ECLI:NL:GHARL:2026:3987

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.368.349
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis vervangende toestemming schoolplaatsing kinderen na voorlopige toewijzing aan vader

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat de vader vervangende toestemming verleent om de kinderen in te schrijven op scholen in zijn woonplaats. De kinderen wonen sinds 9 maart 2026 bij de vader, na een voorlopige toewijzing door de voorzieningenrechter die het hof eerder heeft bekrachtigd.

Het hof overweegt dat het in het belang van de kinderen is dat zij niet dagelijks heen en weer hoeven te reizen tussen de woonplaatsen van de ouders. Daarnaast is het van belang dat de kinderen buiten de invloedsfeer van de moeder en haar netwerk naar school gaan, om de complexe dynamiek tussen de ouders en kinderen te doorbreken. De moeder heeft onvoldoende meegewerkt aan hulpverlening gericht op contactherstel tussen vader en kinderen.

Het hof constateert dat de kinderen inmiddels een positieve start hebben gemaakt op de nieuwe scholen en dat het plan van aanpak van de hulpverleners voorziet in een gefaseerde hernieuwde omgang met de moeder. Gezien deze omstandigheden wijst het hof het hoger beroep van de moeder af en bekrachtigt het het bestreden vonnis. Beide ouders dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vader vervangende toestemming krijgt voor inschrijving van de kinderen op scholen in zijn woonplaats en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.349
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 608650
arrest in kort geding van 16 juni 2026
over de plaatsing op school van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[appellante](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen,
en
[geïntimeerde](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J. van Vonderen-Jagersma.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), op 7 april 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Dit vonnis in kort geding wordt hierna ook ‘het bestreden vonnis’ genoemd.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de (spoed)dagvaarding in hoger beroep (tevens houdende een memorie van grieven) met bijlagen;
  • de memorie van antwoord met bijlagen, en
  • stukken namens de moeder van 21 mei 2026 en 28 mei 2026.
1.3.
Op 18 mei 2026 hebben [de minderjarige2] en [de minderjarige1] afzonderlijk van elkaar gesproken met een rechter van het hof, in het bijzijn van een griffier. Zij hebben verteld wat zij vinden van de zaak.
1.4.
De zitting bij het hof was op 29 mei 2026. De zaken zijn op verzoek van de vader en met instemming van de moeder gelijktijdig behandeld met de zaken over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] die gaan over de zorgregeling en het verzoek van de moeder om twee bijzondere curatoren te benoemen (zaaknummers 200.366.416/01 en 200.367.616). Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE);
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) als adviseur voor het hof.
1.5.
Op de zitting bij het hof hebben partijen ermee ingestemd dat het hof in de beoordeling van de voorliggende vordering ook de stukken mag betrekken die zijn ingediend in de zaken met zaaknummers 200.366.416/01 en 200.367.616.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van
[de minderjarige2] en [de minderjarige1] . [de minderjarige2] is geboren [in] 2011 en [de minderjarige1] [in] 2014.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De ouders hebben in een ouderschapsplan afgesproken dat de kinderen hun
hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot
maandag naar school bij de vader zijn.
2.4.
De kinderen staan sinds 1 december 2023 onder toezicht van SAVE. De ondertoezichtstelling loopt vooralsnog tot 1 september 2026.
2.5.
In een vonnis in kort geding van 19 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de kinderen met ingang van 9 maart 2026 voorlopig aan de vader toevertrouwd. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd in een arrest van 31 maart 2026.
2.6.
In een beschikking van 19 februari 2026 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kinderrechter) SAVE opgedragen de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met inzet van passende hulpverlening bij de vader thuis. In deze beschikking heeft de kinderrechter ook de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling tussen de kinderen en de moeder in handen van SAVE gelegd, waarbij SAVE zelfstandig de aanvang, plaats en duur van het contact mag bepalen. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 19 februari 2026 (zaaknummers 200.366.416/01 en 200.367.616). Het hof heeft vandaag op het ingestelde hoger beroep van de moeder tegen die beschikking beslist dat de beschikking van 19 februari 2026 in stand blijft.
2.7.
De kinderen wonen sinds 9 maart 2026 bij de vader in [woonplaats2] .
2.8.
Tot 9 maart 2026 ging [de minderjarige1] naar de basisschool [naam1] in [plaats1] en [de minderjarige2] naar de middelbare school [naam2] in [plaats1] .

3.De kern van de zaak

3.1.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis (voor zover in dit hoger beroep relevant):
  • de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige1] per direct in te schrijven en te plaatsen op de [naam3] in [plaats2] en aan te melden bij het [naam4] voor voortgezet onderwijs in [plaats2] ;
  • de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige2] per direct in te schrijven en te plaatsen op het [naam4] voor voortgezet onderwijs in [plaats2] , en
- de vordering van de moeder te bepalen dat [de minderjarige1] wordt ingeschreven op de middelbare school ‘ [naam2] ’ in [plaats1] en dat de vader wordt verplicht daaraan mee te werken, afgewezen.
3.2.
De moeder is het niet eens met het bestreden vonnis. Zij wil dat het hof de beslissingen van de voorzieningenrechter over de vervangende toestemming ongedaan maakt en alsnog bepaalt dat [de minderjarige1] wordt ingeschreven op de middelbare school ‘ [naam2] ’ in [plaats1] .
3.3.
De vader is het wel eens met het bestreden vonnis. Hij wil dat het hof het bestreden vonnis in stand laat en de moeder veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
Het hof zal beslissen dat het bestreden vonnis in stand blijft en dat de moeder en de vader allebei hun eigen proceskosten moeten betalen. Het hof licht dat hierna toe.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
4.1.
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij op het moment van het arrest van het hof een spoedeisend belang heeft bij die voorziening. [1]
4.2.
De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand op het moment van de uitspraak.
4.3.
Uit de aard van de zaak en de gevorderde voorzieningen volgt naar het oordeel van het hof zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een spoedeisend belang van de moeder en de vader bij een beslissing van de voorzieningenrechter. Sinds 9 maart 2026 wonen de kinderen niet meer in [woonplaats1] maar in [woonplaats2] . De vader wil dat de kinderen naar de genoemde scholen in [plaats2] gaan. De moeder wil daar geen toestemming voor geven. Zij wil dat de kinderen naar hun oude scholen in [plaats1] gaan. Het is in het belang van de ouders en met name in het belang van de kinderen dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over waar de kinderen naar school zullen gaan.
Vervangende toestemming
4.4.
Het hof is net als de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang is van de kinderen dat de vader de kinderen kan inschrijven en aanmelden op de genoemde scholen in [plaats2] .
4.5.
Op 19 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de kinderen voorlopig toevertrouwd aan de vader. Het hof heeft die beslissing op 31 maart 2026 bekrachtigd. Als gevolg van de beslissing van 19 februari 2026 wonen de kinderen nu bij de vader in [woonplaats2] . De verwachting is dat zij daar voorlopig zullen blijven wonen. Naar het oordeel van het hof is het te belastend voor de kinderen om dagelijks voor school heen en weer te moeten reizen tussen [woonplaats2] en [plaats1] . Het argument van de moeder dat de ouders in het verleden, toen zij toewerkten naar een co-ouderschapsregeling, voor ogen hadden dat de kinderen voor school heen en weer zouden reizen tussen [woonplaats2] en [plaats1] maakt het oordeel van het hof niet anders. Alleen al omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn: in het geval van een co-ouderschapsregeling zouden de kinderen (ongeveer) de helft van de tijd heen en weer moeten reizen, terwijl zij in de huidige situatie dagelijks heen en weer zouden moeten reizen. Naast dat het hof het heen en weer reizen te belastend vindt voor de kinderen, is het naar het oordeel van het hof in het belang van de kinderen dat zij buiten de invloedsfeer van de moeder en haar netwerk naar school kunnen gaan. Het hof legt dit hierna uit.
4.6.
Op het moment van de beslissing van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 om de kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de vader was er bijna vier jaar geen contact meer geweest tussen de vader en de kinderen, op drie korte contactmomenten onder begeleiding van de hulpverlening na. Het contactverlies tussen de vader en de kinderen vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De afgelopen jaren is op allerlei manieren geprobeerd om die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Hoewel de moeder diverse waarschuwingen heeft gehad, heeft zij onvoldoende meegewerkt aan de ingezette hulpverlening die is gericht op contactherstel. Uiteindelijk heeft de voorzieningenrechter geen andere mogelijkheid gezien dan de kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de vader. Het hof verwijst voor de achtergrond van de zaak naar de beschikking die het hof vandaag heeft gegeven in de zaken met zaaknummers 200.366.416/01 en 200.367.616. Zoals in die beschikking naar voren komt, hebben jeugdhulporganisatie [naam5] en de raad geconstateerd dat sprake is van een ingewikkelde dynamiek tussen enerzijds de kinderen en de moeder en anderzijds de vader. Zolang die dynamiek aan de orde is, kunnen de kinderen niet anders dan de vader afwijzen. Om de beschreven dynamiek te doorbreken, is het noodzakelijk dat de kinderen uit de invloedsfeer van de moeder worden gehaald. SAVE heeft [naam5] gevraagd een plan te maken om de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader te begeleiden. [naam5] heeft een plan van aanpak opgesteld, dat bestaat uit drie fasen. Volgens het plan van aanpak mag er gedurende de eerste en de tweede fase geen contact plaatsvinden tussen de moeder (en haar netwerk) en de kinderen. In fase 3 wordt toegewerkt naar het hervatten van contactmomenten met de moeder. Het hof begrijpt en ziet dat deze ingreep grote impact heeft op de kinderen en op de moeder. De kinderen zijn uit hun vertrouwde omgeving gehaald en zij ervaren angst en verdriet. Zij willen het liefst weer bij de moeder wonen en terug naar hun oude scholen, waar zij hun vriendinnen hebben. Toch is het hof van oordeel dat de ingeslagen weg moet worden gevolgd. De kinderen moeten de ruimte krijgen om een band op te bouwen met de vader en een eigen beeld van hem te vormen. SAVE en [naam5] hebben geen zorgen over de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de vader. De forse ingreep wordt gerechtvaardigd door de ernst van de zorgen over de kinderen, de lange voorgeschiedenis en het (gebleken) gebrek aan andere mogelijkheden. Uit onder meer de weekverslagen van [naam5] blijkt dat sprake is van een voorzichtige positieve ontwikkeling in het contact tussen de kinderen en de vader. Het is belangrijk dat dit proces niet wordt verstoord door inmenging van de moeder en/of haar netwerk. Verstoringen leiden ertoe dat de kinderen terugvallen in hun oude gedrag en dat het langer duurt voordat de moeder en de kinderen weer contact met elkaar kunnen hebben. Als de kinderen weer naar hun oude scholen in [plaats1] zouden gaan, blijven zij naar het oordeel van het hof binnen de invloedsfeer van de moeder en haar netwerk. De moeder woont in [woonplaats1] . Zij woont op korte afstand van [naam1] en zij werkt op die school. Dat zij nu tijdelijk in de Ziektewet zit, maakt niet dat er geen connectie meer is tussen haar en de school. Omdat de moeder zich niet kan vinden in de ingeslagen weg en zij niet inziet, dat is ook op de zitting bij het hof gebleken, dat zij zelf (bewust dan wel onbewust) een rol heeft gehad in de ontstane situatie, is naar het oordeel van het hof het risico te groot dat zij (of haar netwerk) geen afstand kan houden van de kinderen als zij weer naar hun oude scholen in [plaats1] zouden gaan. Contact met de moeder en/of haar netwerk in deze fase van het plan van aanpak zou de voorzichtige stapjes die de kinderen met inzet van heel veel hulp en middelen zetten in de richting van het einddoel (vrij en onbelast contact met beide ouders) teniet doen.
4.7.
De kinderen gaan inmiddels naar de genoemde scholen in [plaats2] . SAVE heeft van de scholen het bericht gekregen dat de kinderen een positieve start hebben gemaakt. Daarnaast hebben SAVE en de vader gezocht naar mogelijkheden voor [de minderjarige1] om afscheid te kunnen nemen van haar oude groep 8 op [naam1] . Zij mag een dag mee op kamp en heeft als voice-over een rol in de musical. Ook is bezoek van de kinderen aan hun zieke opa moederszijde in april mogelijk gemaakt.
4.8.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van de moeder niet. Het hof zal het bestreden vonnis daarom in stand laten. Het hof zal deze beslissing in een brief aan de kinderen uitleggen.
4.9.
Het hof zal bepalen dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen (compensatie van proceskosten), omdat zij met elkaar gehuwd zijn geweest en deze zaak over hun kinderen gaat. Het hof ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling, zoals de vader vordert.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 7 april 2026;
5.2.
compenseert de proceskosten in dit kort geding;
5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes en C.M. Schönhagen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437.