Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3557

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.357.280/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230 lid 2 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 129 RvArt. 353 lid 1 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekening dwalingsnadeel bij koop gebruikte auto met onbekend schadeverleden

Appellant kocht in maart 2023 van geïntimeerde een gebruikte Audi met een schadeverleden dat beide partijen niet kenden. De koopovereenkomst is daardoor tot stand gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling. Appellant vorderde aanvankelijk een schadevergoeding van € 14.000, later verlaagd tot € 5.759, en vergoeding van expertisekosten.

De kantonrechter stelde het dwalingsnadeel vast op € 2.875 en wees deze vordering toe, terwijl overige vorderingen werden afgewezen. In hoger beroep bevestigde het hof deze vaststelling en wees het de hogere vorderingen af. Het hof oordeelde dat het dwalingsnadeel uitsluitend betrekking heeft op het schadeverleden van de auto en niet op de importstatus of andere factoren.

Het hof verwierp de door appellant overgelegde taxatie van CarTax die een hoger nadeel claimde, mede omdat de auto niet als ondeugdelijk gerepareerd was vastgesteld. Ook de gevorderde expertisekosten werden niet toegewezen omdat deze niet onder het dwalingsnadeel vielen en niet als proceskosten konden worden verhaald.

Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van de kantonrechter bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de hogere vorderingen van appellant af, waarbij het dwalingsnadeel wordt vastgesteld op € 2.875.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.280/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere 11071285
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1] (Spanje)
advocaat: mr. J.B.M. Swart
en
[geïntimeerde] ,h.o.d.n. [naam]
( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Na het arrest van 27 januari 2026 heeft op 13 mei 2026 een enkelvoudige digitale mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] heeft bij [geïntimeerde] een gebruikte auto gekocht met een schadeverleden waarvan zowel [appellant] als [geïntimeerde] niets wisten. De koopovereenkomst is tot stand gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling. Deze zaak gaat over de vraag hoe het nadeel dat [appellant] bij instandhouding van de overeenkomst lijdt (hierna: het dwalingsnadeel) moet worden berekend.
2.2
[appellant] heeft bij de kantonrechter, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter:
I. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 14.000 met rente;
II. voor zover voor toewijzing van het onder I gevorderde nodig is, bij constitutief vonnis de koopovereenkomst ontbindt in die zin dat de koopprijs wordt verlaagd tot € 16.000;
III. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van de kosten van het conservatoire beslag;
IV. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten met rente en in de nakosten.
2.3
[appellant] heeft primair non-conformiteit aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Subsidiair heeft [appellant] zich beroepen op dwaling en verzocht om opheffing van het door hem geleden nadeel (artikel 6:230 lid 2 BW Pro).
2.4
De kantonrechter heeft het dwalingsnadeel vastgesteld op een bedrag van € 2.875 en de vordering van [appellant] onder I tot dit bedrag toegewezen. Verder heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld in de beslag- en proceskosten met rente. De vorderingen van [appellant] zijn voor het overige afgewezen.
2.5
In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering gewijzigd en, zakelijk weergegeven, gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daarbij vorderingen van [appellant] gedeeltelijk zijn afgewezen en dat het hof:
I. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 5.759 met rente;
II. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 295 aan expertisekosten met rente;
III. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten met rente en in de nakosten.
2.6
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] in hoger beroep.
2.7
Het hof zal beslissen dat [appellant] aan dwalingsnadeel niet meer toekomt dan het door de kantonrechter vastgestelde bedrag en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof zal de vorderingen van [appellant] in hoger beroep afwijzen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
[geïntimeerde] oefent een autobedrijf uit in de vorm van een eenmanszaak.
3.2
In maart 2023 heeft [appellant] van [geïntimeerde] een gebruikte auto van het merk Audi gekocht en in eigendom verkregen voor € 30.000. De auto blijkt een schadeverleden te hebben en uit de Verenigde Staten te zijn geïmporteerd.
3.3
Op enig moment heeft [appellant] de auto aan een derde, een autobedrijf, doorverkocht voor € 16.000. Dat autobedrijf heeft de auto te koop gezet voor € 23.950.
3.4
[geïntimeerde] heeft uitvoering gegeven aan het vonnis van de kantonrechter.
Eiswijziging
3.5
[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd.
3.6
[appellant] heeft zijn eis verminderd ten aanzien van de omvang van het dwalingsnadeel. Waar [appellant] op die grond bij de kantonrechter nog € 14.000 vorderde, vordert [appellant] in hoger beroep nog € 8.634 waarop [appellant] in mindering heeft gebracht het door [geïntimeerde] aan hem vanwege van het vonnis van de kantonrechter betaalde bedrag van € 2.875, zodat [appellant] in hoger beroep nog € 5.759 vordert. Op grond van artikel 129 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een eiser zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, te allen tijde zijn eis verminderen. Op basis van artikel 353 lid 1 Rv Pro is de hiervoor genoemde regel ook in hoger beroep van toepassing. Het hof zal daarom op deze verminderde eis beslissen.
3.7
[appellant] heeft zijn eis vermeerderd ten aanzien van de expertisekosten. [appellant] vordert in hoger beroep vergoeding van € 295 aan kosten van de door hem ingeschakelde (partij)deskundige CarTax. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen reden die zelf (‘ambtshalve’) buiten beschouwing te laten. Het hof zal daarom op deze vordering beslissen.
Wederzijdse dwaling
3.8
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] een onjuiste voorstelling van zaken had toen hij de auto kocht omdat hij niet van het schadeverleden van de auto op de hoogte was. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat ook [geïntimeerde] niet van dat schadeverleden wist en dat de koopovereenkomst dus tot stand is gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling. Tegen deze overwegingen van de kantonrechter heeft [appellant] geen grief gericht, zodat ook het hof ervan uitgaat dat de koopovereenkomst is gesloten onder invloed van wederzijdse dwaling over het schadeverleden van de auto. Vervolgens is de kantonrechter op grond van artikel 6:230 lid 2 BW Pro overgegaan tot vaststelling van het dwalingsnadeel. De kantonrechter heeft dat dwalingsnadeel vastgesteld op € 2.875.
Nieuwe grief
3.9
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] zich (in tweede termijn) op het standpunt gesteld dat de koopovereenkomst is vernietigd omdat hij te veel voor de auto heeft betaald. Dit standpunt is door [appellant] niet eerder aangevoerd. Het hof vat dit op als een nieuwe grief. De zogeheten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium van – in dit geval – de memorie van grieven zijn aangevoerd. Op deze regel zijn in de rechtspraak uitzonderingen aanvaard, maar niet gesteld of gebleken is dat een van die uitzonderingen van toepassing is. Dit betekent dat het hof aan dit nieuwe argument voorbij zal gaan.
Opheffing nadeel: vermindering van de koopprijs
3.1
De kantonrechter heeft een berekening gemaakt die is gebaseerd op de vergelijking tussen de situatie waarin is gedwaald over het schadeverleden van de auto en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. De kantonrechter is er (op basis van twee door [geïntimeerde] overgelegde taxatierapporten) van uitgegaan dat de auto met schadeverleden een gemiddelde marktwaarde heeft van € 24.625, dat is € 5.375 minder dan het bedrag dat [appellant] ervoor heeft betaald (€ 30.000). Dat zou betekenen dat het nadeel van [appellant] vanwege het schadeverleden € 5.375 is. Maar op dit bedrag moet volgens de kantonrechter € 2.500 in mindering worden gebracht aan waardevermindering van de auto vanwege extra kilometers, hogere leeftijd en schades die bij de aankoop van de auto nog niet aanwezig waren. Het nadeel komt dan uit € 5.375 - € 2.500 = € 2.850. Dat bedrag heeft de kantonrechter ook toegewezen.
3.11
In hoger beroep stelt [appellant] dat het dwalingsnadeel € 8.634 beloopt. Ter onderbouwing van de hoogte van dit bedrag verwijst [appellant] naar een door hem overgelegd taxatierapport van CarTax B.V. van juli 2025 dat in zijn opdracht en voor zijn rekening is opgesteld. CarTax heeft de ‘waarde economisch verkeer (W.E.V. waarde)’ van de auto getaxeerd op € 24.866. In het rapport is toegelicht dat daaronder wordt verstaan het bedrag dat nodig is voor het verkrijgen van een naar soort, kwaliteit, staat en ouderdom vergelijkbare zaak. Die waarde heeft CarTax op afstand bepaald per 2024 op basis van de volgende informatie “
Het betreft een uit de VS geïmporteerde auto, die op dat moment Total-Loss verklaard was, volgens de aangeleverde stukken is de auto niet deugdelijk gerepareerd.”.
3.12
CarTax heeft op de waarde van € 24.866 in mindering gebracht:
  • € 2.000 aan “
  • € 1.500 aan “
  • € 1.500 aan “
Aldus komt CarTax uit op een waarde van de auto in 2024 van € 19.866.
3.13
[appellant] neemt in de berekening van de waarde van de auto een afschrijving mee van € 1.500 en concludeert dat de waarde van de auto op het moment van de aankoop in maart 2023 € 21.366 (€ 19.866, de getaxeerde waarde in 2024, + € 1.500) was, zodat hij € 8.634 dwalingsnadeel heeft (€ 30.000 minus € 21.366).
3.14
Het hof volgt [appellant] niet in zijn berekening. Het hof stelt vast dat CarTax de waardevermindering van de auto vanwege het schadeverleden van de auto specifiek begroot op € 1.500 (zie hiervoor bij rechtsoverweging 3.12). Dat is lager dan het bedrag waarop de kantonrechter het dwalingsnadeel schattenderwijs heeft vastgesteld. Gelet op deze specifieke begroting van CarTax van de waardevermindering van de auto vanwege het schadeverleden, valt, zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat, zoals [appellant] stelt, uit het rapport van CarTax volgt dat het dwalingsnadeel uitkomt op een bedrag van € 8.634. Het dwalingsnadeel van [appellant] bestaat, zoals hiervoor is overwogen, immers alleen daarin dat de auto een schadeverleden heeft, niet (ook) dat het een geïmporteerde auto betreft. Uit het rapport van CarTax kan hooguit worden afgeleid dat [appellant] ook los van de kwestie van het schadeverleden meer voor de auto heeft betaald dan de auto op dat moment waard was. Dat is in deze zaak geen grond voor dwaling.
3.15
CarTax gaat in haar rapport bovendien ten onrechte uit van een auto die niet deugdelijk is gerepareerd. Dat de auto niet deugdelijk is gerepareerd, is niet komen vast te staan. De kantonrechter heeft, bij de beoordeling van het beroep van [appellant] op non-conformiteit, geoordeeld dat de omstandigheid dat de auto total loss is verklaard nog niet betekent dat de auto dus een gebrek heeft dat non-conformiteit oplevert. Verder heeft de kantonrechter vastgesteld dat [appellant] na aankoop zeven maanden zonder problemen in de auto heeft gereden, dat [appellant] de door hem gestelde gebreken pas duidelijk werden toen een taxateur de auto bekeek omdat [appellant] de auto vanwege een vertrek naar het buitenland wilde verkopen en dat [appellant] kennelijk zelf geen enkel probleem met de auto heeft ondervonden. Tegen deze beslissingen zijn geen grieven gericht.
3.16
Het rapport van CarTax onderbouwt de stelling van [appellant] dat zijn dwalingsnadeel € 8.634 is, dus niet. Evenmin doet dat het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8732 waar [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar heeft verwezen. In de casus waarover de Hoge Raad had te oordelen, ging het over een koper van een auto die, na een geslaagd beroep op dwaling, niet had voldaan aan zijn verplichting om de auto terug te geven, waarna de vraag voorlag wat de waarde was van de niet teruggegeven auto en of rekening moest worden gehouden met door de koper inmiddels gemaakte reparatiekosten. Kortom, het ging in die zaak om een geheel andere kwestie dan die hier centraal staat.
De expertisekosten
3.17
De expertisekosten vallen naar het oordeel van het hof niet onder het te vergoeden nadeel dat voor [appellant] door de dwaling is ontstaan, reeds omdat het rapport van CarTax de stellingen van [appellant] niet onderbouwt. Om diezelfde reden zijn ze ook niet toewijsbaar op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW. Bovendien staat niet vast dat [geïntimeerde] schadeplichtig is jegens [appellant] , zodat geen sprake is van ‘kosten ter vaststelling van schade’. De kosten kunnen, ten slotte, ook niet worden toegewezen op grond van artikel 237 Rv Pro omdat deze kosten niet onder een proceskostenveroordeling vallen.
De conclusie
3.18
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.19
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 29 januari 2025;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 827,- aan griffierecht
€ 1.824, - aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.