ECLI:NL:GHARL:2026:4220

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
200.350.275/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens vochtindringing in open kapschuur en waarschuwingsplicht aannemer

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de door appellant geleverde open kapschuur gebrekkig is en of appellant een waarschuwingsplicht heeft geschonden jegens geïntimeerden. Na oplevering constateerden geïntimeerden vochtindringing in de kapschuur, waarna zij schadevergoeding vorderden wegens een vermeend gebrek aan de ondervloer en vloerafwerking.

Diverse deskundigen, waaronder EBN en ZNEB, onderzochten de situatie en concludeerden dat de vochtindringing vooral het gevolg was van de ligging van de kapschuur op het laagste punt van de tuin, de niet waterdichte vloer en de afwezigheid van adequate drainage. Het hof oordeelde dat appellant niet aansprakelijk is omdat geïntimeerden zelf verantwoordelijk waren voor de herinrichting van de tuin en aanleg van drainage, en dat de kapschuur als open constructie geen waterdichte ruimte is.

Het hof stelde vast dat de waarschuwingsplicht van appellant niet zo ver reikte dat hij geïntimeerden had moeten wijzen op de noodzaak van tuinonttegelen en drainage. De vorderingen van geïntimeerden werden afgewezen en zij werden veroordeeld tot betaling van het openstaande factuurbedrag aan appellant. Tevens werden de proceskosten aan geïntimeerden opgelegd.

Uitkomst: De vorderingen van geïntimeerden worden afgewezen en zij worden veroordeeld tot betaling van het openstaande factuurbedrag aan appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.275/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 10722926
arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant] , voorheen handelend onder de naam [naam1]
hierna: [appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.T. Somohardjo
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]
hierna gezamenlijk: [geïntimeerden]
die wonen in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. Velten

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden op 6 augustus 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [geïntimeerden] zijn ook in (incidenteel) hoger beroep gekomen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 april 2026 is gehouden.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof verzocht de zaak met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling aan te houden tot 28 april 2026, waarna zij het hof alsnog hebben gevraagd arrest te wijzen. Hierop heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] heeft in de tuin van [geïntimeerden] een kapschuur gerealiseerd. [geïntimeerden] constateerden dat bij regen water naar binnen komt. Tussen partijen is in geschil of het vocht in de kapschuur het gevolg is van een gebrek in het door [appellant] geleverde werk. Volgens [geïntimeerden] waren de door [appellant] gebruikte ondervloer en vloerafwerking niet geschikt om wateroverlast in de kapschuur te voorkomen. Er had volgens hen drainage en een waterdichte vloer moeten worden aangebracht. Zij stellen bovendien dat [appellant] een op hem rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden door [geïntimeerden] niet te waarschuwen dat de gebruikte ondervloer en vloerafwerking niet waterdicht waren. [geïntimeerden] vorderden daarom bij de kantonrechter € 12.070,00 aan vervangende schadevergoeding van [appellant] wegens een toerekenbare tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Ten aanzien van het nog openstaande factuurbedrag van € 1.929,22, dat [appellant] heeft gevorderd in reconventie, doen [geïntimeerden] een beroep op verrekening.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen.
In (incidenteel) hoger beroep vorderen [geïntimeerden] de daadwerkelijke kosten voor het aanbrengen van een betonvloer en het plaatsen van een drainage en vorderen op die voet een hoger bedrag, te weten € 16.137,31 minus het nog openstaande factuurbedrag.
[appellant] vordert in hoger beroep dat de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog worden afgewezen en dat zijn vordering alsnog wordt toegewezen.
2.2.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [geïntimeerden] geheel worden afgewezen en dat zij het openstaande deel van de factuur van [appellant] alsnog moeten voldoen. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de relevante feiten uiteen heeft gezet.

3.De feiten

3.1.
[appellant] heeft een onderneming die zich toelegt op het realiseren van kapschuren.
3.2.
Op 20 maart 2021 heeft [appellant] [geïntimeerden] een offerte gestuurd, waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld:
“Volgens afspraak doe ik hierbij de offerte toekomen voor het bouwen van een kapschuur in
hoekmodel met een afmeting van 9 maal 9 maal 5 meter in landelijke stijl, met een afsluitbaar deel van 2 maal 5 meter, bij de woning op het bovengenoemde adres.
(...)
Grondwerk
•Het uitzetten van de fundering door middel van een bouwraam ten behoeve van de fundering.
•Verwijderen van de plaatselijke bestrating voor het indraaien van de schroef elementen.
Constructie
•Het leveren van een volledig Lariks constructie met gebogen schoren, welke bestaand uit (...)
(…)
Totaal
€ 50.708,37”
3.3.
Vervolgens hebben partijen een overeenkomst gesloten voor het realiseren van de in de offerte omschreven kapschuur in de tuin van [geïntimeerden] De prijs voor de kapschuur bedroeg € 50.708.37.
3.4.
Op 9 september 2021 is de kapschuur opgeleverd.
3.5.
Na oplevering hebben [geïntimeerden] geconstateerd dat er water op de vloer kwam te liggen in de kapschuur nadat het hevig had geregend. Op 11 januari 2022 hebben zij foto's van vochtindringing in de kapschuur naar [appellant] gestuurd. [appellant] is vervolgens langsgeweest en heeft een plank gemonteerd voor de ingang van de kapschuur en een molgoot aangelegd.
3.6.
Op 18 januari 2022 hebben [geïntimeerden] een whatsappbericht naar [appellant] waarin zij het volgende aangeven:
“ [appellant] , het water lijkt naar boven te kruipen. Sommige naden tussen de tegels zijn nat. Wat mij het meest opvalt is dat het in de gehele omtrek van de schuur nat is. Aan de zijkanten. De randen lekken door. Als je aan de buitenkant rond de gehele schuur een balk aanbrengt of iets anders, dan is een deel opgelost, denk ik. Ik ben geen deskundige, maar als leek zie ik het bovenstaande. Hgr. [geïntimeerde2] .”
3.7.
[appellant] reageerde hier diezelfde dag per whatsapp als volgt op:
“capillaire werking is het gevolg dat het hoge grondwater dit laat zien. Grondwater stijgt ook onder de schuur. Belangrijk voor mij te weten is dat er geen water van buiten tijdens een regenbui door de schuur stroomt. Bij mij thuis zijn de tegels ook nat, en dat is elk jaar zo als er een natte periode is. Dit is iets wat je niet kunt veranderen, dan had er een geïsoleerde beton vloer in gemoeten.”
3.8.
[geïntimeerden] reageerden hier diezelfde dag per whatsapp als volgt op:
“Ja. ik denk ook, nu ik alles zie, dat er een geïsoleerde betonvloer in had gemoeten. Maar ik ben uitgegaan van jouw professionele oordeel. En dat heb je niet geadviseerd. Ik wil nu graag dat je de problemen oplost, want wij hebben hier heel veel geld in geïnvesteerd.”
3.9.
Daarop antwoordde [appellant] de volgende dag per whatsapp:
“Ik zal volgende week het bij de deuren oplossen. Een betonvloer is niet besproken tijdens het opmaken van de offerte. Dit is ook niet wat we normaal doen. Ik ben uitgegaan van het model Uit [plaats1] waar dit ook op deze manier is gedaan.”
3.10.
Nadat [appellant] bij [geïntimeerden] is langs geweest, appen [geïntimeerden] op 8 februari 2022 het volgende:
“Hallo [appellant] , Het heeft “gelukkig” veel geregend het afgelopen weekend dus dat was een goede test. Jullie toepassingen hebben deels resultaat gehad dus dat is winst. Wat er nu nog speelt is het volgende:
  • binnen in de rechterhoek (bij het raam) is het nog nat.
  • in het schuurgedeelte is het over de gehele lengte nog nat, ondanks de tape die aangebracht is. We denken dat t t daar misschien ook met hout afgewerkt moet worden maar dat laten we aan jou.
Verder viel op dat daar waar t gaat is, er veel regen naar binnen kwam, zo’n anderhalve tegel over de hele linie.
Ben je weer ingelicht en hoop van je te horen.
Groet, [geïntimeerde1] ”
3.11.
Op 31 mei 2022 informeert [appellant] naar een vakantie van [geïntimeerden] , waarop de volgende reactie volgt:
“Hallo [appellant] ,
Ja dank je wel, het was heerlijk. Dat we nog geen contact met hebben opgenomen was omdat het zo droog is geweest en we niet konden kijken of t tuinhuis nu droog is.
Het heeft hier intussen wel geregend maar niet zoveel als in de rest van het land.
Onze waarneming tot nu toe is dat de laatste werkzaamheden geholpen hebben maar er zijn nog een paar kleine plekken aan de raamkant en de lage kant.
Wat we vervelend vinden is dat witte kringen in de tegels er niet meer uitgaan omdat ze zolang nat waren. Mvg, [geïntimeerde1] ”
Hierop legt [appellant] per whatsapp uit wat de oorzaak is van de witte vlekken en legt uit dat dit te verhelpen is met een chemisch reinigingsmiddel of met azijn.
3.12.
Op 17 juni 2022 attendeert [appellant] [geïntimeerden] op een openstaand deel van de factuur. Hierop wordt op 20 juni 2022 als volgt gereageerd:
“Goedemorgen [appellant] ,
Het is ons bekend dat er nog een deel van de factuur open staat. De redenen is dat t nog steeds niet goed is, zie mijn bericht van 31 mei. Het zou fijn zijn als dit wordt opgelost want dan kunnen wij , na bijna een jaar, ook gaan genieten en het gaan inrichten. Groet, [geïntimeerde1] ”
[appellant] reageert diezelfde dag als volgt:
“Ik zal kijken wanneer ik een gaatje vind om het laatste lekje op te lossen. Kun je misschien het in de gaten houden waar het precies wegkomt?”
Hierop antwoorden [geïntimeerden] dat ze dat zullen proberen te doen “maar t is niet altijd duidelijk voor mij waar t vandaan komt”.
3.13.
Op 27 juni appen [geïntimeerden] het volgende:
“Hallo [appellant] , afgelopen vrijdag heeft t hier even flink geregend. Maar er stond geen wind. Dit is t resultaat van een dag later. Tja en waar t vandaan komt? In ieder geval niet door t dak dus t moet toch door de naden komen denken wij. Mvg, [geïntimeerde1] ”
[appellant] reageert als volgt: “Ik denk doorslag van de tegels. Buitenkant is nat en trekt door naar binnen.”
[geïntimeerden] : “Dan zou t toch overal langs de randen zijn. Nu is t alleen in die ene hoek. Wat is volgens jou de oplossing?”
[appellant] : “Ik kom zsm even kijken”
3.14.
Op 13 juli appen [geïntimeerden] het volgende:
“Hallo [appellant] ,
Even een update van de stand van zaken. Afgelopen zondag heeft t bij ons behoorlijk geregend en dat was in de schuur ook te merken. Nu gaan wij dit weekend op vakantie maar daarna opteren we voor een second opinion. Misschien is er een oplossing die wij niet kunnen bedenken. Want zo hebben wij geen plezier van de schuur en zijn we alleen aan t dweilen en schoonmaken. Mvg, [geïntimeerde1] ”
[appellant] vraag daarop: “Waar komt het nu weg dan welke kant?”
[geïntimeerden] : “Geen idee, wij waren t weekend weg. Maar ook t schuurgedeelte (waar t gereedschap staat) was nat. Vandaar dat we na bijna een jaar een second opinion willen.”
[appellant] : “Prima dat mag twee weten meer dan 1”
3.15.
Expertisebureau Noord B.V. (hierna: EBN) heeft op verzoek van [geïntimeerden] op
16 december 2022 onderzoek verricht. Bij dat onderzoek waren beide partijen aanwezig. Op 6 februari 2023 is van dit onderzoek een definitief rapport opgesteld. In het
onderzoeksrapport staat – voor zover van belang – het volgende:

4.1 Tuinhuis
Het te beoordelen tuinhuis staat achter op het terrein, op een bestaand betegeld plein.
(…)
Bij aankomst valt op dat het terrein, de verharding, afloopt naar achteren, dus ook richting het tuinhuis. Doordat het tuinhuis aan de voorzijde open is, kan dus eenvoudig regenwater in het tuinhuis lopen. Het deel dat als berging in gebruik is, wordt afgesloten door twee deuren. Omdat aan de onderzijde geen waterkerende aanslag aanwezig is, zou hier ook water naar binnen kunnen lopen.
Aannemer heeft maatregelen getroffen, o.a. door het aanbrengen van een houten latje voor de
deuren van de berging (foto 3). Daar zit echter volgens [geïntimeerde1] / [geïntimeerde2] niet het grootste deel van het probleem. Het water komt niet, althans niet voornamelijk, over het plein naar binnen, maar komt in het tuinhuis tussen de tegels door naar boven.
EBN merkt op dat het tuinhuis ten opzichte van de tuin vrij laag is geplaatst (…). De onderste delen van de bekleding komen in aanraking met de bodem. Aannemer heeft tijdens de inspectie niet duidelijk kunnen maken of dat de bedoeling was, of dat dat min of meer per ongeluk zo is gebeurd. EBN had in ieder geval liever gezien dat het geheel iets hoger was geplaatst en de wanden op betonnen opsluitbanden o.i.d. waren geplaatst, in ieder geval zo hoog dat de wanden vrij zouden zijn van het maaiveld en/of de bestrating
Het dak is rondom voorzien van zinken goten en hemelwaterafvoeren (…)
4.2
Beantwoording onderzoeksvragen
1. Wat is de oorzaak van de nattigheid in het huis?
EBN: [geïntimeerde1] / [geïntimeerde2] heeft vastgesteld dat het grootste deel van het water dat binnenkomt niet over de tegels in het tuinhuis en de berging komt, maar via de voegen tussen de tegels naar boven komt. Om het water dat wel over de tegels binnen komt te weren, heeft aannemer o.a. een latje voor de berging aangebracht. Het kan het dus bijna niet anders dan dat water zich onder het tuinhuis verzamelt, uiteindelijk tot een hoogte waardoor het al dan niet plaatselijk, boven de tegels komt. De voegen tussen de tegels zijn niet waterdicht, die zijn geen belemmering. EBN gaat er op basis van de verstrekte gegevens vanuit dat er in het verleden geen water op het plein kwam, anders dan door regen. Waar dat water in dit geval vandaan komt, is niet te zien (het regende tijdens de opname niet), maar het meest logische is dat het water via de goed doorlatende zandlaag onder de tegels wordt gevoerd naar het laagste punt in de tuin, de achterzijde. Dat het water alleen in het tuinhuis boven de tegels lijkt te komen, komt doordat de overige tegels achter in de tuin hoe dan ook nat worden door
de regen. Tijdens de opname, maar ook op de door [geïntimeerde1] / [geïntimeerde2] verstrekte foto’s is geen sprake van plasvorming in het tuinhuis maar van vochtige plekken.
Aannemer kon tijdens de opname niet meer zeggen of en zo ja hoe de hemelwaterafvoeren op de riolering zijn aangesloten. Als de hemelwaterafvoeren niet zijn aangesloten op de riolering zal het regenwater van het dak van het tuinhuis dus in de bodem moeten trekken. Bij langduriger regenval zal dat een verzadiging van de bodem rond en onder het tuinhuis geven, wat weer kan leiden tot water boven de tegels. Indien de hemelwaterafvoeren wel op de riolering zijn aangesloten, kunnen deze losgeraakt zijn en alsnog in de bodem lozen. EBN sluit het afvoersysteem, waarop de hemelwaterafvoeren naar alle waarschijnlijkheid lozen zeker niet uit als onderdeel van het probleem en adviseert aannemer eerst te laten beoordelen of de hemelwaterafvoeren deugdelijk op de riolering zijn aangesloten en of de riolering vrij doorstroomt.
2. Is de aannemer tekortgeschoten in de uitvoering van zijn werkzaamheden?
EBN: Niet aan het tuinhuis als bouwwerk. EBN denkt dat aannemer, met zijn ervaring en vakkennis, zich ervan bewust had moeten zijn dat het aflopende plein voor wateroverlast zou kunnen zorgen. Het molgootje met, zoals [geïntimeerde1] / [geïntimeerde2] het noemt, het doucheputje voert het water niet af. Kitwerk en het houten latje, zoals door aannemer zijn aangebracht, is ook geen oplossing.
3. Hoe kan dit probleem verholpen worden?
EBN: naar de mening van EBN zijn er verschillende opties.
Als eerste moet aannemer de hemelwaterafvoeren en het leidingwerk naar de bestaande
riolering controleren op lekkages en goede doorstroming. Op deze wijze kan het
afvoersysteem al dan niet worden uitgesloten als mogelijke oorzaak voor water onder het
tuinhuis. EBN is zich ervan bewust dat, als de oorzaak van het probleem een tekortkoming
aan de riolering zou zijn, er hoogstwaarschijnlijk ook verzakkingen in het maaiveld en/of de
bestrating zichtbaar zouden moeten zijn.
In het tegelplein zijn twee putjes aanwezig (foto 7 en 8). Volgens [geïntimeerde1] / [geïntimeerde2] worden de
putjes regelmatig schoongemaakt. Er lijkt dus riolering te liggen, maar of de
hemelwaterafvoeren van het tuinhuis daarop zijn aangesloten, weet aannemer niet meer.
Zoals aangegeven door EBN moet aannemer dat eerst controleren.
Indien de hemelwaterafvoeren en riolering deugdelijk en waterdicht zijn aangesloten, kan als
tweede optie een greppel rondom en zo dicht mogelijk bij het tuinhuis, dus ook aan de
achterzijde, gegraven worden waarvan de bodem ruim lager ligt dan de onderzijde van de
tegels.
Indien water werkelijk onder de bestrating door naar achteren loopt of van de aangrenzende
percelen komt, zal dat water zich als eerste in de greppel verzamelen en zal het tuinhuis
droog blijven. Als dan inderdaad water in de greppel komt en het tuinhuis droog blijft, kan
een definitieve oplossing in de vorm van drainage worden aangelegd.
Een draingoot zal in dat geval niet functioneren omdat deze te hoog ligt om het water op te
vangen. De drainage moet dan wel voldoende diep liggen en op de riolering worden
aangesloten.
Mocht de voorgestelde oplossing niet het gewenste effect hebben, zal het tuinhuis hoger
geplaatst moeten worden en zal de bestrating in het tuinhuis hoger gelegd moeten worden.”
3.16.
[geïntimeerden] hebben de kapschuur nogmaals laten onderzoeken door expertiseburo
ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB), die daarover op 16 april 2024 een rapport heeft uitgebracht. Ook bij dit onderzoek waren zowel [geïntimeerden] als [appellant] aanwezig. In het onderzoeksrapport staat – voor zover van belang – het volgende:

3. GESCHIL
Binnen enkele weken na de oplevering heeft [geïntimeerde1] volgens haar verklaring waterinstroom
geconstateerd in de kapschuur. Na neerslag ontstonden volgens [geïntimeerde1] natte plekken op de vloer van de kapschuur. Er stroomde volgens [geïntimeerde1] water langs de naden van de vloertegels op de tegelvloer.
[geïntimeerde1] heeft de waterinstroom volgens haar verklaring gemeld bij [appellant] .
Laatstgenoemde heeft daarna meerdere herstelpogingen gedaan om de waterinstroom te verhelpen. Zo werden er onder meer kitvoegen aangebracht aan de onderzijde van de houten wanden van de kapschuur, werd er een soort verdiepte goot aangebracht in de bestrating aan de voorzijde van de kapschuur. [appellant] heeft een houten lat aangebracht ter plaatse van de onderkant van de houten wanden en heeft een drainage aangebracht in de border naast de houten wand aan de voorzijde van de kapschuur.
(…)
7. CONSTATERINGEN/SCHOUWING
(…)
De kapschuur was gelegen in de achtertuin van het perceel van [geïntimeerde1] (foto 2 en navolgend figuur 1). Wij maten dat de afstand van de achtergevel van de woning tot de kapschuur circa 15 m¹ bedroeg. De achtertuin van [geïntimeerde1] was nagenoeg geheel voorzien van bestrating (…). In de bestrating waren twee straatkolken opgenomen (…). Volgens [geïntimeerde1] waren deze straatkolken en de riolering aangesloten op het gemeenteriool aan de voorzijde van het perceel.
Aan de voorzijde van de kapschuur was door [appellant] in de bestrating nog een extra afvoerput aangebracht in de strook verlaagde bestrating (…). Om te controleren of de afvoerput functioneerde hebben wij een emmer water in de afvoerput laten leegstromen, waarna wij vaststelden dat het water vlot werd afgevoerd (…), hetgeen ook middels stromend water zichtbaar was bij de andere straatkolk. (…)
Op het oog was de kapschuur lager gelegen dan de woning. De achtertuin tussen de woning en de kapschuur was voor het overgrote deel bestraat middels grijze betonnen tegels. Wij constateerden veel mosgroei tussen de tegels (…), hetgeen wij als een aanwijzing zien voor langdurige aanwezigheid van vocht.
(…)
8. BEANTWOORDING ONDERZOEKSVRAGEN
(…)
a. Ligging kapschuur
(...)
Bij neerslag zal het hemelwater deels afstromen in de richting van de kapschuur. Tevens zal in de bodem gedrongen hemelwater onder invloed van het afschot in de richting van de kapschuur stromen. (…)
Water zal immers in de richting van het laagste punt stromen.
(...)
b. Vloertegels kapschuur
(...)
De witte aanslag op de vloertegels geeft aan dat de waterinstroom voornamelijk vanuit de voegen tussen de vloertegels heeft plaatsgevonden. Wij oordelen daardoor dat de ondervloer en de tegelvloer niet waterdicht zijn uitgevoerd.
(...)
c. Detaillering kapschuur
Volgens de offerte van [appellant] is de kapschuur vervaardigd van lariks naaldhouten planken. Voor de verwerking van houten bekledingen en houten gevels heeft Centrum Hout (…) normen en eisen opgesteld voor de verwerking van gevelbekledingen van naaldhout (bijlage E). Hierin is onder meer bij de uitvoeringsaanbevelingen op pagina 17 bij punt 4 omschreven dat tussen de onderzijde van het hout en het maaiveld (in dit geval ook de bestrating) een afstand van minimaal 200 mm maar liever nog 300 mm vrij gehouden dient te worden Vaak wordt de onderste strook daarom uitgevoerd in metselwerk of middels een betonnen strook die niet gevoelig is voor aantasting door hemelwater/ vocht.
In de onderhavige situatie waren de houten planken rechtstreeks aangebracht op de vloertegels waarbij de vloertegels onder de gevelbekleding tot aan de buitenzijde waren aangelegd. Wij kenmerken de onderaansluiting derhalve als een bouwtechnisch gebrek.
d. Riolering
Middels de doorstroomtest met het vullen van de afvoerput met water (…) en zoals EBN ook in diens rapport vermeld vanwege de afwezigheid van zakkingen in de bestrating (…) zijn er onzes inziens geen aanwijzingen dat de riolering defect zou zijn. De waterinstroom in de kapschuur vindt blijkens de verklaringen en foto's (…) van [geïntimeerde1] en blijkens de sporen van indringend water plaats vanuit de voegen van de vloertegels in de kapschuur.
(...)
g. Vloer kapschuur
Wij oordelen dat de waterinstroom een gevolg is van de ligging van de kapschuur op het laagste punt van de achtertuin in combinatie met de niet waterdichte ondervloer en/of vloerafwerking. Hierdoor zal bij hevige neerslag de tijdelijke grondwaterstand dusdanig hoog oplopen dat er water vanuit de onderzijde tussen de vloertegels op de vloer van de kapschuur zal stromen. Het uitsluitend aanleggen van een drainageleiding achten wij niet toereikend om de waterinstroom tussen de vloertegels te voorkomen.
Het hoger aanloggen van de kapschuur, te weten het optillen van de kapschuur en opnieuw fixeren, kenmerken wij als een risicovolle en omslachtige maatregel. Volgens [appellant] zijn de kolommen thans geplaatst op metalen schroefpalen waardoor voor het 'opkrikken' onzes inziens de kolommen losgemaakt dienen te worden van de funderingsschroefpalen en na het opkrikken dienen te worden verlengd. De ruimte tussen de kolommen en de schroefpalen dient dan te worden opgevuld.
Tevens dient dan de bestrating van de schuur en de bestrating van nagenoeg het gehele terrein eromheen te worden opgehoogd.
Wij achten het daarom noodzakelijk en realistisch om een waterdichte vloer te realiseren in de vorm van een betonnen vloer. De randen van de vloer dienen bij voorkeur als een waterdichte opstaande rand te worden uitgevoerd om het water dat richting de kapschuur stroomt te keren en buiten de kapschuur te houden.
(…)
h. Drainage
In algemene zin is het aan te raden om overtollig (grond)water af te voeren om te voorkomen dat dit (grond)water overlast gaat veroorzaken in de zin van indringend water in de vloer van de kapschuur. Het is daarom te adviseren om drainage aan te brengen aan de voorzijde en de zijkanten van de kapschuur. Het is daarbij wel een vereiste om de drainageleidingen aan te sluiten op de hemelwaterriolering, die dan uiteraard lager dient te liggen dan de drainageleidingen. Bijkomende werkzaamheden zijn dan het tijdelijk opnemen en terugleggen van de terrasbestrating rondom de kapschuur.
(…)

9.CONCLUSIE

(...)
Wij zijn van mening dat van een kapschuur, voorzien van dakpannen, dakgoten en een paalfundering en opgebouwd uit degelijke materialen, verwacht mag worden dat er geen sprake is van met regelmaat instromend water. Tevens hadden de onderaansluitingen naar ons oordeel niet in hout tot aan het maaiveld uitgevoerd mogen worden.”
Op de website van [appellant] worden de kapschuren ook als ’verblijfsruimten' om te dineren en te koken aangeboden (zie navolgend figuur 4).
[foto van website [appellant] ]
3.17.
ZNEB sloot af met een schadebegroting van € 12.070.00.
3.18.
Op 16 juni 2023 heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] een brief geschreven aan de
gemachtigde van [appellant] en daarbij een laatste mogelijkheid tot herstel geboden. Hierbij
heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] ook aangegeven dat, indien [appellant] niet overgaat tot
herstel, [geïntimeerden] de vordering tot nakoming zal omzetten in een vordering tot vervangende
schadevergoeding.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

In principaal en incidenteel appel
4.1.
Het geschil tussen partijen draait om de vraag of de door [appellant] opgeleverde kapschuur gebrekkig was en of sprake was van feiten en omstandigheden waarvoor [appellant] [geïntimeerden] voorafgaand aan de aannemingsovereenkomst had moeten waarschuwen. Ter beantwoording van deze vragen overweegt het hof het volgende.
4.2.
[geïntimeerden] hebben zowel bij de kantonrechter als tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat het de bedoeling was om na de bouw van de kapschuur de tuin opnieuw in te richten, in de zin dat de 1200 m2 aan bestrating (goeddeels) zou worden vergroend. [geïntimeerden] hebben verklaard dat met [appellant] is besproken dat eerst het tuinhuis zou worden geplaatst en dat daarna de tuin zou worden aangepakt.
[appellant] heeft (anders dan de advocaat van [geïntimeerden] meent, niet pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling, maar ook) herhaaldelijk bij memorie van grieven (in randnummers 6, 20, 33, 34 en 42, al dan niet gelezen in samenhang) gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van [geïntimeerden] om daadwerkelijk over te gaan tot de herinrichting van de tuin en daarbij in het bijzonder tot het (doen) aanleggen van adequate drainage in de tuin. [appellant] voert in dat verband aan dat zowel de herinrichting van de tuin als de aanleg van een drainagesysteem niet onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Het hof geeft [appellant] daarin gelijk.
Waar [geïntimeerden] ervoor hebben gekozen de door hen ervaren wateroverlast aan te pakken door de aanleg van een betonvloer, is daarmee niet gezegd dat een onttegelde tuin, eventueel met drainagesysteem, niet eveneens een afdoende oplossing had geboden. Ten tijde van de mondelinge behandeling was de toestand van de tuin onveranderd. Door de aanleg van de betonvloer is thans ook niet meer te achterhalen of vergroening en eventueel drainage de ervaren wateroverlast daadwerkelijk hadden kunnen stoppen. De onzekerheid hierover moet voor rekening van [geïntimeerden] blijven.
4.3.
Daar komt bij dat met de aanleg van de betonvloer evenmin is te achterhalen of de ervaren wateroverlast zodanig was dat objectief gezien sprake was van een gebrekkige kapschuur als oorzaak van de gestelde mate van vochtindringing.
4.4.
Immers, ZNEB heeft haar conclusie dat sprake was van ‘wateroverlast’, door wat kennelijk wordt aangenomen als veroorzaakt door ‘capillaire stijging’, gebaseerd op hetgeen zij van [geïntimeerden] heeft vernomen. Ook de foto’s waaruit volgens [geïntimeerden] de wateroverlast moet blijken, zijn door [geïntimeerden] aangeleverd. Kennelijk heeft ZNEB op basis van die foto’s en de mededelingen van [geïntimeerden] de gestelde wateroverlast tot uitgangspunt genomen. Van eigen waarneming door een deskundige van de mate van overlast is dus geen sprake geweest en dat is thans ook niet meer mogelijk.
Dit is nog daargelaten dat de foto’s naar het oordeel van het hof geen blijk geven van een vorm van vochtindringing die [geïntimeerden] niet hadden hoeven verwachten; of het vocht nu van buiten door het winddoek heen komt dan wel als optrekkend vocht tussen de tegels verschijnt; dit laatste zoals ook kennelijk al plaatsvond tussen de tegels in de hele achtertuin waar veel mosgroei is geconstateerd (door ZNEB en door het hof op grond van de door [geïntimeerden] zelf aangeleverde foto’s in het dossier), hetgeen ook algemeen bekend wordt verondersteld als een aanwijzing voor langdurige aanwezigheid van vocht.
De kapschuur betreft bovendien een open constructie en is, zoals [appellant] onweersproken heeft aangevoerd, nooit aangeprezen als een waterdichte ruimte met een waterdichte vloer. [geïntimeerden] hadden dan ook redelijkerwijs geen waterdichte, geïsoleerde tuinkamer – “volledige huiskamer”, aldus [geïntimeerden] – mogen verwachten, hoe luxueus en comfortabel de uitstraling van de kapschuur (als een “prachtig buitenshuis alternatief voor uw huiskamer in de zomermaanden”) in dit geval ook is gepresenteerd.
4.5.
In het licht van de omstandigheden van dit geval – met name hetgeen tussen partijen is besproken en begrepen mocht worden over de voorgenomen herinrichting van de (voor het overgrote deel betegelde) tuin en gezien de redelijkerwijs te verwachten mate van vochtindringing in een open kapschuur die bovendien werd omringd door een betegelde tuin alwaar tussen die tegels reeds veel mosgroei plaatsvond – is evenmin sprake van schending door [appellant] van een op hem als opdrachtnemer rustende waarschuwingsplicht. Zijn verantwoordelijkheid als opdrachtnemer reikt naar het oordeel van het hof niet zo ver dat hij zich er met een uitdrukkelijke waarschuwing van had moeten vergewissen dat [geïntimeerden] zich bewust waren van het belang van vergroening van hun tuin en eventuele drainage daarin, laat staan dat hij er in het verlengde van een zodanige invulling van de waarschuwingsplicht voor zou moeten instaan dat met die vergroening en drainage de normaal gesproken redelijkerwijze te verwachten mate van vochtindringing in de open kapschuur
uitgeslotenis. Zoals hiervoor is overwogen mochten [geïntimeerden] die verwachting niet koesteren.
4.6.
Dan rest nog ter beoordeling de kwestie van het verwerende hout. [appellant] heeft aangevoerd dat geen sprake is van een gebrekkige constructie en in het bijzonder heeft hij onweersproken toegelicht dat er modder tegen het hout heeft aangelegen, waardoor de olie op het hout is aangetast en het hout kan zijn verweerd. Bovendien staat dit gestelde gebrek niet in causaal verband tot de gestelde wateroverlast en kan het reeds daarom niet bijdragen aan de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerden]
4.7.
Al met al concludeert het hof dat niet is gebleken van een zodanige vochtindringing dat [geïntimeerden] die bij de aankoop van hun open kapschuur niet hadden hoeven verwachten. Omdat [geïntimeerden] inmiddels een betonvloer hebben laten aanbrengen, kan ook niet meer worden vastgesteld of daarvan sprake is (geweest).
In het hypothetische geval dat wel sprake was of zou kunnen zijn van een redelijkerwijs niet te verwachten mate van vochtindringing, is onvoldoende weersproken dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat [geïntimeerden] hun voornemen de tuin te onttegelen en te vergroenen zouden uitvoeren ter voorkoming hiervan. Zijn waarschuwingsplicht als opdrachtnemer reikt in de omstandigheden van dit geval dan ook niet zover dat hij uitdrukkelijk(er) had moeten wijzen op die eigen verantwoordelijkheid [geïntimeerden]
4.8.
Het hof acht [appellant] dus niet aansprakelijk voor de door [geïntimeerden] gemaakte kosten voor de aanleg van de betonvloer. De vorderingen van [geïntimeerden] zullen alsnog worden afgewezen, waardoor [geïntimeerden] hetgeen [appellant] aan hen heeft betaald ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter moeten terugbetalen. Het nog openstaande deel van de factuur van [appellant] zullen zij alsnog moeten voldoen.
4.9.
De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten à € 350,29 zullen worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat de vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] consumenten zijn (natuurlijke personen die niet hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet het hof controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet is gebleken dat aan [geïntimeerden] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
De conclusie
4.10.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt en het incidentele hoger beroep van [geïntimeerden] faalt. [geïntimeerden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [appellant] in zowel hoger beroep als bij de kantonrechter. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
4.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
In principaal en incidenteel hoger beroep
5.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 6 augustus 2024 en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:
5.2.
wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
5.3.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling aan [appellant] van € 1.929,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen [appellant] op grond van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerden] heeft betaald;
5.5.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
in conventie
€ 693,00 aan griffierecht
€ 812,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 406,00)
in reconventie
€ 203,00 (1 procespunt x de helft van het toepasselijke tarief van € 406,00)
te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
en tot betaling, binnen 14 dagen na vandaag, van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
in het principaal appel
€ 827,- aan griffierecht
€ 138,81 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerden]
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
in het incidenteel appel
€ 645,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (1 procespunt x de helft van het toepasselijke tarief II)
5.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, C.P. Lunter en A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.