ECLI:NL:GHARL:2026:3506

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
21-004060-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg met voorwaardelijke taakstraf

Op 19 juli 2022 duwde verdachte aangever meerdere malen, waardoor deze ten val kwam en een gebroken bovenbeen opliep. De mishandeling leidde tot zwaar lichamelijk letsel, waarvoor verdachte werd vervolgd.

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur en kende een beperkte schadevergoeding toe aan de benadeelde partij. Het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen. Het hof achtte het bewijs van mishandeling wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van aangever, getuigen en politie.

Het hof legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op, met een proeftijd van 2 jaar, en wees een hogere schadevergoeding toe van in totaal €19.192,85, bestaande uit materiële en immateriële schade. De straf en schadevergoeding zijn in overeenstemming met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het lange tijdsverloop in de procedure.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van 2 jaar en toewijzing van schadevergoeding van €19.192,85 aan de benadeelde partij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004060-24
Uitspraakdatum: 1 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere , van 17 september 2024 met parketnummer 16-243825-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1955 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 18 mei 2026 en het onderzoek op de zitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde (namelijk mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg) tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, bij niet verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , voor het bedrag van € 24.692,85 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Vernooij, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. D.M.S. van der Wulp, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 17 september 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van
€ 4.184,18 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het resterende deel van de gevorderde materiële schade, betreffende de posten kosten zonder nut, huishoudelijke hulp en mantelzorg, verlies zelfwerkzaamheid en verzorgingskosten heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Ook het resterende deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en andere beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dan de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juli 2022 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem meermalen tegen het lichaam te duwen en te trekken waardoor deze ten val kwam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij aangever tweemaal geduwd heeft. Op basis van de stukken van de benadeelde partij kan bewezen worden dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Ten aanzien van het beroep op noodweer(exces) heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie, aangezien de vrouw van verdachte in de verklaring bij de politie niet heeft verklaard zich bedreigd te voelen en verdachte zelf heeft verklaard aangever in de rug te hebben geduwd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit, aangezien de val, ten gevolge waarvan aangever letsel heeft opgelopen, niet aan verdachte kan worden verweten. Er zit ruimte tussen het moment van de tweede duw en de val en de getuigen verklaren allen niet precies te weten waardoor aangever viel. Aangever kan, zo blijkt ook uit de verklaringen van getuigen, zijn gestruikeld over de container die aangever pakte, de hondenriem of het gootje. Subsidiair dient verdachte te worden vrijgesproken, wegens een geslaagd beroep op noodweer. De raadsman voert hiertoe aan dat er sprake was van een concrete dreiging op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van andermans lijf. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof van oordeel is dat de verdedigingshandeling van verdachte niet in proportie staat tot het dreigende geweld door aangever, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging door de dreigende aanval van aangever. Verdachte heeft zich hiertegen verdedigd door aangever tweemaal van zijn erf weg te duwen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van aangever door hem meermaals te duwen, als gevolg waarvan aangever ten val kwam en aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het door de verdediging gevoerde verweer, primair en subsidiair strekkende tot vrijspraak en meer subsidiair strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. [1]
Feiten en omstandigheden
Op 19 juli 2022 was aangever zijn hond aan het uitlaten in de wijk in [plaats] waar hij woonachtig is. De hond had zijn behoefte gedaan ter hoogte van het perceel waar verdachte destijds woonachtig was, te weten de [straat] . Aangever ruimde de uitwerpselen van de hond op en draaide zich om en vervolgde zijn weg, waarna hij een vrouw achter hem hoorde schreeuwen. Aangever kon de vrouw niet goed horen, waarop hij zich omdraaide en naar haar toe liep. Aangever zag dat de vrouw voor het huis op het perceel [huisnummer] zat. Verdachte zat naast de vrouw op het perceel. Toen aangever bij haar stond hoorde hij haar zeggen dat hij zijn hond in haar tuin had laten poepen. Aangever gaf aan dat hij het had opgeruimd en liet haar het zakje zien. Er ontstond een woordenwisseling tussen aangever en de vrouw en verdachte, waarbij over en weer werd geschreeuwd en gescholden. Aangever draaide zich om en liep weg. Aangever hoorde verdachte zeggen dat hij zijn vrouw met rust moest laten en niet moest aanraken. Aangever verklaart dat hij niet in de buurt van de vrouw is gekomen. Aangever voelde dat verdachte hem een duw gaf. Aangever zag een container voor hem staan en pakte deze vast. Aangever verklaart deze container achter hem te hebben getrokken, om zichzelf te beschermen voor de verdachte. Verdachte pakte aangever bij de schouders en duwde hem naar voren. Aangever is ten val gekomen. Toen aangever op de grond lag zag hij dat zijn been scheef stond en hij kon niet opstaan. Het lukte niet om het onderbeen te bewegen. [2] Aangever heeft op 11 augustus 2022 aanvullend tegenover een verbalisant verklaard dat hij direct nadat hij werd geduwd door verdachte ten val kwam. [3]
Verbalisant wordt op 19 juli 2022 omstreeks 18:30 uur opgeroepen om naar de [straat] in [plaats] te gaan. Aldaar zag verbalisant een man liggen op de weg naar de woning van de [straat] . De man op de grond, aangever, verklaarde dat hij ruzie met de buurman van [straat] had gekregen. De ruzie ging over het feit dat de hond van aangever op het terrein van de buurman zou hebben gepoept. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling. Verbalisant hoorde dat aangever zei dat hij door een duw op de grond was beland en dat hij daar zijn letsel aan over gehouden had. Aangever is vlak daarna nagekeken door het ambulancepersoneel en meegenomen in verband met zijn letsel.
De bewoner van [straat] , verdachte, verklaarde dat het terrein waarop de hond de behoefte deed aan hem toebehoorde. Dit is al langer onderwerp van discussie, waarbij de buurtbewoners zijn erfgrenzen niet accepteren. Er ontstond een woordenwisseling tussen verdachte en aangever. Toen aangever zijn erf opliep heeft verdachte hem geduwd. Verdachte zei dat hij aangever inderdaad een aantal keer geduwd had. [4]
[getuige] verklaart op 19 juli 2022 tegenover de politie dat zij getuige is geweest van het incident aan de [straat] in [plaats] . Zij liep in haar woning de trap op om haar kinderen op bed te leggen. Getuige keek uit het raam. Zij heeft vrij zicht op de woning aan de [straat] die zich tegenover haar woning bevindt. Tussen de woning van getuige en de [straat] zit nog een stuk weiland. Getuige zag dat er twee mannen ongeveer half op het erf van de [straat] stonden. Ze stonden met het gezicht tegenover elkaar. Getuige herkende verdachte als de bewoner van [straat] . Getuige zag dat verdachte de andere man met twee handen een duw gaf en dat deze man achteruitliep terwijl hij een duw kreeg. Getuige zag dat de man achteruit liep. Getuige zag dat verdachte de andere man nogmaals een harde duw met twee handen ter hoogte van de borst gaf. Op dat moment riep getuige haar man en zei “dit is echt niet oké, dit is niet goed hoor”. De getuige zag dat de man op de grond viel. [5]
Op 11 augustus 2022 zijn in het kader van een buurtonderzoek twee niet met naam genoemde getuigen gehoord. De identiteit is wel bij de verbalisant bekend. Getuige 1 verklaart te hebben gezien dat verdachte aangever naar achteren duwde. Getuige heeft niet helemaal meegekregen hoe het precies gebeurde. Getuige zag dat aangever viel en een aantal keer hard om hulp schreeuwde. [6] Getuige 2 hoorde lawaai komen vanaf de woning aan de [straat] . Getuige zag dat de vrouw van verdachte met armgebaren in gesprek ging met aangever. Getuige hoorde dat aangever luid begon te schelden en het pad van de woning op liep. Getuige zag dat verdachte op dat moment kwam aanlopen en een korte woordenwisseling had met aangever. Getuige zag dat aangever zich omdraaide en aanstalten maakte om weg te gaan. Vervolgens zag getuige dat verdachte aangever een duw gaf in de richting van de parkeerplaats. Getuige weet niet of verdachte daarna nog een keer geduwd heeft. Getuige zag dat verdachte en aangever ongeveer ter hoogte van de containers van de oprit van de woning kwamen. Aangever pakte met zijn rechterhand een zwarte container vast. Getuige zag dat verdachte toen achter aangever stond. Het leek alsof aangever steunde op de container. Getuige zag dat verdachte aangever nog een duw gaf en dat aangever vrijwel direct daarna op de grond viel. [7]
Betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen
Vooropgesteld wordt dat in alle strafzaken verklaringen kritisch en zorgvuldig moeten worden bezien. Verklaringen moeten onder meer worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
[getuige] heeft kort na het incident, op de dag zelf, een verklaring afgelegd. Hoewel sprake is van een behoorlijke afstand van haar woning tot aan de plaats van het incident – volgens de door de verdediging overgelegde kaart gaat het om ongeveer 140 meter – ziet het hof geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. [getuige] heeft in haar verklaring toegelicht dat zij op dat moment vanaf het raam op de bovenverdieping vrij zicht had op de woning van verdachte. Ze verklaart ook over de (door haar groter geschatte) afstand tussen haar woning en de woning van verdachte (dan 140 meter). Desalniettemin heeft ze concreet en gedetailleerd verklaard over wat ze heeft gezien. Ze heeft bovendien verklaard dat ze haar man riep en dat haar man vervolgens naar het incident is gegaan, terwijl zij in de woning bij de kinderen bleef. De verdediging heeft naar voren gebracht dat getuige [getuige] (on)bewust is beïnvloed door berichten op Facebook over de toedracht van het incident en een bericht van het bestuur van de VvE uit de buurt. Het hof gaat hieraan voorbij. [getuige] is immers om 18.45 uur, zo’n 20 minuten na het incident, door de politie gehoord, terwijl ze heeft verklaard dat zij na het incident in haar woning is gebleven. Het hof ziet gelet daarop geen grond om aan te nemen dat zij voor wat betreft deze verklaring is beïnvloed door anderen.
De niet met naam genoemde getuigen hebben beiden verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte aangever meermaals heeft geduwd en dat aangever ten val is gekomen. Het hof ziet ook met betrekking tot deze verklaringen geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid ervan te twijfelen. Het hof betrekt daarbij het volgende. De in het proces-verbaal niet met naam genoemde getuigen zijn – net als [getuige] – bij de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van hen bij de rechter-commissaris leiden er niet toe dat vraagtekens worden gezet bij de (betrouwbaarheid) van de eerder door hen tegenover de politie gegeven verklaringen. Het hof gebruikt de verklaringen die afgelegd zijn tegenover de politie voor het bewijs, omdat deze kort na het incident zijn afgelegd hetgeen in zijn algemeenheid de betrouwbaarheid vergroot. Het hof heeft daarbij betrokken, dat het incident veel teweeg heeft gebracht in de buurt, dat er berichten zijn gedeeld over (de toedracht van) het incident op sociale media en dat het bestuur van de Vereniging van Eigenaren heeft gemeend een bericht te moeten delen over (de toedracht) van het incident in de buurt. Gelet ook daarop gaat het hof uit van de verklaringen die kort na het plaatsvinden van het incident zijn afgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de getuigen op het moment dat zij verklaringen hebben afgelegd tegenover de politie zijn beïnvloed door anderen of niet naar waarheid hebben verklaard.
De verklaring van aangever dat hij direct nadat hij werd geduwd door verdachte ten val kwam wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] en de in het proces-verbaal niet met naam genoemde getuigen. Bovendien blijkt uit deze verklaringen dat verdachte en aangever bij elkaar in de buurt stonden op het moment van de val van aangever.
De verklaring van verdachte verschilt daarvan. Verdachte verklaart aangever tweemaal te hebben geduwd, maar volgens verdachte zou aangever niet door zijn toedoen zijn gevallen. Verdachte verklaart daarover bij de politie dat hij ten tijde van de val ‘al een meter stil stond’. Op zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat ten tijde van de val sprake was van een afstand tussen hem en aangever van ongeveer 10 à 12 meter. Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het onaannemelijk dat er een dusdanige afstand tussen verdachte en aangever bestond ten tijde van de val, waardoor aangever niet ten gevolge van de duw ten val zou zijn gekomen. Het hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat verdachte wisselend heeft verklaard over die afstand. Al met al gaat het hof er gelet op het voorgaande vanuit dat verdachte de aangever meermalen heeft geduwd waardoor aangever ten val kwam.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van de vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij de vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren. [8]
In hoger beroep staat niet ter discussie dat het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Ten gevolge van het duwen door verdachte is aangever gevallen en is zijn bovenbeen gebroken. Uit de medische informatie in het dossier leidt het hof af dat aangever geopereerd is aan zijn bovenbeen en dat hier stalen pinnen in zijn geplaatst. Uit de slachtofferverklaring op de zitting van het hof blijkt dat aangever nog steeds de gevolgen ondervindt van de beenbreuk. Dit letsel dient naar het oordeel van het hof gezien de aard en de gevolgen ervan voor aangever naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. [9]
Noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op noodweer is ingevolge artikel 41, eerste lid, Sr vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof acht de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht, namelijk dat aangever op de vrouw van verdachte afstormde en zijn hand ophief, niet aannemelijk geworden. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uit de bewijsmiddelen komt bovendien naar voren dat het verdachte is geweest die als eerste meerdere geweldshandelingen heeft gebruikt, te weten meerdere forse duwen, waarbij in ieder geval de laatste duw op een moment heeft plaatsgevonden dat aangever van verdachte afliep, respectievelijk zich terugtrok. Het hof ziet het handelen van verdachte naar de kern bezien als aanvallend, gericht op een confrontatie met aangever.
Het hof verwerpt het beroep op noodweer. Daarmee kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen, nu niet vast is komen te staan dat er sprake was van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Conclusie
Gelet op voorgaande acht het hof – evenals de politierechter – dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling van aangever met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 19 juli 2022 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem meermalen tegen het lichaam te duwen waardoor deze ten val kwam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen ten gevolge heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, bij niet verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op de zitting van het hof primair verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, geen straf op te leggen wegens de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de omstandigheid dat verdachte first offender is en het lange beloop voordat de behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van aangever, door hem tweemaal te duwen, als gevolg waarvan aangever ten val is gekomen en zijn bovenbeen heeft gebroken. Aangever ondervindt tot op heden de gevolgen van de beenbreuk.
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar het strafblad van verdachte van 28 augustus 2024. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof weegt dit dan ook niet in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn gebleken. Het incident heeft veel teweeggebracht in de buurt. Over het incident zijn berichten gedeeld op sociale media en door het bestuur van de Vereniging van Eigenaren. Verdachte heeft op zitting toegelicht dat de situatie impact heeft gehad op het welzijn van zijn vrouw en grote gevolgen heeft gehad voor hen beiden. Verdachte en zijn vrouw hebben hun huis inmiddels verkocht en wonen nu op zolder bij hun dochter in een andere woonplaats. De gevolgen voor verdachte en zijn vrouw van het incident zijn daarmee ook groot.
Het hof heeft verder de indruk, zoals ook door verdachte ter zitting is toegelicht, dat hij de gevolgen die het incident voor benadeelde hebben meegebracht betreurt.
Gelet op de ernst van het feit dient in beginsel een straf te worden opgelegd. Het hof acht het daarom niet passend om geen straf op te leggen. Het daartoe strekkende verzoek van de raadsman wordt daarom afgewezen.
Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het forse tijdverloop, het feit dat verdachte first offender is en de gevolgen van de gebeurtenis voor beide partijen echter aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen. Evenals de politierechter acht het hof een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden met ruim twee maanden, maar vanwege de aard en hoogte van de op te leggen straf zal het hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en leidt die overschrijding niet tot strafvermindering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 28.442,85, waarvan een bedrag van €17.942,85 aan materiële schade, bestaande uit:
- € 248,00 ter zake van ziekenhuisdaggeldvergoeding;
- € 2.271,64 ter zake van niet-verzekerde medische kosten;
- € 842,93 ter zake van kosten zonder nut;
- € 929,58 ter zake van kosten medisch advies;
- € 2.583,92 ter zake van verlies zelfwerkzaamheid;
- € 423,66 ter zake van verzorgingskosten;
- € 311,30 ter zake van reis- en parkeerkosten;
- € 10.331,82 ter zake van huishoudelijke hulp en mantelzorg
en € 10.500,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade toegewezen tot een bedrag van €4.181,85. Ten aanzien van het resterende deel van de gevorderde materiële schade, te weten de posten kosten zonder nut, huishoudelijke hulp en mantelzorg, verlies zelfwerkzaamheid en verzorgingskosten heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
De politierechter heeft een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade toegewezen. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat door het Schadefonds een bedrag van € 3.750,00 is uitgekeerd en dat de vordering tot de hoogte van die uitkering in mindering wordt gebracht op de vordering benadeelde partij. Voor het overige heeft de benadeelde partij aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag wordt gevorderd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Ten aanzien van de kosten zonder nut heeft de benadeelde partij in hoger beroep nader onderbouwd dat hij gedurende de gestelde periode geen gebruik heeft kunnen maken van de gereserveerde campingplek. Gelet op deze (nadere) onderbouwing is de gestelde schade onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele omstandigheid dat de factuur aan de partner van de benadeelde partij met wie hij een gezamenlijke huishouding voert zou zijn verstuurd brengt niet mee dat de benadeelde partij de gestelde schade niet (mede) heeft geleden.
Ten aanzien van de huishoudelijke hulp en mantelzorg stelt het hof vast dat door de benadeelde partij nader is onderbouwd dat aangever een groter aandeel dan zijn partner van 70% had in de huishoudelijke taken. Gelet op deze (nadere) onderbouwing en de overige feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering en in voldoende mate zijn komen vast te staan acht het hof deze schadepost toewijsbaar. Het gegeven dat door de benadeelde partij niet nader is onderbouwd welke kosten van huishoudelijke hulp en mantelzorg precies zijn gemaakt leidt niet tot een ander oordeel, nu de benadeelde partij zijn schade heeft begroot met verwijzing naar de Richtlijn Huishoudelijke Hulp 2022 van de Letselschade Raad met inachtneming van de daarvoor geldende normbedragen en redelijk te achten uitgangspunten.
Ten aanzien van het verlies van zelfredzaamheid stelt het hof vast dat de benadeelde partij nader heeft onderbouwd dat de benadeelde partij het onderhoud aan de woning waaronder het schilderwerk en tuinonderhoud altijd grotendeels zelf heeft gedaan. Gelet op deze (nadere) onderbouwing is de gestelde schade en de overige feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. De omstandigheid dat de benadeelde partij geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden verricht moesten worden, waarop het aantal uren is gebaseerd en de mate van beperking van aangever leidt niet tot een ander oordeel. Uit de overgelegde medische stukken volgt immers dat de benadeelde partij in ieder geval gedurende de periode waarop de vordering ziet beperkt is geraakt in het doen van klussen in en rondom zijn woning. De benadeelde partij heeft zijn schade begroot op basis van de Richtlijn Verlies Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad 2022 en het gevorderde bedrag is redelijk te achten.
Ten aanzien van de verzorgingskosten heeft de verdediging aangevoerd dat iedere vorm van nadere specificering ontbreekt. Het hof is van oordeel dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat in dit verband schade is geleden. De gevorderde schade is redelijk te achten.
Het hof komt tot de slotsom dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en in het licht van die onderbouwing onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het hof wijst de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade van € 17.942,85 daarom toe. Nu de verdediging inhoudelijk heeft gereageerd op de aanvullende stukken van de benadeelde partij ziet het hof geen aanleiding om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Beide partijen hebben immers in voldoende mate de gelegenheid gehad om met betrekking tot hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering genoegzaam naar voren te brengen en het inhoudelijk debat over de diverse posten heeft ook plaatsgehad.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt. Uit de artikelen 6:95 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat uitsluitend in limitatief in de wet opgesomde gevallen aanspraak bestaat op immateriële schadevergoeding, ook genaamd ‘smartengeld’. Voor zover in deze zaak relevant heeft de benadeelde alleen recht op vergoeding van immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit het onderzoek op de zitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er naar aanleiding van het incident zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer is ontstaan. Tot op heden ondervindt het slachtoffer de gevolgen van de klachten die zijn ontstaan door de mishandeling, zoals ook blijkt uit de door de raadsman van de benadeelde partij voorgedragen slachtofferverklaring. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van de immateriële schade wegens lichamelijk letsel. De raadsman van verdachte heeft verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen tot het bedrag van € 1.500,00, zoals toegewezen door de politierechter. Gelet op de specifieke omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn, is het hof van oordeel dat de thans nog bestaande immateriële schade – rekening houdende met de reeds uitgekeerde schade door het schadefonds van € 3.750,00 – in dit geval thans nog vastgesteld dient te worden op een bedrag van € 1.250,00. Hierbij is rekening gehouden met beslissingen in soortgelijke zaken. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 17.942,85 aan materiële schade en €1.250,00 aan immateriële schade aan de benadeelde partij dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum.
Gelet op vorenstaande, dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof tevens de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.192,85 (negentienduizend honderdtweeënnegentig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 17.942,85 (zeventienduizend negenhonderdtweeënveertig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 19.192,85 (negentienduizend honderdtweeënnegentig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 17.942,85 (zeventienduizend negenhonderdtweeënveertig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 248,00 ter zake van ziekenhuisdaggeldvergoeding
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 2.271,64 ter zake van niet-verzekerde medische kosten
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 842,93 ter zake van kosten zonder nut
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 929,58 ter zake van kosten medisch advies
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 2.583,92 ter zake van verlies zelfwerkzaamheid
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 423,66 ter zake van verzorgingskosten
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 311,30 ter zake van reis- en parkeerkosten
- 19 juli 2022 over een bedrag van € 10.331,82 ter zake van huishoudelijke hulp en mantelzorg
en van de immateriële schade op 19 juli 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. M.B. de Wit en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit – tenzij anders vermeld – op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het procesdossier met registratienummer PL2543MD_2022218531, opgemaakt door de Politie Eenheid [locatie] van 23 november 2022, genummerd van 1 tot en met 68.
2.Proces-verbaal van aangifte, pagina’s 2 en 3.
3.Proces-verbaal van bevindingen, pagina 16.
4.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2022, inhoudende het relaas van [verbalisant] , pagina 66.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 juli 2022, pagina 8 en 9.
6.Proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek d.d. 11 augustus 2022, inhoudende getuigenverklaringen, pagina 13.
7.Proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek d.d. 11 augustus 2022, inhoudende getuigenverklaringen, pagina 13 en 14.
8.Vgl. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66.
9.Een schriftelijk bescheid, inhoudende een letselverklaring d.d. 29 augustus 2022, pagina 50 t /m 65.