ECLI:NL:GHARL:2026:4252

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.362.846
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag wegens psychische problematiek en verslaving moeder

De moeder en vader oefenden gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, geboren in 2016. De moeder kampt met psychische problematiek en verslaving, wat leidt tot slechte bereikbaarheid en communicatieproblemen. Hierdoor is het gezamenlijk gezag niet effectief uit te oefenen.

De rechtbank Midden-Nederland besloot op 6 augustus 2025 het gezag aan de vader toe te wijzen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen. De vader verzocht het hof de beschikking te bekrachtigen.

Het hof overwoog dat gezamenlijk gezag vereist dat ouders in staat zijn tot behoorlijke communicatie en gezamenlijke besluitvorming. Door de problematiek van de moeder is dit niet het geval. Het risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders. Het hof achtte het in het belang van het kind noodzakelijk dat de vader voortaan alleen het gezag uitoefent en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank.

De minderjarige is onder toezicht van een gecertificeerde instelling en woont bij de vader. De moeder heeft beperkt contact, mede vanwege haar problematiek. Het hof vond dat de moeder onvoldoende stabiel is om het gezag gezamenlijk uit te oefenen en dat de vader niet hoeft te wachten op verbetering van haar situatie.

De beslissing werd op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het besluit om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag voor de vader vanwege de problematische situatie van de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.846
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594672)
beschikking van 30 juni 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H.S.K. Jap-A-Joe,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 november 2025;
- het verweerschrift.
2.2
[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad);
-een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (verder: de GI) als informant.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] .
[de minderjarige] woont bij de vader. De moeder en de vader oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag uit.
3.2
[de minderjarige] staat onder toezicht van de GI.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan de vader toekomt.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van
6 augustus 2025. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw bij beschikking het verzoek van de vader om alleen met het gezag te worden belast alsnog af te wijzen.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de grief van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen,

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
De moeder stelt dat zij betrokken wenst te blijven bij de te nemen beslissingen met betrekking tot [de minderjarige] . Zij betwist dat de belangen van [de minderjarige] worden geschaad indien het gezamenlijk gezag in stand blijft. Zij en de vader konden immer goed met elkaar overleggen als het ging om [de minderjarige] totdat zij een nieuwe relatie kreeg. Vanaf dat moment heeft de vader geprobeerd haar onder druk te zetten om die relatie te verbreken door te dreigen dat hij anders het eenhoofdig gezag zou aanvragen. Dat zij psychisch kwetsbaar is en/of in het verleden drugs heeft gebruikt dan wel de omgang in het verleden tijdelijk was opgeschort maakte niet dat zij samen het gezag niet konden uitoefenen. Zij heeft de vader nimmer belemmerd als het ging om uitoefening van het gezag, zelfs niet in perioden dat zij vanwege haar psychische kwetsbaarheid was opgenomen in een klinische setting. Zij hoopt [de minderjarige] te kunnen steunen waar zij kan in zijn verdere ontwikkeling. Hierbij hoort ook dat zij zelf contact kan opnemen met bijvoorbeeld een behandelend arts van [de minderjarige] als er iets is of zijn leerkrachten om te weten wat hem bezig houdt en wat zij kan doen om hem zo goed mogelijk te helpen.
5.3
De vader voert aan dat de moeder voorbij gaat aan haar eigen problematiek. De moeder is verslaafd aan drugs, zit in de prostitutie en heeft veel psychische problematiek.
Hij wordt nog wekelijks gebeld door de moeder waarbij zij aangeeft onder invloed te zijn van drugs (cocaïne/heroïne/GHB) en om hulp vraagt. Om deze redenen is de omgangsregeling ook geregeld niet doorgegaan of voortijdig afgebroken. Hij belt vaak voordat er een contactmoment met [de minderjarige] is met de moeder om te bezien of moeder onder invloed is of niet. Dat is voor [de minderjarige] erg belastend. Hij maakt zich zorgen om zijn moeder. De moeder zit in een negatieve relatie waarbij haar vriend haar ook mishandelt. De moeder belt regelmatig met de vader met de vraag of hij haar wil redden. Zij heeft meerdere suïcidepogingen gedaan en is meermalen opgenomen geweest binnen de psychiatrie. Daarnaast heeft de moeder weinig zicht op de ontwikkeling van [de minderjarige] nu zij beperkt contact heeft met [de minderjarige] . Er is nu twee maal per week een uur tot anderhalf uur fysiek contact via de organisatie [naam1] . Dit wil de GI mogelijk gaan beperken tot één maal per week. De reden is dat de moeder zoals aangegeven beperkt beschikbaar is.
5.4
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de vader voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] heeft. Het hof zal de bestreden beschikking dus in stand laten. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang voor hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen dan wel ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond een kind kunnen voordoen.
Gezamenlijk gezag vereist daarom op zijn minst enige communicatie. In de onderhavige situatie is gebleken dat het met de moeder gedurende periodes door haar psychische problematiek en verslaving niet goed gaat. Afgelopen januari moest de moeder met een crisisplaatsing nog worden opgenomen in de psychiatrie. Als gevolg daarvan is de moeder slecht bereikbaar en is het moeilijk om met haar te communiceren. De moeder is dan niet een stabiele factor om samen met de vader beslissingen te kunnen nemen die in het belang zijn van [de minderjarige] . Zij zijn in dat geval niet in staat samen ongestoord samen belangrijke beslissingen te nemen over en voor [de minderjarige] . Niet te verwachten is dat in deze situatie rondom de moeder op zodanig korte termijn in voldoende mate verbetering zal optreden dat de ouders het gezag over [de minderjarige] op behoorlijke wijze gezamenlijk kunnen uitoefenen. Dat de moeder beslissingen niet tegenwerkt of de vader niet belemmert als het gaat om uitoefening van het gezag is naar het oordeel van het hof niet voldoende. De moeder kan op deze wijze niet zelf op een stabiele wijze inhoud geven aan het gezamenlijk gezag en daarvoor mede de verantwoordelijkheid dragen.
Van de vader kan niet verlangd worden dat hij moet wachten tot het moment dat de moeder wel weer de stabiliteit vindt om samen met hem beslissingen te kunnen nemen. Ook op de momenten dat het met de moeder minder goed gaat moet op een normale manier een beslissing over [de minderjarige] genomen kunnen worden. Daartoe is eenhoofdig gezag nodig.
5.5
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag het risico bestaat dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders en dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de vader voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] heeft. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van
6 augustus 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.