Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3909

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
21-002780-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor brandstichting met gemeen gevaar en schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van de brandstichting op 28 augustus 2024 omdat zijn rol onvoldoende vaststond om medeplegen of uitlokking te bewijzen. Wel werd hij veroordeeld voor medeplegen van brandstichting op 7 september 2024 bij een woning, waarbij gemeen gevaar voor goederen bestond.

De bewezenverklaring betrof het opzettelijk gieten en aansteken van een ontbrandbare vloeistof bij de voordeur van de woning, wat schade en gevaar veroorzaakte. Verdachte gaf opdrachten aan medeverdachten en liet de brandstichting filmen. De strafmaat werd vastgesteld op 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en een contact- en locatieverbod.

De slachtoffers leden materiële en immateriële schade. Het hof kende schadevergoedingen toe aan meerdere benadeelden, gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro, en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De immateriële schade werd erkend vanwege de ernstige impact op het veiligheidsgevoel en de persoonlijke situatie van de slachtoffers.

De vrijheidsbeperkende maatregel omvatte een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod rondom het adres waar de brandstichting plaatsvond, met vervangende hechtenis bij overtreding. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het reclasseringsadvies bij de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van brandstichting op 28 augustus 2024, veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf (6 maanden voorwaardelijk) voor medeplegen brandstichting op 7 september 2024 met schadevergoedingen en vrijheidsbeperkende maatregelen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002780-25
Uitspraakdatum: 15 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 juni 2025 met parketnummer 05-028416-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van
1 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H.J. van Dooijeweert, hebben aangevoerd en wat namens en door de benadeelde partij zelf naar voren is gebracht.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Gelderland en tot een andere strafoplegging. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Gelderland en in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 28 augustus 2024 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door een goed en/of middel in te brengen op de motorkap van een voertuig (kenteken: [kenteken] ) en hierna vuur en/of een brandend voorwerp op dit voertuig achter te laten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een of meer omliggende voertuigen en/of straatmeubilair en/of bosschages en/of struikgewas en/of bomen
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , in elk geval een of meerdere personen,
te duchten was;
feit 1 subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 28 augustus 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door een goed en/of middel in te brengen
op de motorkap van een voertuig (kenteken: [kenteken] ) en hierna vuur en/of
een brandend voorwerp op dit voertuig achter te laten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een of meer omliggende voertuigen en/of
straatmeubilair en/of bosschages en/of struikgewas en/of bomen
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , in elk geval een of meerdere personen, te duchten was;
welke strafbare feiten hij, verdachte, in of omstreeks 28 augustus 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermaals opzettelijk, heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of middelen en/of inlichtingen, door het aan medeverdachte(n) en/of andere mededaders geven of in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag en/of een financiële vergoeding in de vorm van een betaling middels cryptocurrency.
Feit 2 primair
hij op of omstreeks 7 september 2024 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door tegen en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en/of het raam en/of de kozijnen en/of overige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was;
feit 2 subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 7 september 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door tegen en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en/of het raam en/of de kozijnen en/of overige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was,
welke strafbare feiten hij, verdachte, op of omstreeks 7 september 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermaals opzettelijk, heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of middelen en/of inlichtingen, door het aan medeverdachte en/of andere mededaders geven of in het vooruitzicht stellen van een financiële vergoeding van 50 of 100 euro, althans een betaling middels cryptocurrency.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de rol van verdachte bij de brandstichting op 28 augustus 2024 onvoldoende vast is komen te staan om zijn handelen als medeplegen of uitlokking te kwalificeren. De door de rechtbank genoemde omstandigheden, die in hoger beroep door de advocaat-generaal zijn overgenomen, maken dit niet anders. Ook het feit dat er overeenkomsten zijn in de plaats waar en de manier waarop de branden zijn gesticht kan onvoldoende bijdragen aan een nadere duiding van de rol van verdachte.
Het hof heeft dan ook uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft bekend dat hij betrokken is geweest bij de brandstichting op 7 september 2024 bij de voordeur van het huis van aangever.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de kwalificatie van het handelen van verdachte.
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest, waaruit volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de brandstichting op 7 september 2024.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks7 september 2024 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met
een ander/anderen,
althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door tegen
en/of voor de deur van de woning een ontbrandbare vloeistof te gieten
en/of te besprenkelen, en die ontbrandbare vloeistof te doen ontbranden door die in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een bloempot en
/ofhet raam en
/ofde kozijnen en
/ofoverige delen van de woning, althans andere goederen die zich in de directe nabijheid van de voordeur bevonden, te duchten was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij heeft de rechtbank aan de proeftijd de algemene voorwaarden gekoppeld en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en mee moet werken aan behandeling en begeleiding en verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Ook heeft de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers en een gebiedsverbod voor het adres waar de brand is gesticht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, te weten ruim een jaar gevangenisstraf. Daarbij heeft zij gewezen op de ernst van het feit, de rol van verdachte en het feit dat bij de brand geen sprake is geweest van gevaar voor personen. Bovendien heeft verdachte zijn betrokkenheid bekend en spijt betuigd en heeft hij zich na de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden gehouden. Het verzoek is om aan verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om bovenop het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf die verdachte al in voorarrest heeft gezeten een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering die in het laatste advies heeft geadviseerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich samen met anderen midden in de nacht schuldig gemaakt aan een brandstichting bij een woning, terwijl de bewoners op dat moment lagen te slapen. Het motief was gelegen in een conflict met de zoon van de partner van aangever. Verdachte heeft de opdracht gegeven aan een medeverdachte om een jerrycan te vullen en om een andere medeverdachte, die de brand daadwerkelijk heeft gesticht, met zijn auto in de nabijheid van de woning af te zetten. Daarnaast heeft verdachte ook de opdracht gegeven om de brandstichting te laten filmen. De brand heeft schade aangericht aan goederen die bij de voordeur van de woning stonden. Dat er bij de brand bij de woning voor de slachtoffers en de buren niet meer gevaar en schade is ontstaan, is niet aan het handelen van verdachte en de medeverdachten te danken geweest, maar aan een alerte buurvrouw die de hulpdiensten heeft gebeld. Verdachte en de medeverdachten hebben door hun gedragingen welbewust een groot gevaar voor goederen in het leven geroepen en hebben zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.
De brandstichting heeft grote indruk op de slachtoffers gemaakt en een groot gevoel van onveiligheid bij hen veroorzaakt, mede gelet op het feit dat deze brandstichting volgde op een brandstichting die iets meer dan een week daarvoor de auto van de slachtoffers op de oprit van dezelfde woning totaal had verwoest. Na de tweede brandstichting hebben de bewoners hun huis moeten verlaten omdat de burgemeester de woning voor twee weken had gesloten. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de spreekrechtverklaring van het slachtoffer [benadeelde 1] ter terechtzitting bij het hof blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.
Naast de angstige ervaring voor de slachtoffers geldt ook in het algemeen dat gebeurtenissen als deze gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen. Het hof houdt met dit alles rekening.
Het hof heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (
‘het strafblad’) van 4 mei 2026. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, maar wel eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere een geweldsdelict.
Daarnaast heeft het hof gelet op hetgeen ter terechtzitting over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht en op de inhoud van het reclasseringsrapport van 22 mei 2026.
Uit de bespreking van de persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting blijkt dat verdachte op de wachtlijst staat voor een behandeling bij een psycholoog en dat hij op het punt staat te beginnen met een opleiding als ervaringsdeskundige. Daarnaast kampt verdachte met behoorlijke gezondheidsproblemen, is hij begonnen met het uitvoeren van alle aan hem opgelegde taakstraffen en is zijn plan om zich op termijn in [land] te vestigen.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering het risico op zowel de algemene recidive als letselschade inschat als gemiddeld, waarbij risicoverhogende factoren ten aanzien van de kans op herhaling worden gezien in het gebrek aan dagbesteding en het feit dat betrokkene niet financieel onafhankelijk is en als beschermende factor wordt de
ondersteunende rol van zijn moeder gezien.
De reclassering adviseert om bij een (deels) voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en begeleiding, zich inspant voor het vinden van een dagbesteding en het beheersen van zijn middelengebruik en dat verdachte een contact- en locatieverbod met de slachtoffers krijgt opgelegd en een contactverbod met de medeverdachten.
Alles afwegende acht het hof uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten en ter verdere bevordering van stabiliteit in het leven van verdachte, zullen aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals die in het reclasseringsrapport van 22 mei 2026 worden geadviseerd, met uitzondering van het voorgestelde contactverbod met de medeverdachten.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Met het oog op de beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal het hof net als de rechtbank aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De maatregel houdt een contactverbod met de slachtoffers in en een locatieverbod voor het adres waar de brand is gesticht en een straal van 500 meter daaromheen, gedurende vijf jaren. Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.824,84 ingediend, bestaande uit materiële schade (€ 2.824,84) en immateriële schade (€ 2.000,00). De rechtbank heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.310,00 (materieel
€ 1.310,00 en immaterieel € 2.000,00). De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
Daarnaast heeft de benadeelde partij voorafgaand aan de zitting in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding verhoogd met het bedrag waarop de benadeelde partij sinds september 2025 gekort wordt op haar netto inkomen (een bedrag van € 2.594,55) en verzocht ten aanzien van dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Voor wat betreft de materiële schade acht het hof de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor de haptonoom (€ 960,00), de inboedelverzekering (€ 100,00) en de opstalverzekering (€ 100,00) voor toewijzing vatbaar.
Het hof verwerpt het standpunt van de verdediging dat de kosten voor de haptonoom maar voor de helft toegewezen kunnen worden omdat verdachte alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor één brand. Alleen al de brandstichting op 7 september 2024 rechtvaardigt namelijk dat de benadeelde zich onder behandeling heeft laten stellen.
Ten aanzien van de overige posten (camera’s, kosten tandheelkunde, autoverzekering en giften) is het hof van oordeel dat het in deze procedure niet kan vaststellen dat deze door de benadeelde gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van verdachte.
De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij deze vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval eigenlijk al mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat de brandstichting voor langere tijd een forse impact heeft gehad op de benadeelde en in het bijzonder op haar gevoel van veiligheid. Zij lag te slapen toen de brand bij de woning werd gesticht en er is een brief achtergelaten met bedreigende woorden. Ook is haar woning gesloten en heeft zij tijdelijk elders moeten verblijven. De benadeelde partij heeft ter zitting onder andere geschetst dat de nare emoties er nog steeds zijn, dat haar lijf bij andere dan de normale geluiden in en om het huis in paniek raakt en zij nog steeds regelmatig ’s nachts wakker wordt met een gevoel van angst. Ook gaat er geen dag voorbij dat ze er niet aan denkt en is ze nog steeds buiten in het donker bang, schrikt ze bij harde knallen en heeft ze moeite zich te concentreren en ontspannen. Ook is ze het vertrouwen in zichzelf en anderen kwijt, schaamt ze zich voor de buurt en maakt ze zich druk om wat andere mensen denken.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De betrokkenheid van verdachte bij de ene brandstichting rechtvaardigt de toewijzing van het gevraagde bedrag. Het hof volgt de verdediging dus niet in het standpunt dat slechts de helft voor toewijzing vatbaar is.
Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schade daarom geheel toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Voor wat betreft de hoogte van deze schadevergoedingsmaatregel is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het verzoek van de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel te verhogen met het bedrag waarop de benadeelde partij sinds september 2025 gekort wordt op haar netto inkomen niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Uit de stukken van de benadeelde partij blijkt immers dat zij bezig was met een re-integratietraject om weer volledig aan het werk te kunnen gaan, toen zij met haar fiets is gevallen en haar arm gebroken heeft. Van de korting op haar salaris is naar het oordeel van het hof niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek hiernaar zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen en het hof is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het hof zal daarom niet overgaan tot oplegging van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel voor een hoger bedrag.
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen hebben ieder een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend wegens immateriële schade. De rechtbank heeft deze bedragen toegewezen.
De benadeelde partijen hebben deze vorderingen gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat de brandstichting voor langere tijd een forse impact heeft gehad op de benadeelden en in het bijzonder op hun gevoel van veiligheid. Zij lagen te slapen toen de brand bij de woning werd gesticht en er is een brief achtergelaten met bedreigende woorden. Ook is hun woning gesloten en hebben zij tijdelijk elders moeten verblijven.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De betrokkenheid van verdachte bij de ene brandstichting rechtvaardigt de toewijzing van het gevraagde bedrag. Het hof volgt de verdediging dus niet in het standpunt dat slechts de helft voor toewijzing vatbaar is.
Het hof wijst de vorderingen van de benadeelde partijen tot immateriële schade daarom geheel toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [instelling] of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
- zich begeleiden door [instelling2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of scholing, met een vaste structuur;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren
- zich niet zal ophouden in een straal van 500 meter van het adres [adres 2] in [plaats] , en
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
  • [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum 1] ;
  • [benadeelde 2] , wonende aan de [adres 2] in [plaats] ;
  • [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum 2] ;
  • [benadeelde 4] , geboren op [geboortedatum 3] ;
  • [benadeelde 5] , geboren op [geboortedatum 4] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van
6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.160,00 (drieduizend honderdzestig euro) bestaande uit € 1.160,00 (duizend honderdzestig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.160,00 (drieduizend honderdzestig euro) bestaande uit € 1.160,00 (duizend honderdzestig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en wijst af het meer gevorderde.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. C.T. Tjauw-Foe, mr. F.A.M. Bakker en
mr. R.W.E. van Leuken,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 15 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. H.A.C. Peters, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.