Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3431

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/655
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 267 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd en maakte bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslag en kende immateriële schadevergoeding toe. Het Hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Belanghebbende tekende verzet aan en stelde dat het hoger beroep tijdig was ingediend, mede op grond van een interpretatie van de termijnstart en een beroep op het Unierecht.

Het Hof oordeelde dat de termijn voor hoger beroep zes weken bedraagt, startend op de dag na verzending van de uitspraak van de rechtbank. De termijn begon daarom op 31 januari 2025 om 00:00 uur en eindigde op 13 maart 2025 om 23:59 uur. Het hogerberoepschrift van 14 maart 2025 was dus te laat. Er waren geen omstandigheden die de te late indiening verschoonbaar maakten.

Belanghebbendes beroep op het Unierecht en het arrest Grossmania leidde niet tot een andere uitkomst. Het Hof benadrukte dat nationale procedureregels moeten voldoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, en dat redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van recht verenigbaar zijn met het Unierecht. Het arrest Grossmania verplicht niet tot een afweging tussen rechtszekerheid en legaliteit bij elke termijnoverschrijding.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof op 27 mei 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens termijnoverschrijding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/655
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 2 september 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 januari 2025, nummer ARN 22/4802, ECLI:NL:RBGEL:2025:708, in het geding tussen belanghebbende
en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur)
en
de
Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd en een vergoeding van immateriële schade van € 2.000 toegekend. Verder heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht vergoedt.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 2 september 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend en om een zitting verzocht.
1.5.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 14 april 2026 te Arnhem. Ter zitting is gehoord A.F.M.J. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende.

2.Gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende stelt allereerst dat het hoger beroep naar nationaal recht tijdig is ingediend, zodat het daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Als het Hof belanghebbende daarin niet volgt, dan stelt belanghebbende dat de kennelijk niet-ontvankelijkverklaring in strijd is met het Unierecht. Onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie (HvJ 10 maart 2022, Grossmania, ECLI:EU:C:2022:175), voert belanghebbende daartoe aan dat het Hof, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep, ten onrechte achterwege heeft gelaten een afweging te maken tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
2.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb in verbinding met artikel 6:7 van Pro de Awb zes weken. De termijn gaat op grond van artikel 6:8 van Pro de Awb in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt.
3.2.
De uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt door verzending van een afschrift daarvan aan partijen op donderdag 30 januari 2025. Belanghebbende heeft – op digitale wijze – op vrijdag 14 maart 2025 om 11:44 uur hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank.
3.3.
Belanghebbende heeft ter zake van de aanvang van de hogerberoepstermijn gesteld dat ‘met ingang van de dag’ zoals opgenomen in artikel 6:8 van Pro de Awb zo kan worden opgevat dat dit (uiterlijk) op 23:59 uur van die dag is. Volgens belanghebbende zou de hogerberoepstermijn dan starten op 31 januari 2025 om 23:59 uur. De termijn eindigt dan niet op 14 maart 2025 om 0:00 uur, maar op 14 maart 2025 om 23:59 uur. Het op 14 maart 2025 om 11:44 uur digitaal bij het Hof ingediende hogerberoepschrift is dan tijdig ingediend.
3.4.
Het Hof oordeelt als volgt. ‘Met ingang van’ een bepaalde dag moet worden begrepen als: bij het begin van die dag. [1] De aangevallen uitspraak is door de Rechtbank verzonden op donderdag 30 januari 2025. In dit geval begint de beroepstermijn daarom op vrijdag 31 januari 2025 om 00:00 uur, dus bij het begin van die dag, en eindigt deze op donderdag 13 maart 2025 na het verstrijken van het tijdstip 23.59 uur. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift te laat is ingediend.
3.5.
Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als de te late indiening verschoonbaar is. Nu belanghebbende niets heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij het hoger beroep verschoonbaar te laat heeft ingediend, is het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3.6.
Belanghebbende heeft voorts de stelling ingenomen dat de niet-ontvankelijkverklaring in strijd is met het Unierecht. Het Hof oordeelt als volgt. Nationale rechters zijn verplicht het Unierecht toe te passen. [2] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat, dan wel te motiveren waarom hij dat niet doet. [3] Voor het Hof geldt die verplichting niet. Het Hof ziet, gelet op de hierna genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3.7.
Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het bij het ontbreken van een gemeenschapsregeling aan de lidstaten is om procedureregels vast te stellen voor vorderingen in rechte, op voorwaarde dat die regels in situaties die onder het Unierecht vallen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en die regels de uitoefening van die rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). [4] Wat betreft het doeltreffendheidsbeginsel volgt eveneens uit vaste rechtspraak dat het met het Unierecht in overeenstemming is dat, in het belang van de rechtszekerheid, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht. [5] Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk.
3.8.
Nog daargelaten dat omtrent het bestaan van bijzondere omstandigheden niets is gesteld of anderszins is gebleken, kan uit het door belanghebbende aangehaalde arrest Grossmania niet worden afgeleid dat de nationale rechter, bij de beoordeling of een beroepschrift binnen de in de nationale wetgeving gestelde termijnen is ingediend, steeds een afweging moet maken tussen het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel en dat dit laatste beginsel onder alle omstandigheden voorrang heeft op het rechtszekerheidsbeginsel. Uit dit arrest volgt slechts dat het bestuursorgaan (in dit geval de Inspecteur) in bijzondere omstandigheden gehouden kan zijn een onherroepelijk geworden besluit opnieuw te onderzoeken en dat hij daarbij rekening moet houden met de bijzonderheden van de situatie en de betrokken belangen teneinde een evenwicht te vinden tussen het rechtszekerheidsvereiste en het legaliteitsvereiste.
3.9.
Gelet op het voorgaande is de niet-ontvankelijkverklaring wegens de indiening van het hogerberoepschrift na de daarvoor geldende termijn van zes weken niet in strijd met het Unierecht.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het verzet van belanghebbende ongegrond.

4.Proceskosten en griffierecht

Voor vergoeding van het griffierecht of proceskosten bestaat geen aanleiding.

5.Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. CRvB 10 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5827, en CRvB 27 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2328. Vgl. ook HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9144.
2.Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687, punt 54.
3.Vgl. HvJ 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243.
4.Zie onder meer HvJ 16 december 1976, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188, punt 5; 16 december 1976, Comet, ECLI:EU:C:1976:191, punten 13 en 16; 15 september 1998, Edis, ECLI:EU:C:1998:401 en 10 maart 2022, Grossmania, ECLI:EU:C:2022:175, punten 49 tot en met 52.
5.Zie onder meer HvJ 16 december 1976, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188, punt 5, en 16 december 1976, Comet, ECLI:EU:C:1976:191, punten 17 en 18; 27 maart 1980, Denkavit Italiana, ECLI:EU:C:1980:100, punt 23; zie eveneens arresten van 10 juli 1997, Palmisani, ECLI:EU:C:1997:351, punt 28, en 17 juli 1997, Haahr Petroleum, ECLI:EU:C:1997:368, punt 48.