Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3748

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.364.900/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens schending één-keer-schieten regel in geschil over vakantiewoning

Appellant en geïntimeerde zijn broers en mede-eigenaren van een vakantiewoning en een villa. De rechtbank Midden-Nederland wees op 23 april 2025 een vonnis in hun geschil, gevolgd door een aanvullend vonnis op 13 augustus 2025 dat een deel van de vordering betrof die eerder was vergeten te behandelen.

Appellant stelde hoger beroep in tegen het vonnis van 23 april 2025 en betrok daarin ook het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025, met grieven tegen beide uitspraken. Vervolgens stelde appellant ook een afzonderlijk hoger beroep in tegen het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025.

Het hof oordeelt dat appellant niet-ontvankelijk is in dit tweede hoger beroep omdat hij reeds in het eerste hoger beroep zijn bezwaren tegen het aanvullend vonnis heeft ingebracht. Dit volgt uit de één-keer-schieten regel, die inhoudt dat een partij slechts eenmaal haar grieven tegen een vonnis kan aanvoeren. Het hof veroordeelt appellant tevens tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het aanvullend vonnis wegens schending van de één-keer-schieten regel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.900/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 560852
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. P. Verkooijen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. D. Vellinga

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingplaats Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 13 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep van 11 november 2025
• de akte uitlating ontvankelijkheid van [appellant] van 13 februari 2026
• de antwoordakte ontvankelijkheid van [geïntimeerde] van 3 maart 2026.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen zijn broers en ieder voor de helft eigenaar van een vakantiewoning in [plaats1] en een villa in [plaats2] ( [land] ). Eerder heeft de rechtbank in hun geschil over deze woningen op 23 april 2025 een vonnis gewezen. Op verzoek van [appellant] heeft de rechtbank op 13 augustus 2025 een vonnis gewezen dat het vonnis van 23 april 2025 heeft aangevuld, voor zover dat in reconventie was gewezen. Omdat [appellant] in zijn grieven tegen het vonnis van 23 april 2025 ook het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025 [1] heeft betrokken, is het de vraag of [appellant] in zijn afzonderlijk hoger beroep tegen het vonnis van 13 augustus 2025 kan worden ontvangen.
2.2
Het hof zal beslissen dat [appellant] in dit hoger niet-ontvankelijk is en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1
In het vonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij in het vonnis van 23 april 2025 heeft verzuimd te beslissen op een deel van wat [appellant] had gevorderd, te weten voor zover die vordering zag op de kosten van de woning in [plaats2] . De rechtbank heeft vervolgens dat deel van de vordering alsnog beoordeeld en vervolgens – zover van belang – beslist als volgt:
3.2
wijst het verzoek om aanvulling van het op 23 april 2025 tussen partijen gewezen vonnis toe, in die zin dat:
3.2.1
in de rechtsoverwegingen na 3.23 wordt opgenomen, hetgeen hiervoor onder 2.3 tot en met 2.16 staat vermeld;
3.2.2
in het dictum wordt aan 4.6
toegevoegd:
“veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van de door deze laatste voorgeschoten kosten van € 32.673,85 inzake de woning in [plaats2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening,
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van het bedrag van € 1.403,33 per maand op de gemeenschappelijke rekening van partijen te rekenen vanaf 17 mei 2024 tot en met de dag der verdeling van het pand te [plaats2] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening”
3.3
bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 23 april 2025;
3.4
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 23 april 2025 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Tegen dit vonnis heeft [appellant] , zoals hiervoor weergegeven, afzonderlijk hoger beroep ingesteld (hierna ook:
zaak 2.)
3.2
[appellant] heeft eerder hoger beroep ingesteld bij dit hof tegen het vonnis van 23 april 2025, welk hoger beroep is geregistreerd onder zaaknummer 200.356.296/01 (hierna ook:
zaak 1.). In deze procedure heeft [appellant] verzocht om meer pagina’s aan zijn memorie van grieven te mogen besteden. Hij heeft daartoe gesteld dat het vonnis van 23 april 2025 en het vonnis van 13 augustus 2025 op belangrijke punten haaks op elkaar staan en dat daardoor een nadere onderbouwing gewenst is. Aan hem is vervolgens toegestaan een maximaal aantal pagina’s van 35 voor zijn memorie van grieven.
3.3
In zijn op 2 december 2025 in
zaak 1.genomen memorie van grieven is [appellant] met zijn grief I (en de daarop in randnummers 22 tot en met 64 gegeven toelichting) expliciet en uitdrukkelijk opgekomen tegen wat de rechtbank in haar aanvullend vonnis van 13 augustus 2025 heeft overwogen en beslist. [appellant] heeft in deze zaak tot slot ook gevraagd dat aanvullend vonnis te vernietigen en daarvoor in de plaats andere beslissingen te nemen. Die mogelijkheid stond voor hem ook open. [2]
3.4
Hoewel [appellant] overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 lid 2 jo Pro 31 lid 2 en 3 Rv ook de mogelijkheid had om (afzonderlijk) beroep in te stellen tegen het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025 en in dat hoger beroep ook (afzonderlijk) zijn bezwaren tegen dat vonnis aan te voeren, blijft onverminderd gelden dat een procespartij slechts één keer zijn bezwaren (grieven) tegen een vonnis kan aanvoeren. Deze regel wordt ook wel aangeduid als de ‘een-keer-schieten regel’ [3] , die ook geldt in een geval als dit - hoger beroep tegen een zuiver eindvonnis met een later aanvullend vonnis ex artikel 32 Rv Pro.
3.5
Omdat [appellant] het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025 al heeft betrokken in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 23 april 2025 (
zaak 1.) en daartegen een grief heeft opgeworpen, kan hij dat niet opnieuw doen in deze zaak (
zaak 2.). Dat [appellant] de bevoegdheid had om te wachten met zijn grief tot het indienen van een memorie daartoe in
zaak 2.– maar dat niet gedaan heeft – maakt dat niet anders. [appellant] heeft daarmee de mogelijkheid verloren om in
zaak 2. alsnog en opnieuw grieven te richten tegen het aanvullend vonnis van 13 augustus 2025. Dit maakt dat [appellant] daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De conclusie
3.6
[appellant] is in het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het hof zal [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [4]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in dit hoger beroep;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
  • € 373 aan griffierecht
  • € 645 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt × 0,5 × het toepasselijke tarief II à € 1.290).
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 juni 2026.

Voetnoten

1.Geen van deze vonnissen zijn gepubliceerd.
2.Zie HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:200.
3.Vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160, HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:96, en HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.