Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3767

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
21-002737-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Partiële vrijspraak medeplegen en taakstraf voor hennepteelt

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd partieel vrijgesproken van medeplegen omdat onvoldoende bewijs was voor nauwe samenwerking met anderen. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 11 februari 2019 in zijn woning 386 hennepplanten aanwezig had.

Het hof achtte het bewezenverklaarde strafbaar op grond van de Opiumwet en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. Een voorwaardelijke gevangenisstraf werd niet opgelegd vanwege persoonlijke omstandigheden, waaronder een kwetsbare medische situatie en een laag recidiverisico volgens het reclasseringsrapport.

Daarnaast werd rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 11 maanden. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van rechtstreeks geleden schade. Het hof bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur voor het aanwezig hebben van hennepplanten, met partiële vrijspraak van medeplegen en afwijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002737-23
Uitspraakdatum: 22 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 januari 2021 met parketnummer 08-197398-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep tot een taakstraf met zorg van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis;
  • niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte voor het telen van hennep veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van 2 jaren;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen voor het bedrag van € 2.973,32, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 februari 2019, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (te weten in perceel [adres] ), een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, te weten (ongeveer) 386 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen van hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (, te weten 386 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 februari 2019 in zijn woning in [plaats] een hoeveelheid van 386 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft ook bekend dat hij de planten in zijn woning aanwezig heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte partieel vrij van medeplegen. Er zijn juridisch gezien onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met een of meer anderen en de hennepplanten tezamen aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 11 februari 2019, in de gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad, (te weten in perceel [adres] ), een hoeveelheid van 386 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en de raadsman van verdachte, mr. U. Ural. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd, inhoudende als volgt.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 386 hennepplanten in zijn woning. Het aanwezig hebben van hennepplanten brengt enorme risico’s met zich mee voor de volksgezondheid. Daarnaast zijn hennepkwekerijen in woningen brandgevaarlijk. Verdachte zat in de schulden en heeft naar voren gebracht dat die omstandigheid hem er mede toe heeft bewogen om een hennepkwekerij in zijn woning aanwezig te hebben. Verdachte neemt ter zitting van het hof (deels) zijn verantwoordelijkheid en betuigt spijt.
Verder houdt het hof rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij niet eerder voor hennep gerelateerde feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Bij de strafoplegging neemt het hof ook het reclasseringsrapport van 13 mei 2026 mee in haar overwegingen. Uit het reclasseringsrapport is naar voren gekomen dat verdachte gelet op zijn huidige medische situatie kwetsbaar en zorgbehoevend is en dat het recidiverisico laag is. Verdachte kan volgens de reclassering een taakstraf met zorg verrichten, die aansluit bij de medische situatie van verdachte.
Het hof heeft ook rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn. Het verstekvonnis van de politierechter is gewezen op 22 januari 2021. Verdachte was een tijd onvindbaar en heeft vervolgens op 5 juni 2023 hoger beroep ingesteld. In hoger beroep zijn door de verdediging geen onderzoekswensen geformuleerd. Dit arrest wordt uitgesproken op 22 mei 2026. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 11 maanden. Het hof zal de schending van de redelijke termijn laten meewegen in de op te leggen straf.
Het hof overweegt dat de door de politierechter opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel een passende straf is gelet op de ernst van het feit. De straf van de politierechter was overeenkomstig de richtlijnen. Het hof zal echter geen voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen en de op te leggen taakstraf met meer dan 10 procent naar beneden bijstellen. Dit doet het hof enerzijds in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en anderzijds gelet op voormelde persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ook blijken uit het reclasseringsrapport, in het bijzonder de huidige medische situatie van verdachte.
Het hof sluit zich aan bij de eis van de advocaat-generaal. Alles afwegende acht het hof passend en geboden de oplegging van een taakstraf met zorg van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.973,32 ingediend, bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft de vordering integraal toegewezen.
Voor het gevorderde bedrag van € 2.973,32 aan materiële schade is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het handelen van verdachte, het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 386 hennepplanten op 11 februari 2019. Daarom wordt de vordering van de benadeelde partij afgewezen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.