Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4016

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.369.227/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 351 RvArt. 433 RvArt. 1.2 Lpr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging koopovereenkomst agrarische gronden in hoger beroep

In deze zaak staat de verkoop van agrarische gronden centraal waarbij de koper stelt dat een geldige koopovereenkomst is gesloten, terwijl de verkoper dit betwist. De voorzieningenrechter had de verkoper veroordeeld tot medewerking aan de levering, maar de verkoper stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.

Het hof heeft overwogen dat de belangen van de koper bij een snelle levering door het verstrijken van de peildatum voor de gecombineerde opgave bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan gewicht hebben verloren. De verkoper heeft een zwaarwegend belang bij het behoud van de huidige situatie vanwege zijn biologische landbouwpraktijken en natuurbeheer, die door een voortijdige levering in gevaar zouden komen.

Het hof concludeert dat de belangen van de verkoper zwaarder wegen en schorst daarom de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis. De verkoper kan zo de uitkomst van het hoger beroep afwachten zonder te hoeven leveren. De hoofdzaak moet uiterlijk 7 juli 2026 aan de rol worden gebracht, anders vervalt de schorsing. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis wordt geschorst zodat de verkoper de uitkomst van het hoger beroep kan afwachten zonder te hoeven leveren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.369.227/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 255690)
arrest in het incident ex 351 Rv in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellant]
advocaat: mr. P.C. van der Maas, die kantoor houdt in Groningen
tegen

1.[geïntimeerde1] B.V.

gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna:
[geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde2]
gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden]
advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt in Groningen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft bij exploot van 13 mei 2026 hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 6 mei 2026 van de voorzieningenrechter bij de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Het hoger beroep is op 18 mei 2026 ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 Rv Pro.
1.2
Bij exploot van 21 mei 2026 heeft [appellant] bij wege van incident gevorderd de tenuitvoerlegging van het bestreden kortgedingvonnis van 6 mei 2026 te schorsen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
1.3
Op de rol van 26 mei 2026 heeft [appellant] een akte overlegging producties genomen en hebben [geïntimeerden] een antwoordmemorie in het incident genomen. [geïntimeerden] concluderen hierin tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
1.4
Eveneens op 26 mei 2026 heeft het hof in een kop-staart arrest een beslissing gegeven in het incident. De toelichting op die beslissing is hieronder uitgewerkt.

2.Toelichting op de beslissing van het hof

2.1
Bij de beslissing is het hof uitgegaan van de feiten zoals die zijn weergegeven in het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026. Deze feiten worden hierna in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.14 verkort weergegeven.
de feiten
2.2
[geïntimeerde1] legt zich toe op het vermogensbeheer van ondernemingen van de heer [naam1] (verder: [naam1] ). Deze ondernemingen richten zich met name op de ontwikkeling, productie en distributie van innovatieve oplossingen voor paardenmonitoring en dierenwelzijn.
2.3
[geïntimeerde2] is de zoon van [naam1] . [geïntimeerde2] drijft een agrarische onderneming (de eenmanszaak [naam2] ) die zich richt op het fokken en houden van schapen en runderen.
2.4
[appellant] is bewoner en eigenaar van het onroerend goed gelegen aan en nabij de [adres1] te [woonplaats1] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats1] [sectie] , [nummer1] , [nummer2] en [nummer3] , tezamen groot 53 hectare, 40 are en 65 centiare (verder: het OG). Met zijn eenmanszaak [naam3] drijft hij daar een onderneming die zich richt op de opfok van jongvee voor de melkveehouderij, een zoogkoeienhouderij, voederteelt en natuurbeheer. Het OG bestaat uit percelen cultuurgrond, bedrijfsopstallen met ondergrond en een boerderij met ligboxenstal, gierkelders, mestsilo, bijgebouwen en toebehoren. Een gedeelte van het OG, gemeente [woonplaats1] [sectie] , [nummer2] , ter grootte van ongeveer 10 are (verder: de Boerderij), heeft een monumentale status.
2.5
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn in het kader van hun zoektocht naar beleggingsmogelijkheden c.q. de aankoop van weidegrond (uitbreiding met een zogenaamde NSW-buitenplaats) in contact gekomen met [appellant] , met wie zij hebben gesproken over de aankoop van het OG.
2.6
In de periode vanaf 3 december 2025 heeft [appellant] per e-mail antwoord gegeven op een aantal door [geïntimeerden] gestelde vragen omtrent allerlei kenmerken van het OG en hebben partijen ook op andere wijze contact gehad met elkaar.
2.7
In een e-mail van 5 december 2025 schrijft [appellant] aan [geïntimeerden] onder meer:

(…) Voorwaarden van mijn kant om tot nadere onderhandeling te kunnen overgaan:
De verkoopopbrengst zal voor mij minimaal zes miljoen euro moeten zijn voor de gehele boerderij met op dit moment bijbehorende grond (…) (…). De hectareprijs zal in ieder geval honderdtienduizend euro bedragen. (…) Een andere mogelijkheid zou wat mij betreft kunnen zijn dat de agrarische grond, of een gedeelte daarvan, apart van het erf verkocht kan worden. Minimale opbrengst per hectare zal dan eveneens honderdtienduizend euro moeten bedragen (…). Als jullie dat geen probleem vinden kunnen we wat mij betreft verder met nadere onderhandelingen. (…)”
2.8
Op 22 januari 2026 hebben [geïntimeerden] [appellant] bezocht. [appellant] heeft daarop aan hen een e-mail gezonden, waarin hij onder meer schrijft:

(…) Ik meen duidelijk begrepen te hebben dat jullie met mijn minimaal gestelde vraagprijs voor de gehele boerderij met bijbehorende agrarische grond niet akkoord kunnen gaan; ook niet met mijn minimale vraagprijs per hectare. Wel hebben jullie voorgesteld een deskundig makelaar met mij in contact te willen brengen. Ik ben daarmee akkoord gegaan. Echter bij nader inzien denk ik dat ik daarbij wel duidelijk moet vermelden dat ik daarbij hooguit open zal staan om eventueel een gedeelte van de agrarische grond te spreken. Namelijk de ca. zeventien hectare die eerder bij de boerderij aan [adres2] te [woonplaats1] behoorde. Onder een opbrengst van honderdduizend per hectare wil ik ook die grond echter niet verkopen. (…)”
2.9
Naar aanleiding van de e-mail van [appellant] van 22 januari 2026 hebben [naam1] en [geïntimeerde2] op 28 januari 2026 een bezoek gebracht aan [appellant] . Bij gelegenheid daarvan is een foto gemaakt waarop is te zien dat [appellant] en [geïntimeerde2] elkaar de hand schudden. [1]
2.1
Na dit bezoek heeft [appellant] op diezelfde 28 januari 2026 aan [geïntimeerden] een e-mail gestuurd, waarin hij schrijft:
"
Beste [geïntimeerde2] en [naam1] ,
Een mij zeer verrassende ontwikkeling vanmiddag aan de keukentafel op [naam3] ! Zoals afgesproken zend ik jullie hierbij de genomen foto’s.
Mondeling hebben jullie aangegeven de gehele boerderij, erf en gebouwen met bijbehorende grond, te willen aankopen voor de minimaal door mij gestelde prijs van zes miljoen euro, kosten koper, waarvan in ieder geval honderdtienduizend euro per hectare.
Belangrijkste voorwaarde van mijn kant is dat het geheel als cultureel erfgoed zal worden beheerd en bewaard; in eerste instantie met doorgaande agrarische bestemming met aandacht voor de aanwezige natuur en behoud van landschappelijke waarden. Er zal geen verandering van bestemming naar woningbouw of bedrijfsterrein in gang worden gezet. Zoals ik heb aangegeven tijdens onze gesprekken ben ik in overleg met Rijk en Provincie om ondergrond en omgeving van het oude borgterrein extra bescherming te geven. Ik stel als voorwaarde dat deze gesprekken door zullen gaan en dat jullie de beschermende maatregelen in overleg met Rijk en Provincie zullen doorzetten en eventueel verder ontwikkelen. In eerste instantie gaat het daarbij om behoud van borgterrein met grachten, singels en “ [naam6] ” in huidige vorm; eventueel later meer naar oorspronkelijke vorm te herstellen.
Ik stel ook als voorwaarde dat ik ruim gelegenheid krijg het concept van het op te stellen voorlopige koopcontract door te nemen met mijn deskundige vertrouwenspersoon en, in overleg, eventueel e.e.a. aan te kunnen passen naar onze inzichten. Ik heb hem nog niet kunnen bereiken.
Daarnaast zal er nog behoorlijk overleg nodig zijn de komende tijd. O.a. m.b.t. overdracht en eventuele overname van roerende bedrijfsgoederen en vee.
Het was tenslotte een zeer snelle en plotselinge wending vanaf jullie kant; voor mij en mijn familie geheel onverwacht!
De genomen foto’s, volgens afspraak, als bijlagen bij dit bericht!
Met vriendelijke groeten, [appellant]"
2.11
Op 29 januari 2026 heeft kandidaat-notaris mr. [naam4] (verder: de notaris) aan partijen per e-mail het concept van een door hem voor de verkoop van het OG opgestelde koopovereenkomst toegestuurd met de mededeling dat dit concept de volgende dag (’s middags om 16:00 uur) op de boerderij aan de [adres1] te [woonplaats1] zal worden besproken. Als koper is daarin opgenomen ‘ [geïntimeerde1] B.V. of een ander te noemen meester’.
2.12
In de nacht/vroege ochtend van 30 januari 2026 heeft [appellant] een e-mail aan de notaris en aan [geïntimeerden] gestuurd, waarin hij schrijft dat hij zich onprettig voelt bij de situatie waarin hij is beland. [appellant] geeft aan dat hij de concept-koopovereenkomst "voorlopig" nog niet wil ondertekenen, omdat er zaken in staan die niet zijn besproken. Hiervoor is nader overleg nodig, aldus [appellant] .
2.13
Op 3 februari 2026 heeft [appellant] aan de notaris en [geïntimeerden] een e-mail gestuurd. In deze e-mail worden door [appellant] een aantal voorwaarden benoemd waaronder hij tot verkoop bereid zou zijn. Dat betreft onder meer de voorwaarde dat hij het verblijfsrecht behoudt - voor maximaal vijf jaar - totdat hijzelf een nieuwe plaats van bestemming heeft gevonden, alsook door [appellant] als zodanig benoemde ‘kettingbedingen’ die erop neer komen dat het oude borgterrein in de huidige vorm bewaard zal blijven en eventueel later naar de oorspronkelijke vorm zal worden hersteld waarvoor dan ‘extra rijksbescherming m.b.t. cultureel erfgoed zal worden aangevraagd’, en dat de grond nooit uit eigen beweging mag worden aangewend voor andere bestemmingen dan agrarisch en/of natuur.
2.14
Met een brief van 13 maart 2026 heeft de advocaat van [geïntimeerden] [appellant] gesommeerd tot het verlenen van medewerking aan de ondertekening van de koopovereenkomst en de levering van het OG. Door en namens [appellant] is daarop te kennen gegeven dat [appellant] daartoe slechts bereid is wanneer wordt ingestemd met de door [appellant] aangegeven voorwaarden.
het geschil, de beslissing van de voorzieningenrechter en de nadere feiten
2.15
[geïntimeerden] stellen zich op het standpunt dat zij met [appellant] een gave overeenkomst hebben gesloten tot aankoop van het OG voor een bedrag van zes miljoen euro. De vorderingen van [geïntimeerden] komen erop neer (voor zover van belang in dit incident) dat [appellant] wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van het OG. Daarbij is gevorderd te bepalen dat, indien [appellant] geen gevolg geeft aan de veroordelingen, het vonnis in de plaats treedt van de voor de levering van het OG vereiste (rechts)handelingen conform artikel 3:300 BW Pro. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. [appellant] is hierbij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerden] , vermeerderd met de wettelijke rente. De veroordelingen in het vonnis van 6 mei 2026 zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.16
Op 12 mei 2026 is het vonnis van 6 mei 2026 aan [appellant] betekend. Op diezelfde dag heeft de notaris mr. [naam5] [appellant] uitgenodigd om op 15 mei 2026 te verschijnen op het kantoor van de notaris om de koopovereenkomst te ondertekenen en mee te werken aan de levering. [appellant] heeft niet meegewerkt aan de ondertekening van de koopovereenkomst, omdat hij zich niet gebonden acht aan de inhoud daarvan. De levering van het OG is uitgesteld naar 27 mei 2026, waarvoor [appellant] opnieuw is uitgenodigd.
de standpunten van partijen
2.17
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [appellant] aangevoerd dat hij een groot belang heeft om eigenaar te blijven van het OG. [appellant] drijft een biologische veehouderij met 16 koeien inclusief jongvee. Het land wordt door [appellant] op een zeer extensieve (biologische) manier bewerkt. Een gedeelte van de landerijen is aangewezen voor natuurbeheer en bescherming van weidevogels. [appellant] wil het OG niet aan [geïntimeerden] verkopen en leveren indien niet vooraf is gewaarborgd dat het natuurbeheer en de biologische bewerking van de landerijen blijft behouden. Het bewerken van het land met gangbare mest en zelfs kunstmest, zoals [geïntimeerden] van plan lijken, zou leiden tot onherstelbare schade aan de natuur en de landerijen en tot verlies van de biologische SKAL-certificering. Hij heeft daarom belang bij behoud van de huidige situatie totdat vaststaat wie rechthebbende is op het OG, aldus tot zover [appellant] .
2.18
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat 15 mei 2026 de peildatum is voor het doen van de zogenaamde gecombineerde opgave. Voor de reeds gerealiseerde uitbreiding van hun veestapel is het noodzakelijk dat zij uiterlijk op 15 mei 2026 aanvullende weidegrond verkrijgen. Doordat [appellant] de levering op 15 mei 2026 heeft geweigerd, de notaris aansprakelijk heeft gesteld en gedreigd heeft met een tuchtklacht, heeft hij [geïntimeerden] de mogelijkheid ontnomen om tot 1 januari 2027 nog iets met de landerijen te doen. De levering staat nu gepland voor 27 mei 2026 en [geïntimeerden] hebben recht op en belang bij die levering. Hangende het hoger beroep zullen [geïntimeerden] de landerijen niet gebruiken voor intensieve veeteelt. Pas vanaf 1 januari 2027 zullen zij de weilanden kunnen gebruiken zoals zij dat voor ogen hebben. In de tussentijd willen [geïntimeerden] voorbereidingen treffen om het OG overeenkomstig hun bedoeling te gebruiken en na de zomervakantie hebben [geïntimeerden] de stallen nodig voor hun vee. Voor de beoordeling van het incident is verder van belang dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis de uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft gemotiveerd. Volgens [geïntimeerden] is verder geen sprake van kennelijke misslagen in dat vonnis en heeft [appellant] geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de schorsing zouden kunnen rechtvaardigen. De incidentele vordering moet daarom worden afgewezen, aldus tot zover [geïntimeerden]
de beoordeling in het incident
2.19
Het hof beoordeelt deze incidentele vordering tot schorsing aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven en die op het volgende neerkomen: [2]
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken.
2.2
Anders dan [geïntimeerden] betogen, heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet gemotiveerd. Hooguit heeft de voorzieningenrechter aldaar iets overwogen met betrekking tot de relevante belangen van partijen in het kort geding, maar dat is wat anders. Een concrete belangenafweging over de vraag of de veroordelingen waartoe de voorzieningenrechter heeft besloten al dan niet uitvoerbaar bij voorraad moeten worden verklaard, ontbreekt in het bestreden vonnis. Dat betekent dat de hiervoor in 2.19 onder (c) bedoelde maatstaf in dit geval niet opgaat.
2.21
[appellant] heeft niet gesteld dat het betreden vonnis berust op een kennelijke misslag en ook het hof is daarvan niet gebleken. De kans van slagen van het hoger beroep blijft verder in beginsel buiten beschouwing en het hof ziet geen reden om voor dit geval een uitzondering te maken op die hoofdregel. Dat betekent dat het neerkomt op een afweging van de relevante belangen van partijen.
2.22
Het hof overweegt dat de getroffen voorziening, te weten een veroordeling tot medewerking aan de verkoop en/of levering van het OG met de mogelijkheid van de reële executie van die veroordeling, een verstrekkend karakter heeft. Het is natuurlijk juist, zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, dat in kort geding zelfs een voorziening kan worden gegeven met onomkeerbare gevolgen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat niet enige terughoudendheid zou moeten worden betracht bij de toewijzing en/of uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarvan, mede gelet op de proceskansen van partijen in een bodemprocedure en gegeven de praktijk dat bewijslevering in een kort geding doorgaans niet wordt toegestaan.
2.23
Hoe dan ook, in dit geval staat vast dat de levering van het OG op 15 mei 2026 niet heeft plaatsgevonden. Die datum was voor [geïntimeerden] van groot belang. Zij hadden hun veestapel al voor 28 januari 2026 uitgebreid, naar hun zeggen in de verwachting dat zij er wel uit zouden komen met [appellant] . Zoals [geïntimeerden] zelf stellen, kunnen zij in de huidige situatie de landerijen die tot het OG behoren niet in aanmerking nemen voor de gecombineerde opgave 2026 bij het RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Dat betekent dat de gevolgen die [geïntimeerden] vrezen [3] , zullen intreden onverschillig wat de uitkomst in dit incident is. Dat is een nieuw feit dat de voorzieningenrechter niet heeft kunnen meewegen, omdat hij het niet kende. Dit betekent echter dat de belangen van [geïntimeerden] bij spoedige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis aan gewicht hebben verloren. Zoals zij ook zelf aangeven, kunnen zij met de landerijen immers niets tot 1 januari 2027. Daar staan tegenover de in de ogen van het hof zwaarwegende belangen van [appellant] bij behoud van de huidige situatie. Schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis betekent voor [appellant] dat hij de uitkomst van het hoger beroep in dit kort geding kan afwachten en gedurende die tijd zijn manier van landbouw bedrijven kan voortzetten. Aangezien het aannemelijk is dat het hof vóór 1 januari 2027 eindarrest heeft gewezen in dit kort geding, verzetten de belangen van [geïntimeerden] zich niet in overwegende mate tegen schorsing van de tenuitvoerlegging. Alles afwegende komt het hof dan ook tot de slotsom dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal worden geschorst. Daarbij zal worden bepaald dat deze schorsing haar werking verliest wanneer de hoofdzaak niet (uiterlijk) op de rol van 7 juli 2026 wordt aangebracht.
2.24
De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak.
ten aanzien van de hoofdzaak
2.25
Het exploot waarmee de hoofdzaak aanhangig is gemaakt, is nog niet aangebracht. Dat dient wel te gebeuren, aangezien anders de schorsing haar werking verliest. De hoofdzaak dient eerder dan 28 juli 2026 te worden aangebracht. Daarom zal de hoofdzaak naar de rol van (uiterlijk) 7 juli 2026 worden verwezen voor memorie van grieven. Uitstel voor het nemen van deze memorie is uitsluitend mogelijk met instemming van [geïntimeerden] dan wel indien aantoonbaar sprake is van klemmende redenen als bedoeld in art. 1.2 aanhef en onder l van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr; 18e versie).

3.De beslissing

Het hof:
in het incident ex art. 351 Rv Pro
3.1
schorst de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026, onder bepaling dat deze schorsing haar werking verliest als de zaak niet (uiterlijk) op de rol van 7 juli 2026 zal zijn aangebracht;
3.2
wijst af wat meer of anders is gevorderd;
3.3
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
3.4
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van (uiterlijk) dinsdag 7 juli 2026 voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir;
3.5
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en W.F. Boele en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 mei 2026. De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.Productie 7 bij de dagvaarding in eerste aanleg.
2.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
3.Zoals uitgewerkt in randnummer 3.6 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg.