Appellant kocht in maart 2023 van geïntimeerde een gebruikte Audi met een schadeverleden dat beide partijen niet kenden. De koopovereenkomst is daardoor tot stand gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling. Appellant vorderde aanvankelijk een schadevergoeding van € 14.000, later verlaagd tot € 5.759, en vergoeding van expertisekosten.
De kantonrechter stelde het dwalingsnadeel vast op € 2.875 en wees deze vordering toe, terwijl overige vorderingen werden afgewezen. In hoger beroep bevestigde het hof deze vaststelling en wees het de hogere vorderingen af. Het hof oordeelde dat het dwalingsnadeel uitsluitend betrekking heeft op het schadeverleden van de auto en niet op de importstatus of andere factoren.
Het hof verwierp de door appellant overgelegde taxatie van CarTax die een hoger nadeel claimde, mede omdat de auto niet als ondeugdelijk gerepareerd was vastgesteld. Ook de gevorderde expertisekosten werden niet toegewezen omdat deze niet onder het dwalingsnadeel vielen en niet als proceskosten konden worden verhaald.
Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van de kantonrechter bleef daarmee in stand.