Uitspraak
Het geding in feitelijke instanties
Het geding in cassatie
Beoordeling van het middel
Beslissing
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de toekenning van het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen, geboren in 1992 en 1993. De vrouw verzocht de rechtbank om echtscheiding uit te spreken en het ouderlijk gezag exclusief aan haar toe te kennen. De man verzocht om gezamenlijk gezag te behouden en stelde tevens eigen verzoeken in, waaronder een omgangsregeling en alimentatie.
De rechtbank wees de verzoeken van de vrouw toe en sprak de echtscheiding uit. Het hof bevestigde dit oordeel met betrekking tot het gezag en oordeelde dat vanwege ernstige communicatieproblemen tussen de ouders het gezag aan één ouder moest worden toegekend, omdat anders het risico bestond dat de kinderen klem zouden raken tussen de ouders.
De Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van goede communicatie tussen ouders niet automatisch leidt tot toekenning van het gezag aan één ouder, maar dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de communicatieproblemen in deze zaak zo ernstig waren dat het belang van de kinderen gediend was met een exclusief gezag. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het ouderlijk gezag exclusief aan één ouder wordt toegekend wegens ernstige communicatieproblemen.