ECLI:NL:GHARL:2026:4190

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
200.364.448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Nr. 2019/1111)Artikel 1:253n BWArtikel 1:251 BWArtikel 1:377b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag moeder en vader over twee minderjarige kinderen

De moeder en vader, beiden ouders van twee minderjarige kinderen met een complexe zorgbehoefte, hadden tot de bestreden beschikking gezamenlijk gezag. De rechtbank had het gezag van de moeder beëindigd en het gezag aan de vader toegekend vanwege ernstige communicatieproblemen en het belang van de kinderen.

In hoger beroep betwist de moeder deze beslissing, terwijl de vader en de gecertificeerde instelling (GI) deze steunen. Het hof bevestigt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en Nederlands recht van toepassing is.

Het hof overweegt dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is, wat een onaanvaardbaar risico vormt voor de kinderen, die bovendien kampen met een taalontwikkelingsachterstand, vermoedelijk autisme en trauma. De vader werkt goed samen met hulpverleners, wat positief wordt meegewogen.

De informatieregeling blijft ongewijzigd omdat uitbreiding tot meer onrust zou leiden. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en laat het gezag bij de vader, met een informatieregeling waarbij de vader de moeder eenmaal per drie maanden informeert over belangrijke zaken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en belast de vader met het enige gezag over de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.448
(zaaknummer rechtbank Overijssel 333257)
beschikking van 25 juni 2026
inzake
[de moeder],
wonende op een voor het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.J. Krijgsman,
en
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. I. Mercanoğlu.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te Enschede,
verder te noemen: de GI,

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 4 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 333257 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 februari 2026;
- het verweerschrift;
- een brief van de GI van 15 april 2026 met producties en
- een journaalbericht namens de moeder van 22 april 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Krijgsman;
- de vader, bijgestaan door mr. Mercanoğlu en
- een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd geweest.
3.2
De moeder heeft de Oekraïense en de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
3.3
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] en
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
3.4
Tot de bestreden beschikking hadden de ouders samen het gezag over de kinderen. Sinds de bestreden beschikking heeft de vader alleen het gezag.
3.5
De kinderen staan onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 28 september 2026.
3.6
In de beschikking van 10 januari 2023 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald en voor de verdeling van de zorg een regeling getroffen, welke regeling als kader geldt en waarbij de verdere invulling en eventuele uitbreiding wordt overgelaten aan de regie van de GI in het kader van de lopende ondertoezichtstelling:
“Vader heeft twee keer per week onbegeleide omgang met de kinderen, op zaterdag vier uur
en door de week twee uur”.
3.7
Dit hof heeft op 13 juli 2023 een beschikking gegeven die hersteld is bij beschikking van 5 december 2023. In die beslissingen heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 10 januari 2023 over de hoofdverblijfplaats in stand gelaten (bekrachtigd), maar een andere zorgregeling vastgesteld, namelijk dat [minderjarige1] en [minderjarige2] bij de vader verblijven:
- om de week van zaterdag op zondag en
- wekelijks op woensdagmiddag twee uur,
welke regeling als kader geldt en waarbij de verdere invulling en eventuele uitbreiding wordt
overgelaten aan de regie van de GI in het kader van de lopende ondertoezichtstelling.
3.8
De rechtbank heeft in de beschikking van 24 januari 2024 deze zorgregeling gewijzigd en als volgt bepaald:
- [minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven in de oneven weekenden van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader;
- [minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven in de even weekenden van zondag 14.00 uur tot maandagochtend bij vader;
- de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld;
- de vader voorziet in het halen en brengen van de kinderen.
3.9
De rechtbank heeft op 20 november 2024 de beschikking van 10 januari 2023 gewijzigd en bepaald dat [minderjarige1] en [minderjarige2] voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Daarnaast is de beschikking van 24 januari 2024 gewijzigd en is de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn één keer in de twee weken bij de moeder van vrijdagmiddag direct na
schooltijd tot maandagochtend tot aan schooltijd;
- de vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld;
- in de week dat er geen omgang is, zal er een belmoment zijn tussen de moeder en de kinderen onder begeleiding van de IAG van Ambiq;
- de vader voorziet één keer in de twee weken moeder van informatie over de afgelopen weken en moeder voorziet één keer in de twee weken vader van informatie.
3.1
In de beschikking van 23 september 2025 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank van 20 november 2024 in stand gelaten (bekrachtigd).

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en bepaald dat de vader vanaf nu alleen het gezag heeft over de kinderen;
- bepaald dat de vader één keer per drie maanden een e-mail of brief aan de moeder stuurt over de belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen, waaronder in ieder
geval school, gezondheid, behandeling en ontwikkeling.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissingen. Zij vraagt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.3
De vader is het eens met de beslissingen van de rechtbank en hij vraagt het hof de bestreden beschikking in stand te laten.
4.4
De GI is het ook eens met de beslissingen van de rechtbank.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder heeft ook de Oekraïense nationaliteit. Het hof moet daarom toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over dit geschil te oordelen.
5.2
Het hof is bevoegd om van het geschil kennis te nemen, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. [1]
5.3
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Dit is in hoger beroep niet in geschil tussen partijen, zodat het hof hiervan ook uit zal gaan.
Gezag
Wat staat in de wet?
5.4
De rechter kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt als:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [2]
Het oordeel van het hof
5.5
De moeder en de vader hadden zowel tijdens hun huwelijk als na de echtscheiding samen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] . [3] Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat daarna de omstandigheden zijn gewijzigd. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de beëindiging van het gezag.
5.6
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat bij voortduring van het gezamenlijk gezag van deze ouders een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige1] en [minderjarige2] klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Het hof neemt hiertoe de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.
Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan een van de ouders moet worden toegekend. [4] In deze situatie ligt dat echter anders. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderlinge verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en dat er geen enkele basis aanwezig is om enige vorm van respectvolle, althans werkbare ouderlijke communicatie op te starten. Uit de stukken van de moeder, de vader en de GI en uit wat zij op de mondelinge behandeling aan het hof hebben verteld, is niet gebleken dat hierin iets in positieve zin is gewijzigd. Ook niet sinds de uitspraak van de rechtbank. De GI heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat ieder contact tussen de ouders tot een confrontatie leidt. Dat is door de ouders niet weersproken. De moeder heeft wel gesteld dat het gebrek aan een constructieve en gerichte communicatie niet (alleen) aan haar kan worden toegerekend, maar het antwoord op de vraag wie de schuld heeft aan de slechte communicatie acht het hof in dit geval van ondergeschikt belang. Voor het hof is voldoende komen vast te staan dát de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord en dat dit in deze specifieke situatie met twee kwetsbare kinderen naar het oordeel van het hof een gezamenlijke gezagsuitoefening in de weg staat. Daarin weegt het hof mee dat zowel [minderjarige1] als [minderjarige2] een forse (taal)ontwikkelingsachterstand hebben. Beide kinderen praten nauwelijks en zij maken voornamelijk geluiden. Er is sprake van vermoedelijk autisme en van trauma. [minderjarige2] is inmiddels van dagbesteding naar speciaal onderwijs gegaan, maar voor [minderjarige1] is school niet passend gebleken waardoor hij naar een kindcentrum zal moeten. De kwetsbaarheid van de kinderen brengt mee dat er (meer dan gemiddeld) overleg en samenwerking moet zijn met onder meer scholen en hulpverleners en hierin beslissingen moeten worden gemaakt. Het hof acht de ouders niet in staat om dat samen te doen. De inhoud van de door de (advocaat van de) moeder ingediende producties geven het hof geen aanleiding om anders te oordelen. De stukken bevestigen naar het oordeel van het hof juist dat de verhouding tussen de ouders niet goed is. Zoals hiervoor al overwogen, acht het hof het antwoord op de vraag wie daaraan de schuld heeft niet van belang. Temeer omdat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat het een wisselwerking van actie en reactie is. Dat de moeder – zoals zij stelt – de kinderen veiligheid, structuur en ondersteuning voor hun ontwikkeling biedt, doet niets af aan het oordeel van het hof dat de ouders onvoldoende samen uitvoering kunnen geven aan het ouderlijk gezag. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat gezien de wijze waarop de ouders al geruime tijd tegenover elkaar staan (ondanks de hulpverlening) niet te verwachten is dat in deze situatie binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. Voor het hof is, mede gelet op de verklaringen van de GI, verder voldoende komen vast te staan dat de vader goed met de hulpverlening samenwerkt en dat deze samenwerking in ieder geval ten aanzien van [minderjarige2] al vruchten begint af te werpen. Zowel de vader als de GI hebben de hoop uitgesproken dat ook [minderjarige1] zich in de toekomst positief zal ontwikkelen.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).
Informatieregeling
Wat staat in de wet?
5.7
De ouder met gezag moet de andere ouder informatie verstrekken over hun kinderen. De rechter kan op verzoek van een ouder hiervoor een regeling vaststellen. [5]
Het oordeel van het hof
5.8
Het hof overweegt dat de huidige informatieregeling al iedere keer tot spanning en discussie tussen de ouders leidt. Het hof vindt het voor de kinderen juist van belang dat de onrust tussen de ouders zo veel mogelijk wordt beperkt. Uitbreiding van de informatieregeling, zoals de moeder dat verzoekt, zou alleen maar meer onrust veroorzaken. Dat de vader de moeder niet overeenkomstig de beslissing van de rechtbank zou informeren, is door de vader betwist. De GI heeft bevestigd dat de vader de moeder iedere drie maanden informatie stuurt, zodat ook dat geen aanleiding is om de informatieregeling te wijzigen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de informatieregeling in stand laten.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 4 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, M.H.F. van Vugt en L. Rubens-Snijders, bijgestaan door de griffier, en is op 25 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter (Nr. 2019/1111)
2.Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW)
3.Artikel 1:251 BW Pro
4.Hoge Raad 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2963
5.Artikel 1:377b lid 1 BW