Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3523

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.363.858
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgangsregeling moeder met kinderen in gezinshuis van vier keer per jaar vier uur

De rechtbank Overijssel stelde op 13 januari 2026 een begeleide omgangsregeling vast waarbij de moeder en vader hun kinderen vier keer per jaar vier uur mogen zien in een neutrale omgeving met begeleiding. De kinderen wonen sinds 2015 in een gezinshuis en hebben complexe hechtingsproblematiek. De voogd is de Stichting Jeugdbescherming Overijssel.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze regeling en verzocht om een ruimere omgangsregeling met overnachtingen en aanhouding van de definitieve beslissing. De GI en de gezinshuisouders wilden de rechtbankbeslissing in stand houden. Het hof ontving diverse stukken, sprak met de kinderen en hield een zitting op 30 april 2026.

Het hof oordeelde dat de omgangsregeling gehandhaafd moet blijven. Hoewel de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, is de verstandhouding met de GI en gezinshuisouders niet verbeterd, wat een negatieve invloed heeft op de kinderen. De kinderen zijn kwetsbaar en kunnen meer contact niet aan zonder hun ontwikkeling te schaden.

Het hof benadrukte dat het omgangskader de draagkracht van de kinderen moet volgen en niet de wensen van ouders of kinderen. Een ruimere omgangsregeling voor de moeder dan voor de vader zou het risico op loyaliteitsconflicten vergroten en is niet in het belang van de kinderen. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de omgangsregeling van vier keer per jaar vier uur onder begeleiding tussen moeder en kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.858
zaaknummer rechtbank Overijssel 320082
beschikking van 2 juni 2026
over de omgang met
[de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.V. Mostert
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo
en
[belanghebbende1](de vader)
die woont in [woonplaats2]
en
[belanghebbende2](de gezinshuisouders)
die wonen in [woonplaats3] .

1.Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 januari 2026 een begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en hun ouders vastgesteld van vier keer per jaar vier uur.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2010. [de minderjarige2] is geboren [in] 2012.
2.2.
De kinderen wonen sinds augustus 2015 bij de gezinshuisouders.
2.3.
Bij beschikking van 10 augustus 2018 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, het gezag van de ouders beëindigd en de Stichting Jeugdbescherming Overijssel benoemd tot voogd van de kinderen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft op 28 augustus 2024 een verzoek ingediend om de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen te wijzigen.
3.2.
De rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de rechtbank), heeft op 17 december 2024 een voorlopige omgangsregeling vastgelegd tussen de ouders en de kinderen van vier keer per jaar vier uur, en een voorlopige videobelregeling.
3.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 13 januari 2026 een begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en hun ouders vastgesteld van vier keer per jaar vier uur, in het tweede weekend van januari, april, augustus en oktober op een neutrale door de GI uitgekozen plek, waarbij de vader en de moeder afzonderlijk de kinderen om de beurt (wisselend) op de zaterdag of de zondag zien, en waarbij twee begeleiders aanwezig zijn, een vanuit het gezinshuis voor de kinderen en een vanuit de begeleidende instantie voor ouders.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en de verzoeken van de GI alsnog afwijst en een voorlopige omgangsregeling vast stelt tussen de moeder en de kinderen van eens in de zes weken met overnachting en de definitieve beslissing met zes tot twaalf maanden aanhoudt.
4.2.
De GIwil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
4.3.
De gezinshuisouderswillen dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 20 januari 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • het stuk van de gezinshuisouder ingediend op 9 april 2026
  • de spreekaantekeningen van mr. Mostert.
4.5.
[de minderjarige2] heeft op 20 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de omgang met haar ouders.
4.6.
[de minderjarige1] heeft in een brief van 8 april 2026 geschreven wat hij vindt van de omgang.
4.7.
De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang [1] . In geval van voogdij heeft de GI dezelfde bevoegdheid als de ouders om vaststelling of wijziging van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht te verzoeken [2] .
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2.
De rechter kan op verzoek van de GI een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan [3] .
Standpunten
5.3.
De moeder is het er niet mee eens dat zij de kinderen maar vier keer per jaar onder begeleiding vier uur mag zien. Volgens de moeder zijn er geen goede redenen om de omgang zo beperkt te laten. Het gaat goed met de moeder, zij heeft een duurzame positieve ontwikkeling in haar leven doorgemaakt, de moeder is volledig betrouwbaar in het nakomen van haar afspraken en de omgang verloopt goed. Dat moet los gezien worden van de omgang met de vader, die niet goed verloopt. De moeder erkent de problemen van de kinderen. Ze vindt dat er gehoor moet worden geven aan de sterke wil van de kinderen om meer omgang met haar te hebben. Normalisering van het contact tussen haar en de kinderen zou de kinderen helpen. Uit niets blijkt volgens de moeder dat de kinderen te veel spanning ervaren rondom de omgangsmomenten. De kinderen zijn ouder geworden en beter in staat de omgangen te verwerken. Om de stap naar meerderjarigheid voor [de minderjarige1] te verkleinen, is intensiever contact en omgang noodzakelijk en in zijn belang. De moeder vindt tot slot niet dat een andere omgangsregeling voor de moeder dan voor de vader zal leiden tot loyaliteitsconflicten bij de kinderen. Dit blijkt nergens uit en dit standpunt is ook niet ingenomen door de voogd of de gezinshuisouders. Eerder gold ook al een andere omgangsregeling en dat gaf geen loyaliteitsconflicten.
5.4.
De GI is het niet eens met de moeder. De kinderen zijn bekend met complexe hechtingsproblematiek. Zij hebben beperkte veerkracht en hoge behoefte aan voorspelbaarheid. De samenwerking tussen de moeder, de gezinshuisouders en de voogd verloopt niet altijd goed en daar hebben de kinderen last van. De kinderen rapporteren op dit moment minder spanning dan voorheen rondom de omgang. Dat betekent niet dat de spanning laag is. De actuele spanning is ‘anders gelegen’: minder gericht op de vraag óf het contact doorgaat, maar nog steeds hoog rondom het dragen van loyaliteit tijdens en na het contact. De omgang vraagt veel van de kinderen, het gezinshuis, de GI en alle leefomgevingen van de kinderen. De kinderen zijn weliswaar ouder geworden, maar niet stabieler. Het maken van onderscheid tussen ouders in frequentie of begeleiding vergroot het risico op loyaliteitsconflicten Uitbreiding van de omgang of aanhouding van de zaak is niet in het belang van de kinderen.
5.5.
Volgens de gezinshuisouders hebben de kinderen baat bij de vastgestelde omgangsregeling van vier keer per jaar. Sinds er sprake is van een duidelijke en haalbare bezoekregeling, zien de gezinshuisouders dat de hunkering van de kinderen naar contact met hun ouders is afgenomen en plaats heeft gemaakt voor een meer evenwichtige behoefte aan contact. De kinderen kunnen weer meer in het hier en nu functioneren, zonder voortdurend bezig te zijn met het volgende contactmoment. Daarnaast is de verruiming van telefonisch contact met ouders erg prettig en draagt bij aan de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De ouders bemoeilijken het opbouwen van een emotionele band met de kinderen door de ontbrekende samenwerking met de GI, [naam1] en [belanghebbende2] . Uitgangspunt voor de omgangsregeling dient te zijn wat haalbaar en draagbaar voor de kinderen.
Hoe oordeelt het hof?
5.6.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen zo moet blijven. Het hof sluit zich - na eigen onderzoek - aan bij de overwegingen van de rechtbank en maakt die overwegingen tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.7.
Het hof begrijpt dat het voor de moeder heel moeilijk is om haar kinderen maar vier keer per jaar vier uur te zien. De voogd heeft echt een groei bij de moeder gezien in haar moederrol. Toch heeft de moeder nog steeds strakke kaders nodig om ervoor te zorgen dat de omgang op een voor de kinderen betrouwbare en voorspelbare manier verloopt. Ook is de verstandhouding tussen moeder en de gezinshuisouders, de GI en [naam1] niet verbeterd. Dat heeft een negatieve weerslag op de kinderen en staat uitbreiding van de omgang in de weg.
5.8.
De grootste beperking voor een uitbreiding van het contact is echter aanwezig bij de kinderen. Het gaat hier om zeer kwetsbare kinderen met complexe hechtingsproblematiek, die meer dan gemiddeld last hebben van (kleine) veranderingen, zoals het niet nakomen van een afspraak door de moeder om de hond mee te nemen bij een bezoek. De kinderen willen wel, maar kunnen meer contact met hun moeder niet aan. Als er uitbreiding van het contact zou komen, dan zouden de kinderen niet meer aan hun eigen ontwikkeling toekomen. Dat is niet in hun belang. Het omgangskader dient de draagkracht van het kind te volgen, niet de wens van de ouders of de kinderen.
Het vaststellen van een uitgebreidere omgangsregeling voor de moeder dan voor de vader acht het hof niet in het belang van de kinderen.
Proceskosten
5.9.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een omgangsregeling met de kinderen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 januari 2026;
6.2.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, P.B. Kamminga en
R. Feunekes, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier
en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.ECLI:HR:NL:2017:943
3.artikel 1:377e BW