Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3672

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
21-003704-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging en aanvulling vonnis diefstal telefoon met geweld en schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Almelo. Verdachte werd vrijgesproken van mishandeling, maar veroordeeld voor diefstal van een telefoon met geweld. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de vrijspraak mishandeling en bevestigde de veroordeling voor diefstal.

De feiten betreffen een incident in de nacht van 28 op 29 augustus 2021 waarbij verdachte de telefoon van het slachtoffer met geweld heeft weggenomen, waarbij het slachtoffer werd meegesleurd en hard tegen de borst werd geduwd, wat leidde tot een val. Het hof oordeelde dat het geweld verder ging dan alleen het uit de handen grissen van de telefoon en dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig was.

De straf is een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis, gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De benadeelde partij krijgt een schadevergoeding van €2.993,00 toegekend, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2021. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde hoofdelijkheid met de mededader.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 140 uur en schadevergoeding van €2.993,00 aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003704-22
Uitspraakdatum: 5 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 6 september 2022 met parketnummer 08-266338-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het hoger beroep ten aanzien van de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde (mishandeling);
  • veroordeling van verdachte voor het onder 2 primair ten laste gelegde (diefstal met geweld) tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van € 1.568,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.H. van der Wal, hebben aangevoerd.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is door de politierechter in de rechtbank Overijssel vrijgesproken van wat aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit vrijgesproken;
  • verdachter voor het onder 2 primair ten laste gelegde feit veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van tot het bedrag van € 1.568,00, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met bepaling dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is en de benadeelde partij voor het overige immateriële deel niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof is van oordeel dat de politierechter in de rechtbank Overijssel op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis met de hierna opgenomen aanvulling van gronden, behalve voor zover het de strafoplegging betreft, daaronder begrepen de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter in de rechtbank Overijssel. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Aanvulling van gronden

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ook in hoger beroep bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Primair had verdachte volgens de raadsman geen oogmerk om zich de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen. Hij heeft de telefoon op het dak van de auto gelegd, waar deze later van af moet zijn gevallen. Dat komt overeen met de plek waar de telefoon is teruggevonden door de politie, op 800 meter van het plaats delict. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat uit jurisprudentie volgt dat het uit de handen grissen van een telefoon niet kan worden beschouwd als een geweldshandeling in de zin van artikel 312 Wetboek Pro van Strafrecht.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is geen reden om te twijfelen aan het verhaal van aangevers dat de diefstal is gepaard gegaan met geweld.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt aanvullend als volgt.
In hoger beroep zijn aangevers [benadeelde] en [slachtoffer] gehoord als getuige bij de raadsheer-commissaris. Tegen de raadsheer-commissaris hebben zij hun eerdere verklaringen herhaald. Het hof stelt vast dat zij consistent hebben verklaard tegenover de politie en ten overstaan van de raadsheer-commissaris, anders dan de verklaringen van verdachte. Hij heeft wisselend en niet consequent verklaard over wat zich heeft afgespeeld. Zo heeft hij bij de politie ontkend de telefoon te hebben gepakt en verklaart hij pas bij de politierechter dat hij de telefoon op het dak van de auto zou hebben gelegd. Het hof komt tot de conclusie dat de verklaringen van aangevers betrouwbaar en consistent zijn en dat die verklaringen zijn gebaseerd op authentieke eigen waarnemingen en herinneringen.
Het hof neemt de verklaringen van aangevers als uitgangspunt. Daaruit volgt dat verdachte zodanig hard aan de telefoon van aangeefster trok, dat hij aangeefster meesleurde naar de auto van de mededader. Verdachte kreeg de telefoon los met zijn rechterhand door aangeefster haar hand vast te pakken. Vervolgens duwde verdachte aangeefster met zijn linkerhand hard tegen de borst, waardoor aangeefster op de grond viel.
Uit deze verklaringen van aangevers volgt dat het door verdachte toegepaste geweld is gepleegd om te zorgen dat hij de telefoon van aangeefster in bezit kreeg. Dat geweld ging bovendien verder dan alleen het uit de handen grissen van de telefoon.
De omstandigheid dat verdachte de telefoon kennelijk niet tot aan het huis van de mededader bij zich heeft gehouden, sluit het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet uit. Verdachte had immers tot doel om te beschikken over de telefoon waarmee aangeefster [benadeelde] foto’s wilde maken van de auto waarin verdachte en de mededader reden. Nadat hij en zijn mededader de plaats van de aanrijding, mét de telefoon van aangeefster, hadden verlaten was dat doel bereikt. Op dat moment had verdachte zich de telefoon ook al wederrechtelijk toegeëigend. Dat de telefoon op 800 meter van het plaats delict is achtergebleven doet daaraan niet af.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarbij houdt de advocaat-generaal rekening met het tijdsverloop.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte in het geval van een veroordeling dient te worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich in de nacht van 28 augustus op 29 augustus 2021 schuldig
gemaakt aan diefstal van een telefoon waarbij geweld is gebruikt tegen het slachtoffer.
Verdachte heeft de telefoon gestolen op het moment dat aangever deze wilde gebruiken om
foto’s te maken van de auto waarin verdachte als bijrijder reed nadat een verkeersongeval had plaatsgevonden. Kennelijk heeft verdachte opsporing van zijn mededader of hemzelf willen voorkomen. Door het gewelddadige karakter van zijn handelen zijn bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt, zoals ook blijkt uit de toelichting bij haar vordering. Verdachte heeft bovendien een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 20 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Daarnaast volgt daaruit dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep is overschreden. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep op 6 september 2022 en de uitspraak in hoger beroep op 5 juni 2026 zijn 3 jaren en 9 maanden verstreken. De normtermijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval 2 jaren. De redelijke termijn is hiermee overschreden met ruim 1 jaar en 9 maanden, waardoor het hof de op te leggen taakstraf zal matigen.
Het hof acht in beginsel, gelet op de aard en ernst van het feit, een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, acht het hof de oplegging van een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.318,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.568,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Immateriële schade
De raadsman heeft op de zitting van het hof verzocht om matiging van de immateriële schadevergoeding.
Ter zitting van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het handelen van verdachte en de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken volgt immers dat gedurende langere tijd sprake is geweest van PTSS klachten. Dat een psycholoog pas een jaar na het incident daadwerkelijk de diagnose PTSS heeft gesteld brengt niet met zich dat de PTSS onvoldoende is onderbouwd. Uit het overgelegde medisch dossier volgt dat de benadeelde partij aanvankelijk vooral is behandeld in verband met de rugklachten die zij heeft opgelopen naar aanleiding van het incident en dat zij vervolgens vanwege spanningen, herbelevingen en nachtmerries is doorverwezen vanuit ggz naar een psycholoog, die vervolgens de diagnose heeft gesteld.
Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Die Rotterdamse schaal geeft als richtsnoer ten aanzien van PTSS, in de lichtste categorie, waarbij de benadeelde binnen één tot twee jaar nagenoeg volledig hersteld is, een bedrag gelegen tussen € 2.675,00 en € 5.500,00.
Gelet op de aard en ernst van het letsel en gelet op in vergelijkbare zaken door rechters toegekende bedragen acht het hof een vergoeding van € 2.675,00 billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2021. De benadeelde partij zal ten aanzien van het meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
De raadsman heeft zich op de zitting van het hof ter zake van het materiële deel gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Met betrekking tot het gevorderde aan materiële schade à € 318,00 wegens schade aan de telefoon is het hof van oordeel dat er voldoende causaal-verband bestaat tussen de materiële schadepost en het bewezenverklaarde feit. Dat houdt in dat het hof dit onderdeel van de vordering zal toewijzen.
Conclusie
Verdachte dient een totaalbedrag van € 2.993,00 (€ 2.675,00 + € 318,00) aan de benadeelde partij te betalen.
Het hof stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en
dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de immateriële schadevergoeding niet meer aan de
benadeelde partij hoeft te betalen indien de mededader deze al heeft betaald, en
andersom.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.993,00 (tweeduizend negenhonderddrieënnegentig euro) bestaande uit € 318,00 (driehonderdachttien euro) materiële schade en € 2.675,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.993,00 (tweeduizend negenhonderddrieënnegentig euro) bestaande uit € 318,00 (driehonderdachttien euro) materiële schade en € 2.675,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 29 (negenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen ten aanzien van de immateriële schade hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 augustus 2021.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. F.E.J. Goffin en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 juni 2026.