Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3596

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.366.903
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 3:301 lid 1 BWArt. 3:301 lid 2 BWArt. 433 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging verkoop woning na echtscheiding

Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en de woning in Hengelo viel onder de ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank had de woning aan de man toegewezen onder de voorwaarde dat hij de financiering van de hypotheek regelt en de vrouw ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij niet-naleving moest de woning worden verkocht aan woningcorporatie Welbions, waarbij de man moest ontruimen.

De voorzieningenrechter veroordeelde de man tot medewerking aan verkoop en ontruiming, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De man stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid. Het hof oordeelde dat het belang van de man bij schorsing niet zwaarder weegt dan dat van de vrouw bij voortzetting van de tenuitvoerlegging.

De man kon onvoldoende aantonen dat hij geen alternatieve woonruimte kon vinden of dat er sprake was van een noodtoestand. Ook was er geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigen. Het hof veroordeelde de man in de kosten van het incident en verwees de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis tot verkoop en ontruiming van de woning wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.903
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 342485
arrest in het incident van 2 juni 2026
in de zaak in kort geding van
[appellant](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.Th.M. Demmer
en
[geïntimeerde](de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.S.M. Oude Breuil

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 18 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep (met grieven en een eis in het incident)
  • de memorie van antwoord in het incident, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak.
1.2.
Vervolgens is arrest bepaald in het incident.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen getrouwd geweest. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort het recht van erfpacht op de voormalige echtelijke woning in Hengelo (O) (hierna: de woning). In de leveringsakte van het recht van erfpacht is een terugkoopprocedure ten behoeve van woningcorporatie Welbions opgenomen. De man is na de echtscheiding in de woning blijven wonen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft de man bij het bestreden vonnis onder meer veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan Welbions en tot ontruiming van de woning. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
De man is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Hij heeft een vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis (artikel 351 Rv Pro). Het hof zal dat de incidentele vordering afwijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De achtergrond van het geschil
3.1.
De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft bij beschikking van 25 november 2024 de woning toebedeeld aan de man en bepaald dat de man voortaan alleen draagplichtig is voor de lasten verbonden aan de hypothecaire lening. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man verplicht is om de helft van het verschil tussen de waarde van de woning enerzijds en het restant van de hypothecaire geldlening anderzijds (de overwaarde) aan de vrouw uit te keren, waarbij de benodigde kosten tussen partijen bij helfte zullen worden gedeeld. Verder heeft de rechtbank bepaald dat het voorgaande geldt onder de opschortende voorwaarde dat de man binnen drie maanden na 6 december 2023 de financiering heeft geregeld en er zorg voor heeft gedragen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening. Indien niet aan de opschortende voorwaarde wordt voldaan, dient de woning volgens de rechtbank te worden verkocht en geleverd aan Welbions, waarbij de man de woning dient te verlaten en de over/onderwaarde na aflossing hypotheek en de kosten tussen partijen bij helfte worden verdeeld.
3.2.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder meer geoordeeld dat de man tekort is geschoten in de nakoming van de beschikking van 25 november 2024. De stelling van de man dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, hij uit de beschikking niet hoefde te begrijpen dat hij de financiering van de hypothecaire geldlening en het daaraan gekoppelde ontslag uit de hoofdelijkheid van de vrouw moest gaan regelen, gaat niet op.
Volgens de voorzieningenrechter moet het (ook) voor de man volstrekt helder zijn geweest dat de vermelding van een ten tijde van de beschikking reeds verstreken periode van drie maanden een fout was en dat hij in actie moest komen. De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, de man veroordeeld om binnen acht dagen na het vonnis mee te werken aan het te koop aanbieden, de taxatie en de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning aan Welbions en de verdeling tussen partijen van de netto opbrengst bij helfte daarvan. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter bepaald dat indien de man zijn medewerking weigert aan het ondertekenen van de koopovereenkomst en/of het passeren van een akte strekkende tot juridische levering van de woning, het vonnis in plaats van de medewerking en/of noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening zal treden. Verder is de man veroordeeld tot ontruiming en ontruimd houden van de woning met inlevering van alle sleutels van de woning uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan Welbions.
Toetsingskader schorsing tenuitvoerlegging
3.3.
De voorzieningenrechter heeft de beslissing om het vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
Geen reden voor schorsing tenuitvoerlegging
3.4.
Het hof dient na te gaan of het belang van de man bij schorsing van de ten uitvoerlegging van het vonnis tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging daarvan. Het hof is van oordeel dat in dit geval het belang van de man niet zwaarder weegt dan dat van de vrouw. De man wil graag in de woning blijven wonen en heeft aangevoerd dat hij bij een ontruiming mogelijk dakloos zal worden en zijn kinderen niet kan ontvangen als de zorg- en contactregeling met zijn kinderen in de toekomst weer zal worden opgestart. De omstandigheid dat het vonnis tot het onomkeerbare verlies van de woning leidt, heeft de voorzieningenrechter echter al meegewogen in de beslissing; het hof moet van die beslissing uitgaan. Niet is gebleken dat er een noodtoestand zal ontstaan wanneer de tenuitvoerlegging van het vonnis niet wordt geschorst. De man heeft onvoldoende toegelicht waarom het voor hem onmogelijk is andere woonruimte te vinden, bijvoorbeeld huren in de sociale of private sector. Dat hij daartoe pogingen heeft ondernomen is niet (onderbouwd) gesteld. Ook het door de man overgelegde renteaanbod van een hypotheekverstrekker van 18 maart 2026 ten aanzien van een hypothecaire lening voor de woning op naam van de man, biedt onvoldoende grond om de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen. Het belang van de man weegt niet op tegen het belang van de vrouw bij de afhandeling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, waaronder (het recht van erfpacht op) de woning. Daarbij betrekt het hof dat de man reeds lange tijd (meer dan een jaar) de gelegenheid heeft gehad om de financiering van de hypothecaire geldlening te regelen, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis of van nieuwe feiten en omstandigheden die een schorsing rechtvaardigen.
Inschrijving rechtsmiddelenregister
3.5.
De rechter kan bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van (een deel van) een akte die is bestemd tot levering van een registergoed, zoals een woning (artikel 3:301 lid 1 BW Pro). Hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen daarvan worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals bedoeld in artikel 433 Rv Pro (artikel 3:301 lid 2 BW Pro). Dit geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden. [2] De vrouw heeft aangevoerd dat in dit geval sprake is van een uitspraak als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 BW Pro. Volgens de vrouw moet de man niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat zijn hoger beroep niet binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten, waarbij hij onderliggende stukken kan overleggen waaruit volgt dat zijn hoger beroep (wel) tijdig is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank.
3.6.
De vrouw heeft aangevoerd dat de man ook in zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zijn hoger beroep niet tijdig is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Nu de incidentele vordering van de man zal worden afgewezen, heeft de vrouw geen belang bij de behandeling van dit verweer in dit incident.
De conclusie
3.7.
Het hof zal de incidentele vordering afwijzen. Verder ziet het hof aanleiding om de man als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident te veroordelen.
3.8.
Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van de man. Verder zal het hof iedere beslissing aanhouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident ex artikel 351 Rv Pro
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt de man in de kosten van het incident, vastgesteld op € 1.290,- aan salaris van de advocaat van de vrouw (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
16 juni 2026voor akte aan de zijde van de man als bedoeld in rov. 3.5;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, M. Schoemaker en G.R. den Dekker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
2.HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538.