ECLI:NL:GHARL:2026:3510

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.359.925/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 196 RvArt. 204 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige bewijsverrichting inzake royaltygegevens space-in-space-oplossingen

Appellante en geïntimeerde zijn betrokken bij een geschil over royaltybetalingen voor space-in-space-oplossingen, waarbij appellante vordert dat geïntimeerde gegevens verstrekt over verkoopopbrengsten en royaltybetalingen. De rechtbank wees de meeste vorderingen van appellante af, waarna appellante een verzoek tot voorlopige bewijsverrichting indiende bij het hof.

Het hof oordeelt dat het verzoek ontvankelijk is, maar wijst het af omdat appellante onvoldoende belang heeft bij de gevraagde gegevens zolang niet vaststaat dat zij recht heeft op royalty’s. Daarnaast wegen de belangen van geïntimeerde en een derde partij bij bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie zwaarder dan het belang van appellante. Ook proceseconomische redenen spelen een rol.

Het hof benadrukt dat appellante tijdens de bodemprocedure alsnog inzage kan verzoeken indien nodig. De gevraagde dwangsom wordt niet toegewezen. Appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot voorlopige bewijsverrichting af wegens gebrek aan belang en gewichtige redenen en veroordeelt appellante in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.925/02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 566697
beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellante] B.V. ( [appellante] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. J.J. van der Goen
en
[geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. R.W. de Vrey

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift ex art. 196 jo Pro. 195 jo. 194 Rv tot het bevelen van voorlopige bewijsverrichtingen met producties
  • de brief van 13 november 2025 van mr. Van der Goen met producties
  • het verweerschrift met producties
  • de akte uitlaten
  • de antwoordakte.
1.2.
Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [geïntimeerde] royalty’s moet betalen aan [appellante] over de verkoopopbrengsten die [geïntimeerde] heeft gegenereerd met de in 2020 ontwikkelde space-in space-oplossing ‘ [naam1] ’ en de in mei 2025 ontwikkelde space-in space-oplossing ‘ [naam2] ’. Voor wat betreft [naam1] is [appellante] hierover een procedure gestart bij de rechtbank. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] (grotendeels) afgewezen. [naam2] is op de markt gebracht nadat de rechtbank haar vonnis had gewezen.
2.2.
Op 6 oktober 2025 heeft [appellante] een verzoekschrift ingediend waarin zij het hof verzoekt [geïntimeerde] te bevelen bepaalde gegevens aan haar te verstrekken. Vervolgens is op 7 oktober 2025 de dagvaarding van het hoger beroep van [appellante] tegen het vonnis van de rechtbank (hierna: de bodemzaak) bij het hof aangebracht en ingeschreven op de rol. Met het oog op de uitspraak in deze verzoekschriftprocedure is in de bodemzaak aan [appellante] uitstel verleend tot 9 juni 2026 voor het nemen van haar memorie van grieven.
2.3.
Het hof zal het verzoek van [appellante] om [geïntimeerde] te bevelen bepaalde gegevens te verstrekken afwijzen omdat niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 194 tot en met 196 Rv. Het hof licht dit oordeel hierna verder toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
[X] is – via zijn vennootschap [appellante] – betrokken geweest bij de ontwikkeling van zogenoemde space-in-space-oplossingen door (een dochtervennootschap van) [geïntimeerde] .
3.2.
In 2014 heeft [appellante] met (de (rechts)voorganger van) [geïntimeerde] een licentieovereenkomst gesloten met betrekking tot de space-in-space oplossing ‘ [naam3] ’. In de licentieovereenkomst zijn afspraken gemaakt over de aan [appellante] toekomende royaltyvergoeding.
3.3.
Naar aanleiding van nieuw ontwikkelde space-in-space-oplossingen hebben [appellante] en [geïntimeerde] in december 2015 en in januari 2019 aanvullende (royalty)afspraken gemaakt (hierna: de december 2015-afspraken en de januari 2019-afspraken).
3.4.
[geïntimeerde] heeft [appellante] geen royalty’s betaald over de verkoopopbrengsten van de in 2020 ontwikkelde space-in-space-oplossing [naam1] en ook niet over de verkoopopbrengsten van de in mei 2025 ontwikkelde space-in-space-oplossing [naam2] .
Het geschil bij en het oordeel van de rechtbank
3.5.
In de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [geïntimeerde] op grond van de licentieovereenkomst royalty’s aan [appellante] is verschuldigd over de netto omzet van [naam1] en de overige door [geïntimeerde] op de markt te brengen space-in-space-oplossingen en dat dit percentage 2% dan wel 1,25 % bedraagt. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (primair) de over de netto omzet van [naam1] verschuldigde royalty’s dan wel (subsidiair) een schadevergoeding op te maken bij staat. Tot slot heeft [appellante] gevorderd [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen om [appellante] een opgave te verstrekken over het totaal van de verkopen van [naam1] .
3.6.
Met uitzondering van de gevraagde verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst een duurovereenkomst is die nog doorloopt, heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen.
Het verzoek
3.7.
[appellante] heeft in de onderhavige verzoekschriftprocedure verzocht om [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen binnen drie weken na deze beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag(deel), op kosten van [geïntimeerde] en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, aan [appellante] te verstrekken:
een opgave als bedoeld in artikel 7.4 van de licentieovereenkomst betreffende het totaal van de verkopen van [naam1] en [naam2] ;
de vijf jaaroverzichten (2016 tot en met 2019) van de door [Y] B.V. en/of [geïntimeerde] aan [de ontwerper] (hierna: de ontwerper) betaalde bedragen aan royalty’s van de verkoopopbrengst met betrekking tot [naam3] .
3.8.
[appellante] wil over deze gegevens beschikken zodat zij haar vordering tot betaling van royalty’s uit hoofde van de licentieovereenkomst in hoger beroep zo concreet mogelijk kan maken en haar rechtspositie kan bepalen. [appellante] wil verder aantonen dat het standpunt van [geïntimeerde] over de bij haar gebruikelijke wijze van vergoeden van royalty’s en wat hierover in het vonnis is overwogen niet correct is.
3.9.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en verzoekt [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het verzochte af te wijzen en [appellante] te veroordelen in de proceskosten. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] ten onrechte een separate verzoekschriftprocedure gestart, heeft zij onvoldoende belang bij de verzochte gegevens en zijn beide inzageverzoeken onvoldoende bepaald. Daarnaast voert [geïntimeerde] –onder meer – aan dat de eisen van een goede procesorde en gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten. Voor het geval het verzoek (geheel of gedeeltelijk) wordt toegewezen verzoekt [geïntimeerde] de dwangsom te matigen.
Het toetsingskader van de artikel 194 tot Pro en met 196 Rv
3.10.
Voordat een zaak aanhangig is of – als de zaak aanhangig is gemaakt – voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen.
3.11.
De rechter wijst op grond van artikel 196 Rv Pro het verzoek van een partij tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting toe, tenzij:
de informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is;
onvoldoende belang bij de informatie bestaat;
het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
andere gewichtige redenen zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzetten.
Zo’n voorlopige bewijsverrichting kan bestaan uit het recht op inzage, afschrift of uittreksel (hierna gezamenlijk: inzage) van bepaalde gegevens. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro (dat op grond van artikel 204 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is) komt het recht op inzage toe aan een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage beoogt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Op grond van het tweede lid hoeft geen inzage te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Het hof komt toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek
3.12.
Uit artikel 196 lid 1 Rv Pro volgt dat voordat een aanhangig geding is ingeschreven op de rol, [appellante] het hof om een voorlopige bewijsverrichting kon verzoeken. [1] Er is gedagvaard tegen de roldatum van 7 oktober 2025 en de zaak is vervolgens op deze datum ingeschreven op de rol. Dit betekent dat – anders dan [geïntimeerde] betoogt – het op 6 oktober 2025 bij het hof ingediende verzoek van [appellante] ontvankelijk is (zie hiervoor 2.2). Ook het argument van [geïntimeerde] dat het verzoekschrift tekortschiet omdat het niet een kernachtige omschrijving van het geschil omvat, leidt er niet toe dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit valt immers uit het verzoekschrift wel degelijk af te leiden en is door [appellante] bovendien nader toegelicht in haar akte.
Gewichtige redenen en eisen van een goede procesorde verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek
3.13.
Er kunnen omstandigheden zijn waardoor van een partij of een derde geen medewerking aan een inzageverzoek kan worden gevergd. Hiervan is – onder meer – sprake als bij degene die over de verlangde gegevens beschikt gewichtige redenen bestaan die zich tegen de gegevensverstrekking verzetten en deze redenen zwaarder wegen dan het belang van degene die om de informatie verzoekt. De bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie valt onder het begrip gewichtige redenen. [2]
3.14.
[geïntimeerde] voert aan dat de verkoopgegevens van [naam1] en [naam2] kerncijfers van de onderneming betreffen en als vertrouwelijke bedrijfsinformatie hebben te gelden. Openbaarmaking van deze informatie kan de concurrentiepositie van [geïntimeerde] op de markt van space-in-space-oplossingen (onomkeerbaar) schaden, aldus [geïntimeerde] . Zij voegt hier aan toe dat [appellante] in dezelfde markt van kantooroplossingen opereert als [geïntimeerde] zodat er een reëel risico bestaat dat [appellante] de verkregen informatie voor andere doeleinden zal gebruiken dan uitsluitend voor deze procedure. Volgens [geïntimeerde] weegt haar belang bij de bescherming van haar vertrouwelijke bedrijfsinformatie zwaarder dan het belang van [appellante] bij de inzage in de door haar gevraagde gegevens. Voor wat betreft de verzochte inzage in de royaltybetalingen aan de ontwerper voegt [geïntimeerde] hier haar belang bij de bescherming van vertrouwelijke afspraken met derden en de bescherming van de belangen van de ontwerper die geen partij is in deze procedure aan toe.
3.15.
Het hof stelt voorop dat de rechtbank heeft beslist dat [appellante] geen aanspraak heeft op royalty’s over de verkoopopbrengst van [naam1] . Deze vraag zal, naar het hof mede op grond van de appeldagvaarding aanneemt, in hoger beroep opnieuw worden voorgelegd. Dat geldt ook voor de (eventuele) royaltyaanspraken van [appellante] met betrekking tot de verkoopopbrengsten van de later ontwikkelde [naam2] . Pas wanneer in hoger beroep komt vast te staan dat [appellante] een royaltyvergoeding toekomt over de verkoopopbrengsten van [naam1] en/of [naam2] , kan de informatie waar [appellante] om verzoekt voor haar van belang zijn in verband met het vaststellen van de omvang van de aan haar toekomende royalty’s. Dit betekent dat het ten tijde van het beoordelen van dit verzoek niet duidelijk is of [appellante] de door haar verzochte informatie nodig zal (gaan) hebben in het kader van de procedure in hoger beroep. Onder die omstandigheden wegen, mede vanwege proceseconomische afwegingen, de belangen van [geïntimeerde] en de ontwerper bij het niet hoeven verstrekken van de hiervoor onder 3.14 omschreven gegevens op dit moment zwaarder dan het belang van [appellante] om kennis te nemen van de door haar verzochte informatie. Anders dan [appellante] betoogt valt deze belangenafweging niet anders uit vanwege een geheimhoudingsverplichting die op haar zou rusten of zou kunnen worden opgelegd. Ongeacht zo’n geheimhoudingsverplichting zou [appellante] immers kennis krijgen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie waarvan op dat moment niet vaststaat dat zij daarover moet kunnen beschikken in het kader van de procedure in hoger beroep. Daar komt bij dat [geïntimeerde] heeft toegezegd dat zij de benodigde inzage in de verkoopcijfers betreffende [naam1] en Cerene zal verstrekken op het moment dat komt vast te staan dat [appellante] recht heeft op royalty’s over de verkoopopbrengsten van deze space-in-space-oplossingen. Het hof overweegt daarbij ook dat [appellante] tijdens de procedure in hoger beroep zo nodig, op de voet van artikel 22 Rv Pro dan wel op de voet van artikel 195 Rv Pro, kan verzoeken dat het hof alsnog bepaalt dat zij inzage kan verkrijgen in de door haar op dat moment gewenste informatie.
3.16.
Voor wat betreft de in onderdeel 3.7 onder b genoemde, door [appellante] verzochte jaaroverzichten van de aan de ontwerper betaalde royalty’s wordt in de belangenafweging tevens meegenomen dat het verzoek (ook) vertrouwelijke bedrijfsinformatie van een derde betreft met wie – naar nog onweersproken is – [geïntimeerde] geheimhouding is overeengekomen en die geen partij is in deze procedure. Verder geldt dat [appellante] , gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwt op grond waarvan de (royalty)afspraken tussen [geïntimeerde] en de ontwerper relevant zijn voor de uitleg van de tussen [geïntimeerde] en [appellante] bestaande (royalty)afspraken en welk belang [appellante] heeft bij deze gegevens voor het vaststellen van haar rechtsverhouding in de hoofdzaak. Daarnaast licht [appellante] onvoldoende toe op welke wijze de onder b verzochte overzichten inzicht zouden geven in de afspraken op grond waarvan de royaltybedragen door [geïntimeerde] aan de ontwerper zijn betaald en niet uitsluitend aantonen wat de omvang van deze bedragen is geweest.
3.17.
Het voorgaande brengt mee dat de gewichtige redenen aan de zijde van [geïntimeerde] (waaronder begrepen het belang van de ontwerper) tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens zwaarder wegen dan het belang van [appellante] om die gegevens op dit moment te verkrijgen. Daarbij betrekt het hof, zoals eerder vermeld, redenen van proceseconomische aard. Voor wat betreft de in onderdeel 3.7 onder b genoemde informatie geldt bovendien dat niet is gebleken dat [appellante] voldoende belang heeft bij de verzochte inzage zodat het verzoek reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Geen dwangsom
3.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, kunnen de overige door [geïntimeerde] aangevoerde bezwaren tegen het inzageverzoek onbesproken blijven. Ook de door [appellante] verzochte dwangsom en de daartegen door [geïntimeerde] aangevoerde bezwaren hoeven niet te worden besproken.
De conclusie
3.19.
Het hof wijst het verzoek van [appellante] af. [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] . Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
wijst het verzoek van [appellante] af;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 1.935 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1,5 x tarief II);
4.3.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag en dat als niet op tijd wordt betaald, die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. van der Korst, C. Bakker en R. Verkijk, ondertekend door mr. C. Bakker en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 43 en 44.
2.Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35498-3.html), p. 51