ECLI:NL:GHARL:2026:3940

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.338.428
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming tot erkenning van minderjarige door biologische vader

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de man tegen de weigering van de rechtbank om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van zijn minderjarige kind. De moeder, die al jaren geen contact heeft met het kind en kampt met ernstige psychische problematiek, was tegen erkenning. De bijzondere curator en Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (GI) gaven aan dat erkenning de belangen van de moeder en het kind kan schaden.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde echter om de man toestemming te geven, omdat het kind recht heeft te weten wie zijn ouders zijn en de huidige stabiele situatie bij de grootouders niet wordt bedreigd. De moeder heeft sinds drie jaar geen contact met het kind en er is geen zicht op verbetering van haar situatie op korte termijn.

Het hof oordeelde dat het belang van de man en het kind bij erkenning zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding, die feitelijk al niet bestaat. Er is geen aanwijzing dat erkenning de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van het kind zal schaden. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de man krijgt vervangende toestemming om het kind te erkennen.

Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming aan de man om de minderjarige te erkennen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.338.428
(zaaknummer rechtbank Gelderland 398364)
beschikking van 16 juni 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kalle,
en
[verweerster] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.H. Bouwman.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de bijzondere curator,
mr. M. van Hunnik,
kantoorhoudende in Ede,
verder te noemen: de bijzondere curator.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 3 juni 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI) van 14 november 2025;
- een journaalbericht van de bijzondere curator van 24 april 2026.
1.3
Op 19 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet.
Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de GI als informant;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad)

2.De motivering van de beslissing

Samenvatting tussenbeschikking hof
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 3 juni 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de bestreden beschikking van 5 december 2023 vernietigd voor wat betreft het ontslag van de bijzondere curator. Verder heeft het hof de advocaat van de vrouw, de GI en de bijzondere curator verzocht het hof te informeren over hoe het met [de minderjarige] gaat (over zijn ontwikkeling en de statusvoorlichting door de GI), de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en de situatie van de vrouw (hoe het met haar gaat en welke hulp zij krijgt). In afwachting hiervan is iedere verdere beslissing aangehouden.
Standpunten betrokkenen
2.3
Het hof heeft van de vrouw geen nadere informatie ontvangen. De vrouw en haar advocaat zijn ook niet op de mondelinge behandeling verschenen, ook al had de advocaat van de vrouw de griffie van het hof bericht dat hij een kwartier later zou komen.
2.4
De bijzondere curator heeft het hof bericht dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] door erkenning worden geschaad. De vrouw is kwetsbaar, heeft onverwerkt trauma, veel angst en daarmee gepaard gaand coping gedrag. De vrouw kent sterke spanningspieken, gebruikt verdovende middelen om stress te onderdrukken en kan door de stress lange tijd uit contact gaan met anderen. De tussenbeschikking van het hof heeft bij de vrouw voor een forse terugslag gezorgd. De onzekerheid die de vrouw ervaart door deze procedure zorgt voor grote onrust en instabiliteit en dat heeft zijn weerslag op [de minderjarige] . Zolang er geen zekerheid is kan de vrouw niet bouwen aan stabilisering en traumaverwerking en kan zij het contact met [de minderjarige] niet aan. Als de man [de minderjarige] mag erkennen dan kan de vrouw niet anders dan volledig afstand nemen van [de minderjarige] en grootouders. Aangezien het perspectief van [de minderjarige] bij grootouders ligt, is dat niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft er belang bij dat grootouders hun rol als pleegouders in alle rust kunnen blijven vervullen en kunnen gaan bouwen aan contactherstel tussen de vrouw en [de minderjarige] . Doordat de moeder al lange tijd zeer minimaal op het leven van [de minderjarige] betrokken kan zijn, komt de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] ook in het gedrang. De bijzondere curator ziet niet dat er op korte termijn verandering zal plaatsvinden in de situatie zoals die nu is. [de minderjarige] heeft recht om te weten wie zijn vader (en moeder) is, maar dat ontstaat niet door erkenning maar door statusvoorlichting en dat zal sowieso gaan gebeuren.
2.5
De GI heeft het hof bericht dat het met [de minderjarige] bij de grootouders goed gaat. De grootouders bieden [de minderjarige] een stabiele en liefdevolle omgeving. Er zijn geen signalen van onveiligheid of stagnatie in zijn ontwikkeling. [de minderjarige] weet niet wie zijn moeder of zijn vader is. De GI is voornemens [de minderjarige] het komende jaar statusvoorlichting te geven over beide ouders. [de minderjarige] heeft de vrouw bij de uithuisplaatsing, drie jaar geleden, voor het laatst gezien. Afhankelijk van de uitspraak in deze zaak zal de GI een perspectiefbesluit (laten) nemen. De GI vindt het wenselijk dat [de minderjarige] een relatie met zijn moeder en haar netwerk kan opbouwen maar vreest ervoor dat de vrouw uit beeld gaat indien de man [de minderjarige] mag erkennen. Het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vrouw kan pas plaatsvinden als er meer inzicht is in de persoonlijke problematiek van de vrouw en de hulp die zij hiervoor krijgt. Het contact moet rustig worden opgebouwd en de vrouw moet hiervoor voldoende stabiliteit en ondersteuning hebben.
De vrouw is bang voor de man en zij heeft zekerheid nodig dat de man niet in haar leven komt. Pas daarna kan de vrouw starten met traumabehandeling en het opbouwen van contact met [de minderjarige] . De vrouw heeft veel last van stress als gevolg van deze erkenningszaak en is daarom begin 2026 uit contact getreden met de GI. De gebeurtenissen die in de beleving van de vrouw in de relatie met de man hebben plaatsgevonden en alle spanningen daarvan belemmeren de vrouw op alle levensgebieden en ook in haar mogelijkheden te werken aan haar eigen herstel. De GI vindt het niet wenselijk dat de man [de minderjarige] mag erkennen, gezien de voorgeschiedenis en de huidige spanningen bij de vrouw. Daarbij is [de minderjarige] op een leeftijd waarop essentieel is om te investeren in de hechting tussen hem en de vrouw en om stappen te zetten die bijdragen aan een gezonde identiteitsontwikkeling en daarbij zijn rust en stabiliteit van groot belang.
2.6
De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling geadviseerd de man toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Het gaat goed met [de minderjarige] in het pleeggezin van de grootouders. De raad is verbaasd te horen dat er weinig ontwikkelingen zijn geweest de afgelopen jaren. De vrouw heeft nog veel te doen en zal moeten werken aan stabiliteit en haar mogelijkheden om [de minderjarige] iets te kunnen gaan bieden. In het afgelopen jaar heeft [de minderjarige] geen contact met zijn moeder gekregen.
Nu er statusvoorlichting komt voor zowel de man als de vrouw, vindt de raad het passend dat de man [de minderjarige] ook erkent. De raad begrijpt dat de vrouw veel stress heeft maar vraagt zich af of dat komt door deze erkenningszaak. [de minderjarige] heeft het recht te weten wie zijn moeder en zijn vader zijn. De raad vindt erkenning dan ook in het belang van [de minderjarige] en vindt belangrijk dat [de minderjarige] hierbij begeleiding krijgt.
2.7
De man voert op de mondelinge behandeling aan dat hij en [de minderjarige] er belang bij hebben dat de relatie tussen hem en [de minderjarige] door erkenning wordt vastgelegd. [de minderjarige] zal binnenkort ook statusvoorlichting krijgen en dat is belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] .
Het is de man onduidelijk waarom de vrouw al lange tijd geen contact met [de minderjarige] heeft. Er zijn geen stukken waaruit blijkt dat de man de oorzaak is van de problematiek en spanningen van de vrouw of dat de vrouw therapie is gestart hiervoor. De man is het eens met het advies van de raad.
Hoe oordeelt het hof?
2.8
Het hof zal de man vervangende toestemming verlenen om [de minderjarige] te erkennen. Het hof legt hieronder uit waarom.
2.9
De verwekker van een kind of de biologische vader van een kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, kan dat kind erkennen.
Voor erkenning van een kind dat nog geen zestien jaar is, is de toestemming van de moeder nodig. De rechtbank kan in plaats van de moeder toestemming voor erkenning geven op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen. De rechtbank geeft toestemming, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. [1]
2.1
Als uitgangspunt heeft te gelden dat het kind en de man, die zijn verwekker is, er recht op hebben dat hun relatie als een familierechtelijke betrekking wordt erkend.
2.11
Er is al een jaar verstreken na de tussenbeschikking van het hof en er is niets veranderd aan de situatie. Er is nog geen statusvoorlichting geweest en de vrouw heeft nog steeds geen contact met [de minderjarige] . Het laatste contact van de vrouw met [de minderjarige] was drie jaar geleden; zij heeft dus al jaren geen dan wel nauwelijks een relatie met [de minderjarige] . Gelet op de – ernstige en langdurige – problematiek van de vrouw is er geen verwachting dat in deze situatie op afzienbare termijn verandering komt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten die dat aannemelijk maken.
2.12
Het belang dat de man en [de minderjarige] hebben bij erkenning moet worden afgewogen tegen het belang van de vrouw bij een ongestoorde relatie met [de minderjarige] . Zoals hiervoor blijkt, heeft de vrouw [de minderjarige] al drie jaar niet meer gezien. De vrouw heeft dus al geruime tijd geen enkele relatie met [de minderjarige] . De vijfjarige [de minderjarige] weet niet wie zijn moeder is. Hij woont al jaren bij de grootouders. Het hof begrijpt dat zijn perspectief daar ligt en dat zij de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zullen blijven doen tot aan zijn volwassenheid. Naar het oordeel van het hof kan dan ook geen sprake zijn van een ongestoorde verhouding tussen de vrouw en [de minderjarige] die kan worden geschaad door erkenning.
2.13
Van schade aan het belang van [de minderjarige] is sprake als er reële risico’s zijn dat hij door de erkenning wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dat is slechts het geval als erkenning ertoe leidt dat de vrouw daardoor in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [de minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Hiervan is ook geen sprake. [de minderjarige] woont bij de grootouders en zal daar blijven wonen. Zij bieden hem een stabiel opvoedingsklimaat. Er zijn geen signalen van onveiligheid of stagnatie in zijn ontwikkeling. Het is de vrouw de afgelopen jaren niet gelukt contact te hebben met [de minderjarige] , laat staan om hem een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Dat blijkt ook uit het raadsrapport.
2.14
Het hof neemt in zijn beslissing mee dat de vrouw het afgelopen jaar niets heeft ondernomen om te werken aan haar problematiek. Het hof kan begrijpen dat de vrouw angst heeft voor de man maar zij lijkt daaraan niet onvoorwaardelijk te willen werken. Zij zegt pas aan haar problematiek te kunnen gaan werken als zij zekerheid heeft dat de man niet in haar leven komt. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] , zoals de raad ook al in zijn raadsrapport opmerkte. Het hof is het met de raad eens dat niet kan worden vastgesteld dat de stress die de vrouw ervaart enkel voortkomt uit de spanningen rondom deze procedure. Zoals de man terecht heeft opgemerkt, is er geen rapport van een deskundige waaruit de psychische toestand van de vrouw blijkt en waaruit blijkt dat de spanningen van de vrouw worden veroorzaakt door de mogelijkheid dat de man [de minderjarige] mag erkennen. De vrouw heeft hierin geen enkel inzicht gegeven.
2.15
[de minderjarige] heeft het recht om te weten wie zijn ouders zijn. De GI zal [de minderjarige] hierover statusvoorlichting geven het komende jaar. Het hof is met de raad eens dat erkenning hierbij past waardoor de feitelijke werkelijkheid overeenkomt met de juridische werkelijkheid.
2.16
De beslissing van de rechtbank zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
2.17
Het hof verklaart deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad. De reden daarvoor is dat het onwenselijk is als de man al erkent terwijl tegen de vervangende toestemming nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 december 2023, voor zover daarbij het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen is afgewezen,
in zoverre opnieuw beschikkende:
verleent de man vervangende toestemming om [de minderjarige] , geboren [in] 2021 in [geboorteplaats] , te erkennen;
bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan stuurt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, S. Kuijpers en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek.