Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3558

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.359.939/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 130 lid 3 RvArt. 353 lid 1 RvArt. 114 RvArt. 115 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis verdeling woning bij gezamenlijke eigendom met spoorloze mede-eigenaar

Appellant en geïntimeerde zijn samen eigenaar van een woning in Almere, waarin appellant met zijn gezin woont. Appellant wenst de gemeenschappelijke eigendom te beëindigen, maar geïntimeerde is sinds 2006 spoorloos en niet verschenen in de procedure. De rechtbank heeft de woning toegewezen aan appellant onder voorwaarden, waaronder het ontslag van geïntimeerde uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek.

In hoger beroep heeft appellant zijn eis ingrijpend gewijzigd en gesteld dat hij door verjaring alleen eigenaar is geworden en geïntimeerde niet langer aansprakelijk is voor de hypotheekschuld. Deze wijziging is niet betekend aan geïntimeerde en daarom niet toelaatbaar. Het hof volgt appellant niet in zijn verjaringberoep, omdat het enkel bewonen en dragen van lasten niet leidt tot eigendom.

Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking faalt, omdat geïntimeerde als mede-eigenaar het waarderisico van de woning draagt. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, wijst de gewijzigde vordering af en veroordeelt appellant in de proceskosten, die nihil zijn voor geïntimeerde.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de gewijzigde vordering van appellant af wegens niet-toelaatbaarheid en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.939/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 587720
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J. Zoutberg
en
[geïntimeerde]
die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft
en die in hoger beroep niet is verschenen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 2 april 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Lelystad. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van grieven. [geïntimeerde] is in dit hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is zogenoemd verstek verleend.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] is samen met [geïntimeerde] eigenaar van een door [appellant] en zijn gezin bewoonde woning in [plaats] . [appellant] wil aan die gemeenschappelijke eigendom een einde maken. Het hof zal hierna eerst kort de feiten schetsen die aan dat geschil ten grondslag liggen en daarna het hoger beroep beoordelen. De conclusie zal zijn dat het bestreden vonnis in stand blijft.

3.De feiten en de gevolgde procedure

3.1
In 2002 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [adres1] in [plaats] gekocht, omdat [appellant] niet in staat was om de koopsom zelf geheel te financieren. Hij heeft [geïntimeerde] daarom verzocht hem bij de financiering te helpen. Partijen hebben toen besloten de woning gezamenlijk te kopen, en hebben de hypotheek bij de [bank] is op beider namen gesteld. Verder hebben zij afgesproken dat [appellant] alle kosten van de woning op zich zou nemen.
3.2
Na de oplevering van de woning is [appellant] eerst alleen, en later met zijn gezin in de woning gaan wonen. Tussen hem en [geïntimeerde] is het contact verwaterd.
3.3
Toen [appellant] wilde overgaan tot verdeling van de woning en daarover met [geïntimeerde] afspraken wilde maken, vernam hij van de deurwaarder dat [geïntimeerde] sinds 2006 geregistreerd staat als vertrokken naar een onbekend adres. Dat was voor [appellant] aanleiding om de rechtbank te vragen de verdeling van de woning te gelasten, inclusief de vaststelling van een aantal daaraan verbonden verplichtingen en rechten.
3.4
De rechtbank heeft dat deels gehonoreerd en heeft het volgende beslist.
“gelast de wijze van verdeling van de onroerende zaak gelegen te ( [postcode1] ) [plaats] aan de [adres2] als volgt:
a. [appellant] geeft [naam] NVM Makelaardij (aan de [adres3] , [postcode2] ) in [plaats] de opdracht om de marktwaarde te bepalen:
b. de onroerende zaak wordt tegen de onder a. genoemde waarde toebedeeld aan [appellant] onder de ontbindende voorwaarde dat [appellant] [geïntimeerde] zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening,
c. [geïntimeerde] wordt veroordeeld om zijn volledige medewerking te verlenen aan de financieringsaanvraag van [appellant] , waarbij onder medewerking mede wordt begrepen het ondertekenen van de benodigde verklaringen voor de hypotheekverstrekker,
d. bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [geïntimeerde] . voor zover dit nodig is in verband met de hiervoor genoemde financieringsaanvraag.
e. in het geval waarin de hypotheekverstrekker de door [appellant] gevraagde hypothecaire geldlening verstrekt. wordt [geïntimeerde] veroordeeld om zijn handtekening te plaatsen onder een door de notaris op te maken akte van verdeling notariële levering van de woning aan [appellant] onder gelijktijdig ontslag van [geïntimeerde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op die woning rustende hypotheek.
f. bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [geïntimeerde] . voor zover nodig is om de hiervoor genoemde akte van verdeling/levering op te maken en te passeren indien [geïntimeerde] niet voldoet aan het onder punt e. bepaalde.
m. indien [appellant] niet in staat is om de woning te financieren dan moet de woning worden verkocht aan een derde.
h. [geïntimeerde] wordt veroordeeld om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning,
i. partijen moeten dan uiterlijk binnen één dag na dit vonnis [naam] NVM Makelaardij (aan de [adres3] , [postcode2] in [plaats] inschakelen en aan deze makelaar de opdracht geven om te bemiddelen hij de verkoop van de woning.
j. indien [geïntimeerde] daar niet of nier tijdig toe overgaat, is [appellant] afzonderlijk bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling bij verkoop aan deze makelaar.
k. [naam] NVM Makelaardij stelt de vraag- en laatprijs vast.
1. [geïntimeerde] wordt veroordeeld om zijn handtekening te plaatsen onder een door de makelaar op te stellen koopovereenkomst.
m. bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [geïntimeerde] , voor zover dit nodig is in verband met het tekenen van de koopovereenkomst.
n [geïntimeerde] wordt veroordeeld om zijn handtekening te plaatsen onder een door de notaris op te maken akte van verdeling/notariële levering van de woning aan een derde.
o. bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft ais een in wettige vorm opgemaakte akte van [geïntimeerde] , voor zover nodig is om de hiervoor genoemde akte van verdeling/levering op te maken en te passeren indien [geïntimeerde] niet voldoet aan het onder punt m. bepaalde.
p. bepaalt dat de overwaarde op de woning (het verschil tussen de getaxeerde waarde en de openstaande hypotheek) in het geval dat [appellant] de woning overneemt en in het geval dat de woning wordt verkocht aan een derde, bij helfte moet worden gedeeld.”
3.5
De appeldagvaarding is tijdig in het rechtsmiddelenregister ingeschreven.
3.6
De vordering is in hoger beroep ingrijpend gewijzigd. [appellant] vordert nu, kort gezegd, dat het hof uitspreekt (voor recht verklaart) dat hij door verjaring alleen eigenaar van de woning is geworden, dat [geïntimeerde] daardoor niet langer voor de betaling van de hypotheekschuld draagplichtig is, maar dat hij wel verplicht is mee te werken aan de inschrijving van deze verjaring. Voor het geval die vordering niet kan worden toegewezen, doet [appellant] een beroep op de leerstukken redelijkheid en billijkheid (rechtsverwerking) en ongerechtvaardigde verrijking. Als ook dat niet toewijsbaar is, vordert hij bij wijze van regres voor gemaakte kosten dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 98.911,55, vermeerderd met wettelijke rente.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

De eiswijziging
4.1
In artikel 130 lid 3 Rv Pro is bepaald dat een verandering of vermeerdering van eis is uitgesloten als een partij niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De wetgever heeft dit verbod ingevoerd om te voorkomen dat de niet verschenen gedaagde tot iets kan worden veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd [1] . Deze regel geldt ook in hoger beroep [2] .
4.2
[appellant] had aan dit verbod kunnen ontkomen door de eiswijziging tijdig bij exploot aan [geïntimeerde] te laten betekenen, met inachtneming van de dagvaardingstermijn [3] . Dat is niet gebeurd: uit het desbetreffende exploot blijkt dat vernietiging van het bestreden vonnis wordt gevorderd, onder toewijzing van ‘nader te formuleren vorderingen’.
4.3
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] alsnog ambtshalve gelegenheid te bieden om de wijziging van eis aan [geïntimeerde] te laten betekenen, omdat de woon- of verblijfplaats van [geïntimeerde] nog steeds onbekend is (vermoed wordt dat hij al jaren in het buitenland woont), en het daarom niet realistisch is te verwachten dat hij alsnog van de wijziging op de hoogte zal raken [4] .
4.4
Op het voorgaande moet de in hoger beroep gewijzigde vordering stranden. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
Verjaring
4.5
[appellant] beroept zich op artikel 3:105 BW Pro, waarin is geregeld dat degene die een goed twintig jaar onafgebroken voor zichzelf bezit, de eigendom van dat goed verkrijgt. Hij meent enig eigenaar van de woning te zijn geworden, omdat hij daarin sinds 2002 onafgebroken heeft gewoond, alle lasten en kosten heeft gedragen en zich jegens derden als enig eigenaar heeft gedragen. [geïntimeerde] was al die tijd volledig afwezig, en is dat nog steeds.
4.6
Het hof volgt [appellant] hierin niet, omdat het enkele feit dat hij bewoner van de woning is geweest en de lasten ervan draagt, hem niet tot enig bezitter van die woning maakt. Omstandigheden die wel die conclusie kunnen dragen, heeft hij niet aangevoerd.
Rechtsverwerking en ongerechtvaardigde verrijking
4.7
Ter onderbouwing van zijn beroep op de leerstukken (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid/rechtsverwerking en ongerechtvaardigde verrijking voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] geen bijdrage heeft geleverd aan de kosten, rente en onderhoud van de woning, maar wel profiteert van de waardestijging ervan.
4.8
Deze omstandigheden leveren bij lange na niet de benodigde feitelijke grondslag op om tot toepasselijkheid van een of meer van de genoemde leerstukken te kunnen concluderen. Daarbij komt nog dat het hof [appellant] niet kan volgen in zijn opmerking dat [geïntimeerde] geen enkel risico heeft gedragen. Net als [appellant] zelf heeft [geïntimeerde] als mede-eigenaar immers al die tijd het risico van waarde
verminderingvan de woning gedragen. Dat de woning kennelijk niet minder waard is geworden, doet daaraan niet af.
De conclusie
4.9
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal hij zijn eigen proceskosten moeten dragen. Het hof zal hem verder formeel veroordelen tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Die partij heeft echter geen kosten gemaakt, zodat deze veroordeling wat dat aangaat zonder consequenties blijft.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 2 april 2025;
5.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] van dit hoger beroep en stelt die kosten op nihil;
5.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
2 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361 en HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319.
2.Artikel 353 lid 1 Rv Pro en HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7494.
3.Artikelen 114-117 en 120 lid 3 Rv.
4.HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1426.