door hulpverleners, CJG en Maupertuus) daarin niet zijn geslaagd. De door SWV en CLV aangeboden alternatieven voor passend onderwijs voor [de minderjarige] (het OPDC-arrangement van het SWV en de J.H. Donnerschool) hebben de ouders niet geaccepteerd; zij verwijzen hiervoor naar de opinies van de door hen ingeschakelde deskundigen. Met name vrezen zij voor hertraumatisering van [de minderjarige] als hij van school moet wisselen. Het hof kan in dit kort geding niet beoordelen (inhoudelijk toetsen) of sprake is (geweest) van een passend aanbod voor vervolgonderwijs van [de minderjarige] . De Geschillencommissie passend onderwijs (GPO) is bij uitstek een deskundige, onafhankelijke instantie om geschillen over passend onderwijs aan te kaarten en (kosteloos) een onafhankelijk oordeel/advies te krijgen. Binnen 10 weken na het aanhangig maken van een geschil geeft de GPO een advies. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is duidelijk geworden dat de ouders de bij de GPO ingediende klacht (tegen CLV) hebben ingetrokken. Voorshands staat dus niet vast dat sprake is geweest van een niet passend aanbod en dat [de minderjarige] geen perspectief had op ander passend onderwijs dan wel dat stopzetting van de financiering van Maupertuus hiertoe leidt.
3.16
Wat betreft de vrees van de ouders voor hertraumatisering bij wisseling van school heeft SWV aangevoerd dat er alle reden was om onafhankelijk onderzoek uit te voeren, maar dat dat niet heeft plaatsgevonden; de door de ouders overgelegde opinies van andere professionele hulpverleners zijn in die zin niet onafhankelijk. De ouders hebben in mei 2025 niet ingestemd met een dergelijk onderzoek, aldus SWV. Het hof constateert dat er geen onafhankelijk deskundigenonderzoek is geweest waaruit hertraumatisering van [de minderjarige] zou kunnen blijken. Alleen daarom al kan het hof hierover geen oordeel vormen. In kort geding is geen plaats voor een deskundigenbenoeming om een dergelijk onderzoek uit te laten voeren.
3.17
Tot slot merkt het hof volledigheidshalve en ambtshalve het navolgende op naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2025 [4] . Art. 3 lid 1 Internationaal Pro Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Uit de tekst van art. 3 lid 1 IVRK Pro volgt dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. Het hof heeft in dit kort geding steeds ook de belangen van [de minderjarige] betrokken, maar deze belangen kunnen niet meebrengen dat de gevraagde voorzieningen toegewezen kunnen worden. Binnen het bestek van dit kort geding wordt immers voorshands geoordeeld, kort gezegd, dat niet vaststaat dat sprake is (geweest) van een niet passend onderwijsaanbod voor [de minderjarige] ook buiten Maupertuus.
Dekkend onderwijsaanbod SWV?
3.18
De ouders voeren ook aan dat het onderwijsaanbod van SWV niet dekkend is, zich daarbij baserend op Inspectierapporten uit 2023 en 2024. Deze stelling is gemotiveerd betwist door SWV. Daargelaten dat het hof binnen het bestek van dit kort geding de gegrondheid van het verwijt van de ouders niet kan vaststellen, leidt schending van deze wettelijke verplichting (die voortvloeit uit art. 2.47 lid 2 WVO) niet tot onrechtmatige handelen van SWV jegens de ouders: de geschonden norm strekt niet tot bescherming van de (particuliere) belangen van de ouders (artikel 6:163 BW Pro).
De conclusie in het incidentele hoger beroep en het principale hoger beroep
3.19
De vorderingen van de ouders in het incidenteel hoger beroep slagen niet. Met de beoordeling van de subsidiaire vordering van de ouders in incidenteel hoger beroep is tevens een oordeel gegeven over de bezwaren van SWV in principaal hoger beroep. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er geen grondslag om SWV te veroordelen tot schadevergoeding op grond van wanprestatie (toerekenbaar tekortkomen), redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig handelen. Het hoger beroep van SWV slaagt. Dat betekent dat het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd zal worden. De vordering van SWV tot terugbetaling van het bedrag van € 10.000 met wettelijke rente, kan dan ook worden toegewezen.
3.2
Omdat de ouders in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in zowel principaal en incidenteel hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover.
3.21
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 25 juli 2025 en beslist:
4.2
wijst de vorderingen van de ouders af;
4.3
veroordeelt de ouders tot terugbetaling van het bedrag van € 10.000 aan SWV, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
4.4
veroordeelt de ouders tot betaling van de volgende proceskosten van SWV in de rechtbankprocedure:
€ 714 aan griffierecht
€ 1.107 aan salaris van de advocaat van SWV
en tot betaling van de volgende proceskosten van SWV in hoger beroep:
€ 827 aan griffierecht
€ 144,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de ouders
€ 3.225 aan salaris van de advocaat van SWV (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C. Bakker en M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Voetnoten

2.Staatsblad 2022, 449.
3.Bron: Advies van de Onderwijsraad van 8 november 2019 aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Dit advies is ook overgelegd als prod. 2 bij de conclusie van antwoord.
4.HR 28 november 2025, ECLi:NL:HR:2025:1799 in een prejudiciële beslissing over ontruiming van een woning waarin ook kinderen wonen.