ECLI:NL:GHARL:2026:4297

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
000294-26 en 000295-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichtingArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 537 SvArt. 5 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vergoeding schade door niet-verleende strafonderbreking na vrijspraak

Verzoeker had een strafonderbreking op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting aangevraagd, die aanvankelijk was toegekend maar later werd ingetrokken vanwege een geweldsincident waarvan verzoeker werd verdacht. Na vrijspraak van dit incident werd verzoeker alsnog niet toegekend wat leidde tot voortzetting van de executie van de straf.

De rechtbank kende verzoeker een schadevergoeding toe voor de langere detentieperiode, maar het hof vernietigt deze beslissing. Het hof oordeelt dat de detentie na het niet-verlenen van strafonderbreking moet worden gezien als executie van een onherroepelijke straf en niet onder artikel 533 Sv Pro valt, dat alleen schadevergoeding regelt voor vrijheidsbeneming voorafgaand aan een strafoplegging.

Het hof wijst erop dat verzoeker zich bij onrechtmatige detentie tot de burgerlijke rechter moet wenden en kent slechts vergoeding toe voor de drie dagen inverzekeringstelling. Tevens worden de kosten van het verzoek deels vergoed.

Uitkomst: Het hof vernietigt de toekenning van schadevergoeding voor detentie na niet-verleende strafonderbreking en kent alleen vergoeding toe voor drie dagen inverzekeringstelling en kosten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000294-26 en 000295-26
Parketnummer eerste aanleg: 18-157414-23
Uitspraak d.d.: 1 juli 2026
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 24 maart 2026 op de verzoeken ex artikel 530 en Pro artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboortedatum]
woonplaats kiezende [woonplaats] , ten kantore van zijn advocaat mr. W. van Nunen,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Bij een op 14 mei 2024 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft verzoeker gevraagd om vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke hij ten gevolge van de inverzekeringstelling in een strafzaak en - vanwege de opschorting van een al verleende strafonderbreking - ondergane vrijheidsontneming heeft geleden, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast is verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en de behandeling van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft bij voormelde beschikking verzoeker vergoeding toegekend van € 23.510,00.
Door de officier van justitie is op 2 april 2026 hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.
Het hoger beroep is door het hof in raadkamer op 17 juni 2026 in het openbaar behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens verzoeker mr. W. van Nunen, voornoemd.
Inleiding
Het hoger beroep betreft de vraag of de schade, die verzoeker heeft geleden als gevolg daarvan dat hem geen strafonderbreking op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de regeling) is verleend, op de voet van artikel 533 Sv Pro voor vergoeding in aanmerking kan komen.
Artikel 533, eerste lid, Sv luidt:
“Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding uit ’s Rijks kas toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.”
Artikel 40a van de regeling luidt:
“1 Aan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, kan strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend.
2 Indien een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat tenminste de helft van de straf is ondergaan. Indien een vrijheidsstraf van meer dan drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat tenminste tweederde gedeelte van de straf is ondergaan.
3 De strafonderbreking gaat in op het moment dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
4 Aan de strafonderbreking wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. Indien de vreemdeling de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, niet naleeft, wordt de tenuitvoerlegging van de straf hervat.
5 De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.”
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft het verzoek van verzoeker toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er een rechtstreeks verband tussen het ontstaan van de verdenking in de strafzaak (met het parketnummer 18-157414-23), waarvan verzoeker is vrijgesproken, en de beslissing tot afwijzing van de al toegezegde strafonderbreking door de minister voor rechtsbescherming. Als gevolg hiervan heeft verzoeker feitelijk langer gedetineerd gezeten dan het geval zou zijn als tegen hem niet de verdenking zou zijn gerezen. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker hierdoor schade heeft geleden die valt onder de reikwijdte van de regeling voor schadevergoeding van gewezen verdachten. De rechtbank overweegt daartoe dat analoog aan artikel 537, derde lid, Sv, artikel 533 Sv Pro grondslag biedt voor vergoeding van schade geleden door vrijheidsbeneming wanneer - kort gezegd - personen zonder verblijfsstatus in Nederland, voor wie de voorziening van artikel 40a van de regeling in de plaats komt, schade hebben geleden. Hoewel de regeling van artikel 533 Sv Pro zich beperkt tot schade die is ontstaan door strafvorderlijke vrijheidsbeneming en daarom in strikte zin niet in deze zaak van toepassing is, volgt uit de jurisprudentie van onder andere artikel 5 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak sprake.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de rechtbank. Het openbaar ministerie stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat toekennen van de schadevergoeding door de rechtbank voor de periode die verzoeker in detentie heeft doorgebracht, terwijl mogelijk strafonderbreking zou zijn verleend zonder de nieuwe verdenking, geen steun vindt in het recht. In raadkamer heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat bij het niet verlenen van strafonderbreking, zoals in het geval van verzoeker, de executie van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf wordt voortgezet.
Vernietiging van de beslissing van de rechtbank
Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank omdat het tot een andere beslissing komt.
Beoordeling van het hoger beroep
Op basis van de stukken en het verhandelde in raadkamer stelt het hof vast dat de minister voor rechtsbescherming op 25 januari 2023, op verzoek van verzoeker, op grond van artikel 40a van de regeling had besloten aan verzoeker strafonderbreking te verlenen per 20 april 2023 in verband met de uitlevering van verzoeker aan Albanië. Deze beslissing heeft de minister bij beslissing van 8 mei 2023 ingetrokken omdat de autoriteiten van Albanië het uitleveringsverzoek hadden ingetrokken.
Vervolgens heeft verzoeker in mei 2023 een nieuw verzoek om strafonderbreking ingediend. Dit verzoek was daarop gegrond dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden, genoemd in artikel 40a, tweede lid, van de regeling en hij bereid was te voldoen aan de voorwaarde, opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Op 11 mei 2023 heeft in de penitentiaire inrichting waar verzoeker verbleef een geweldsincident plaatsgevonden waarvan hij werd verdacht. Daarop heeft de minister het door verzoeker ingediende nieuwe verzoek om strafonderbreking afgewezen bij zijn beslissing van 26 mei 2023. Als reden is vermeld: ‘Het openbaar ministerie heeft inmiddels negatief geadviseerd vanwege gewijzigde omstandigheden: verzoeker heeft samen met een medegedetineerde een andere gedetineerde zwaar mishandeld’. Er staat in de beslissing: ‘Uw gedrag en het feit dat een nieuwe verdenking ter zake van een misdrijf is gerezen, maken dat het openbaar ministerie negatief adviseert. De minister neemt dit advies over’. Verzoeker heeft ervan afgezien om rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beslissing, aldus zijn advocaat, om reden dat dit niet voldoende kansrijk was.
Verzoeker is van 27 tot en met 29 juni 2023 in verzekering gesteld geweest naar aanleiding van het geweldsincident van 11 mei 2023. Vervolgens is de executie voortgezet van het onherroepelijke vonnis waarvan verzoeker geen strafonderbreking was verleend. De rechtbank heeft verzoeker op 5 februari 2024 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde geweldsincident van 11 mei 2023. Vervolgens heeft verzoeker op 1 maart 2024 opnieuw verzocht om strafonderbreking. Op 14 maart 2024 is verzoeker op grond van artikel 40a van de regeling in vrijheid gesteld.
Met betrekking tot de vraag of (de schade ten gevolge van) het verblijf in detentie doordat de strafonderbreking (na 29 juni 2023) niet is doorgegaan, op de voet van artikel 533 Sv Pro kan worden vergoed overweegt het hof dat dit verblijf in detentie moet worden gezien als de executie van een onherroepelijk opgelegde straf. Dat het openbaar ministerie, zoals de advocaat-generaal in raadkamer heeft aangegeven, naar verwachting een vordering tot voorlopige hechtenis zou hebben ingediend, als de minister wel strafonderbreking had verleend, doet daaraan niet af.
Het hof ziet geen aanknopingspunten om dit verblijf in detentie gelijk te stellen met de vrijheidsbeneming waarop artikel 533 Sv Pro betrekking heeft. Die vrijheidsbeneming kenmerkt zich daardoor dat het uitsluitend betreft vrijheidsbeneming in verband met een feit, voorafgaand aan de beslissing waarbij voor dat feit - al dan niet - een straf of maatregel wordt opgelegd. Bij de toekenning van een schadevergoeding voor deze vrijheidsbeneming kan, op de voet van artikel 534, derde en vierde lid, Sv, wel rekening worden gehouden met onherroepelijk opgelegde geldboetes of vrijheidsstraffen maar vergoeding voor de executie van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf als zodanig past niet in de regeling van artikel 533 Sv Pro. Verder overweegt het hof dat artikel 537 Sv Pro voor een aantal situaties een specifieke regeling biedt. Ook daar gaat het niet om schade als gevolg van de executie van een onherroepelijke straf. Het gaat daar om schade als gevolg van vrijheidsbeneming door (voorlopige) tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel ingeval de rechter achteraf tot het oordeel komt dat niet is voldaan aan de voorwaarde om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Voor een analoge toepassing van dit artikel op de onderhavige situatie ziet het hof geen ruimte.
Dit betekent dat het verzoek om vergoeding van schade op grond van artikel 533 Sv Pro, voor zover dat betreft deze detentie, niet-ontvankelijk moet worden verklaard en verzoeker - als hij meent onrechtmatig schade te hebben geleden - zich tot de burgerlijke rechter dient te wenden. Dat artikel 5 van Pro het EVRM regels stelt over vrijheidsontneming en dat op grond van het vijfde lid van dit artikel aanspraak bestaat op schadeloosstelling voor degene die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel maakt niet dat voor de toekenning van schadevergoeding de weg van artikel 533 Sv Pro open dient te staan.
Gelet op het voorgaande ziet het hof slechts aanleiding een vergoeding toe te kennen voor schade voor de drie dagen die verzoeker in het kader van de inverzekeringstelling in de strafzaak met het parketnummer 18-157414-23 heeft doorgebracht. Het hof neemt hierbij als uitgangspunt het destijds gebruikelijk hiervoor gehanteerde tarief, te weten € 130,00 per dag in verzekering op een politiebureau doorgebracht.
De kosten van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking volgens de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 1.020,00 voor het indienen en (tweemaal) behandelen van het verzoek in eerste aanleg, en een bedrag van € 420,- voor de behandeling in hoger beroep.
Met inachtneming van het bovenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- immateriële schade voorarrest: € 390,00
3 dagen politiebureau ad € 130,00
- kosten indienen en behandelen verzoek
€ 1.440,00+
Totaal € 1.830,00
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek, voor zover dat ziet op vergoeding voor schade wegens het verblijf in het [locatie] vanwege het niet verlenen van strafonderbreking.
Kent aan verzoeker [verzoeker] toe een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van
€ 1.830,00 (duizend achthonderddertig euro).
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van ‶ [verzoeker] 530 Sv″.
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. O. Anjewierden, raadsheren,
in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 1 juli 2026 ter openbare zitting uitgesproken.