AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning schadevergoeding voor onrechtmatige vrijheidsontneming na herroeping strafonderbreking
Verzoeker was gedetineerd voor een eerdere straf en had op grond van artikel 40a Rtvi strafonderbreking gekregen. Na een nieuwe verdenking wegens een geweldsincident in de penitentiaire inrichting werd deze strafonderbreking herroepen. Verzoeker werd later vrijgesproken van deze verdenking, maar had daardoor langer vastgezeten dan zonder de nieuwe verdenking het geval zou zijn geweest.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker hierdoor schade heeft geleden die onder de regeling voor schadevergoeding voor gewezen verdachten valt. Hoewel artikel 533 SvPro strikt genomen niet voorziet in vergoeding voor deze situatie, is analoog aan artikel 537 SvPro en het EVRM een billijke vergoeding op zijn plaats.
De rechtbank kent vergoeding toe voor drie dagen onterechte inverzekeringstelling en 221 dagen voortgezette detentie na herroeping van de strafonderbreking, tegen standaardtarieven. Tevens worden kosten voor het verzoekschrift en zittingen vergoed. De totale vergoeding bedraagt €23.510,00.
De beslissing is genomen door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland en is openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €23.510,00 wegens onrechtmatige vrijheidsontneming na herroeping van strafonderbreking.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18/157414-23 raadkamernummers : 24-011882 en 24-011883
datum : 24 maart 2026
beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
in deze woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat aan de [adres] te Breda, hierna te noemen: verzoeker.
Advocaat: mr. W. van Nunen, advocaat te Breda, waarnemend voor kantoorgenoot mr. J.C. Sneep.
Procesverloop
Verzoeker is op 5 februari 2024 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank vrijgesproken (hierna: de strafzaak). Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Op 15 mei 2024 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling en - vanwege de opschorting van reeds
verleende strafonderbreking - ondergane vrijheidsontneming tot een bedrag van 23.790,00;
- de kosten voor het opstellen en in het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,00, eventueel te
vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, de standpunten namens het Openbaar Ministerie en de standpunten namens verzoeker tijdens de behandeling in raadkamer op 2 juni 2025 en 2 december 2025 en de naderhand schriftelijk uitgewisselde standpunten.
Op de raadkamerzitting van 10 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling gesloten. Daarbij was aanwezig als officier van justitie mr. I. Kluiter. De advocaat is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Verzoek
Namens verzoeker is ten aanzien van de verzochte vergoeding van schade als gevolg van ondergane vrijheidsontneming het volgende aangevoerd.
Verzoeker heeft in voornoemde strafzaak drie dagen, te weten van 27 tot en met 29 juni 2023, in verzekering doorgebracht. Op 5 februari 2025 is verzoeker in de strafzaak vrijgesproken. Wegens de ten onrechte ondergane inverzekeringstelling komt aan verzoeker een vergoeding toe van 130,00 per dag.
Ten tijde van het ontstaan van de verdenking in de strafzaak was verzoeker uit hoofde van een andere strafzaak gedetineerd. Omdat verzoeker van die straf twee derde deel had uitgezeten was, voorafgaand aan het ontstaan van de verdenking, namens de minister van Rechtsbescherming ingestemd met strafonderbreking op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi). Als direct gevolg van de inverzekeringstelling in de onderhavige strafzaak is de beslissing tot strafonderbreking herroepen. Gelet op de latere vrijspraak in de onderhavige strafzaak is verzoeker ten onrechte langer gedetineerd geweest. De exacte datum waarop de strafonderbreking zou zijn ingegaan kan niet worden vastgesteld. Verzoeker is 25 dagen na het onherroepelijk worden van het vrijsprekend vonnis, op 14 maart 2024, in vrijheid gesteld. Daarom is aannemelijk dat de strafonderbreking, als de verdenking niet had bestaan, in ieder geval binnen een maand zou zijn ingegaan nadat op 29 juni 2023 de inverzekeringstelling werd beëindigd. Daarom is als fictieve ingangsdatum 25 juli 2023 gekozen. 25 juli 2023 tot en met 14 maart 2024 betreft een periode van 234 dagen, waarvoor verzoeker aanspraak maakt op een vergoeding van 100,00 per dag.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen vergoeding van schade als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling en tegen vergoeding van kosten die verband houden met het opstellen en indienen van het verzoekschrift. Het Openbaar Ministerie heeft zich wél verzet tegen vergoeding van schade die volgens verzoeker het gevolg is van het ten onrechte herroepen van de beslissing tot strafonderbreking. Namens het Openbaar Ministerie is daartoe het volgende aangevoerd.
De door verzoeker aangevoerde grond voor schadevergoeding kan niet worden gelijkgesteld met ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikelen 530 en 533 Sv. Indien dat naar het oordeel van de rechtbank wel het geval is dient het verzoek op dit punt te worden afgewezen omdat er geen gronden van billijkheid voor toekenning van schadevergoeding aanwezig zijn.
Daartoe is van belang dat strafonderbreking geen gegeven is en onder bepaalde omstandigheden door de minister van Rechtsbescherming kán worden verleend. Daarnaast weegt hierin mee dat verzoeker weliswaar is vrijgesproken in de onderhavige strafzaak, maar dat dat niet maakt dat de verdenking toentertijd een onterechte verdenking was.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
Inverzekeringstelling en voortgezette detentie als gevolg van herroeping beslissing tot strafonderbreking
De rechtbank gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij brief van 25 januari 2023 is namens de minister voor Rechtsbescherming ingestemd met strafonderbreking op grond van artikel 40a Rtvi en is de vroegst mogelijke datum voor strafonderbreking bepaald op 20 april 2023. Verzoeker verbleef ten tijde van de beslissing in detentie in verband met een opgelegde gevangenisstraf van 15 jaren. Op 11 mei 2023 vindt in de P.I. waar verzoeker op dat moment verblijft een geweldsincident plaats waarbij onder meer verzoeker als verdachte wordt aangemerkt. Bij brief van 26 mei 2023 wordt namens de minister besloten om geen strafonderbreking (meer) te verlenen. In die brief staat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat verzoeker er samen met een medegedetineerde van wordt verdacht een andere medegedetineerde zwaar te hebben mishandeld en dat de nieuwe verdenking maakt dat er volgens het Openbaar Ministerie contra-indicaties zijn voor het verlenen van strafonderbreking. Op 5 februari 2024 is verzoeker van de genoemde verdenking vrijgesproken. Tegen deze vrijspraak is de officier van justitie niet in beroep gekomen. Bij brief van 1 maart 2024 is aan verzoeker opnieuw strafonderbreking verleend en op 14 maart 2024 heeft verzoeker Nederland verlaten.
Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreeks verband tussen het ontstaan van de verdenking in de strafzaak, van welke verdenking verzoeker uiteindelijk is vrijgesproken, en de beslissing tot afwijzing van de reeds toegezegde strafonderbreking. Als gevolg hiervan is verzoekers vrijheid een langere tijd ontnomen geweest dan het geval zou geweest als tegen hem niet een verdenking van een nieuw strafbaar feit zou zijn gerezen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker hierdoor schade geleden die valt onder de reikwijdte van de regeling voor schadevergoeding voor gewezen verdachten. De rechtbank overweegt hiertoe dat analoog aan artikel 537, derde lid, Sv artikel 533 SvPro een grondslag biedt voor vergoeding van schade geleden als gevolg van vrijheidsbeneming wanneer - kort gezegd - personen zonder verblijfsstatus in Nederland, voor wie de regeling van artikel 40a Rtvi in de plaats komt, schade hebben geleden.
De rechtbank overweegt hiertoe dat hoewel de regeling van artikel 533 SvPro zich beperkt tot schade die is ontstaan door strafvorderlijke vrijheidsbeneming en derhalve in strikte zin niet ziet op een situatie als de onderhavige, uit de jurisprudentie van onder andere artikel 5 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, volgt dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Op grond van de hierboven gegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de concrete situatie van verzoeker zodanig was dat hij door de verdenking, waarvan hij is vrijgesproken, geen gebruik meer kon maken van de aan hem reeds verleende strafonderbreking. Daardoor heeft verzoeker feitelijk langer gedetineerd gezeten dan dat anders het geval zou zijn geweest. Dat verzoeker gedetineerd zat voor een ernstig levensdelict doet aan het voorgaande niet af. De minister had immers ondanks de veroordeling van verzoeker voor het ernstige levensdelict reeds besloten tot het verlenen van strafonderbreking.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv vindt de toekenning van schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie, zoals ook neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat de gronden voor een vrijspraak niet in twijfel worden getrokken en dat de rechtbank zich in het kader van deze verzoekschriftprocedure onthoudt van een zelfstandig oordeel dat zich niet met de vrijspraak verhoudt. De rechtbank mag in de verzoekschriftprocedure mede onderdelen van de motivering van de vrijspraak betrekken, maar in de motivering van het onderhavige vrijsprekend vonnis ziet de rechtbank in dit geval geen ruimte en aanleiding om verzoekers eigen gedrag te betrekken in de billijkheidstoets. De rechtbank acht aldus gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker als gevolg van de onderhavige verdenking drie dagen, van 27 juni 2023 tot en met 29 juni 2023, in verzekering heeft doorgebracht. Aan verzoeker komt daarom voor die periode de standaardvergoeding toe van 130,00 per dag.
Ten aanzien van de periode die verzoeker na de inverzekeringstelling als gevolg van de onderhavige verdenking langer van zijn vrijheid ontnomen is geweest, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan niet vaststellen op welke datum verzoeker Nederland zou hebben verlaten als de verdenking in onderhavige strafzaak niet zou zijn gerezen. Een concrete vertrekdatum was namelijk nog niet bekend. De rechtbank zal daarom uitgaan van de periode na de inverzekeringstelling, vanaf 30 juni 2023 tot en met de dag van het vrijsprekend vonnis op 5 februari 2024. Dit betreffen 221 dagen. De rechtbank zal voor de hoogte van de vergoeding uitgaan van de standaardvergoeding voor een dag die in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 100,00 per dag.
De rechtbank zal verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- inverzekeringstelling ( 3 dagen* 130,00) 390,00
- verblijf in P.I. (221 dagen* 100,00) 22.100,00
totaal 22.490,00
Kosten met betrekking tot het verzoekschrift
De rechtbank zal conform de LOVS-richtlijnen voor het indienen van het verzoekschrift een vergoeding toekennen van 340,00. Bij de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer op 2 juni 2025 en 2 december 2025 is de advocaat aanwezig geweest. De rechtbank zal daarom, eveneens conform de LOVS-richtlijnen, per bijgewoonde zitting een vergoeding toekennen van 340,00. In totaliteit zal de rechtbank daarom met betrekking tot de kosten van het verzoekschrift een vergoeding toekennen van 1.020,00.
Conclusie
De rechtbank zal aan verzoeker in totaliteit een vergoeding toekennen van:
inverzekeringstelling en verblijf in P.I. 22.490,00
kosten met betrekking tot het verzoekschrift
totaal 23.510,00
Beslissing
De rechtbank
kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 23.510,00;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. Faber, voorzitter,
mr. G. Eelsing en mr. A. van den Oever, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. de Boer, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: 23.510,00 (zegge: drieëntwintigduizend vijfhonderdtien euro) ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [bank] , ten name van Stichting Derdengelden Sneep Advocaten, onder vermelding van [verzoeker] 533 Sv.