ECLI:NL:GHARL:2026:430

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
21-001573-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis rechtbank Midden-Nederland en veroordeling poging tot doodslag met verwerping noodweer

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte was eerder vrijgesproken van poging tot doodslag, maar de rechtbank had hem wel veroordeeld voor zware mishandeling. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag. De zaak betreft een incident op 27 december 2022, waarbij de verdachte met een bestelauto achteruit reed terwijl het slachtoffer tussen de auto en het geopende portier stond. Het slachtoffer raakte ernstig gewond. Het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans op overlijden had aanvaard door over het slachtoffer heen te rijden. Het hof verwierp ook de beroepen op noodweer en putatief noodweer, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op het moment van het voorwaarts wegrijden. De verdachte kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001573-24
Uitspraakdatum: 27 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 maart 2024 met parketnummer 16-336964-22 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor gemelde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 januari 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Lamers, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde (poging doodslag), maar heeft hem veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde (zware mishandeling). De rechtbank heeft hem een gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij, op of omstreeks 27 december 2022, te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet
- met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met toenemende snelheid) achteruit is gereden (terwijl die [slachtoffer] tussen het geopende bestuurdersportier en de deuropening van de door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto zit/stond), waardoor die [slachtoffer] is meegesleurd en/of (vervolgens) ten val is gekomen
en/of
- (vervolgens) (tijdens het keren en/of wegrijden) meermalen, althans eenmaal, (vol gas) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen en/of over het lichaam van die [slachtoffer] (heen) is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair:
hij, op of omstreeks 27 december 2022, te [plaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- (uitgebreid) aangezichtsletsel met bovenkaakfractuur en/of een fractuur tussen het aangezichtsskelet en de schedelbasis en/of
- een gebroken neus en/of
- een klaplong (beiderzijds) en/of
- een of meerdere gebroken rib(ben) en/of
- een of meerdere gebroken sleutelbeen(deren) en/of
- letsel aan de borstkas en/of borstholte en/of
- letsel aan de lever en/of
- een of meerdere wervelfractu(u)r(en) en/of
- een of meerdere kneuzing(en),
heeft toegebracht door met dat opzet
- met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met toenemende snelheid) achteruit te rijden (terwijl die [slachtoffer] tussen het geopende bestuurdersportier en de deuropening van de door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto zit/stond), waardoor die [slachtoffer] is meegesleurd en/of (vervolgens) ten val is gekomen
en/of
- (vervolgens) (tijdens het keren en/of wegrijden) meermalen, althans eenmaal, (vol gas) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen en/of over het lichaam van die [slachtoffer] (heen) te rijden.
meer subsidiair:
hij, op of omstreeks 27 december 2022, te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet
- met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met toenemende snelheid) achteruit is gereden (terwijl die [slachtoffer] tussen het geopende bestuurdersportier en de deuropening van de door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto zit/stond), waardoor die [slachtoffer] is meegesleurd en/of (vervolgens) ten val is gekomen en/of
- (vervolgens) (tijdens het keren en/of wegrijden) meermalen, althans eenmaal, (vol gas) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen en/of over het lichaam van die [slachtoffer] (heen) is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het primair tenlastegelegde (poging doodslag) wettig en overtuigend bewezen is. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever, door als bestuurder van een auto naar achteren te rijden terwijl de aangever tussen de auto en het openstaande portier stond, en vervolgens vooruit weg te rijden en daarbij over de aangever heen te rijden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet valt vast te stellen wat er precies is gebeurd. Dus ook niet of verdachte als bestuurder van een auto over de aangever is heengereden, hem heeft meegesleurd, en wat de oorzaak is van zijn letsel.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op een poging doodslag, dan wel het toebrengen van het (zwaar lichamelijk) letsel van de aangever.
Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) kan doen. De raadsman heeft het meest subsidiair namens zijn cliënt een beroep op putatief noodweer gedaan.
Oordeel van het hof
De verdachte heeft aangevoerd dat vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Feiten en omstandigheden
De verdachte heeft tijdens de zittingen bij de rechtbank en het hof verklaard dat hij op 27 december 2022 in [plaats] was. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij in de door hem bestuurde bestelwagen achteruit reed, terwijl het slachtoffer [slachtoffer] in het geopende bestuurdersportier stond. Naar eigen zeggen is hij eerst achteruit gereden en vervolgens vooruit weggereden.
Het slachtoffer verklaart dat hij vol tegen de deur van de auto kwam, en op de grond is gevallen. Het slachtoffer verklaart dat de verdachte over hem heen is gereden en dat hij bleef hangen onder de auto. Hierna zou de verdachte zijn weggereden.
In de letselrapportage van 5 januari 2023 wordt geschreven dat het slachtoffer heeft gemeld dat hij twee maal is overreden door een auto. In deze letselrapportage wordt een gedetailleerde omschrijving gegeven van het letsel bij het slachtoffer. Deze omschrijving van het letsel maakt deel uit van de tenlastelegging. In de letselrapportage wordt verder genoemd dat de gemelde toedracht, namelijk het zijn overreden door een auto, past bij het geconstateerde letsel. In dit verband wordt ook genoemd dat het letsel aan de linkerarm van het slachtoffer goed mogelijk passend is bij een bandenspoor.
Uit een proces-verbaal van de plaats delict (pagina’s 52 en verder van het procesdossier) blijkt onder andere dat er een sleep- en bandenspoor te zien is op het wegdek. Bij het begin en einde van het sleepspoor lagen poelen bloed. Het sleepspoor is van rode en zwarte vezels, en is ongeveer 5 meter lang. Het slachtoffer [slachtoffer] droeg een zwarte jas met daaronder een rood kledingstuk. Het bandenspoor bevindt zich naast het sleepspoor en is ongeveer 2,5 meter lang.
Poging tot doodslag
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of op grond van voornoemde feiten en omstandigheden bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen dient het hof vast te stellen of er sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever. Het hof kan in dezen niet vaststellen dat verdachte erop uit was om aangever te doden, in de zin dat hij daar vol opzet op had.
Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of er wel sprake was van opzet in voorwaardelijke zin. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De vraag die het hof dus dient te beantwoorden is of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof leidt uit het sleepspoor met kledingvezels en het naastliggende bandenspoor af dat verdachte bij het vooruit wegrijden met zijn bestelwagen over het op de grond liggende slachtoffer is heengereden. Het is een feit van algemene bekendheid dat als er iemand op de grond ligt en over die persoon wordt heengereden met een auto, er een aanmerkelijke kans is dat diegene komt te overlijden.
Nadat de verdachte met geopend portier achteruit is gereden om zich uit de situatie met het slachtoffer te onttrekken, heeft hij zich er niet van vergewist dat het slachtoffer (dat voorafgaand aan het achteruit rijden tussen het geopende portier en de auto stond) vlak naast of (gedeeltelijk) onder de auto zou kunnen liggen. Toch heeft verdachte de auto in zijn vooruit gezet. Vervolgens moet hij ook gas hebben gegeven om weg te rijden. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het overlijden van het slachtoffer.
Het hof concludeert hieruit dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair:
hij, opof omstreeks27 december 2022, te Zeist,althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet
- met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto(met toenemende snelheid)achteruit is gereden (terwijl die [slachtoffer] tussen het geopende bestuurdersportier en de deuropening van de door hem, verdachte, bestuurde (bestel)autozit/stond), waardoor die [slachtoffer]is meegesleurd en/of (vervolgens)ten val is gekomen
en/of
- (vervolgens)(tijdens hetkeren en/ofwegrijden)meermalen, althans eenmaal,(vol gas)(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag)tegen en/ofover het lichaam van die [slachtoffer] (heen) is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Beroep op noodweer
De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan en bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Voor aanvaarding van een beroep op noodweer is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Het hof acht gelet op de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt haar weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het slachtoffer agressief op hem overkwam. Op enig moment trok het slachtoffer het portier aan de bestuurderszijde, waar verdachte zat, open en hield een lachgastank van vier kilo dreigend omhoog op korte afstand van het hoofd van verdachte. Hiervan is de verdachte naar eigen zeggen geschrokken, waarop hij snel wilde wegkomen. Hij heeft de auto achteruit gereden terwijl de aangever nog in de portieropening stond. Vervolgens is de verdachte kort daarna vooruit weggereden.
Het hof overweegt hieromtrent dat deze confrontatie tussen het slachtoffer en de verdachte in twee momenten uiteenvalt, namelijk het achteruitrijden als het directe gevolg van de dreiging vanuit het slachtoffer, en het moment dat de verdachte vervolgens vooruit wegrijdt.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van het slachtoffer aanvankelijk (namelijk op het moment dat hij bij het geopende portier stond) een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding opleveren. Die situatie is echter geëindigd op het moment dat het slachtoffer ten val is gekomen door het achteruitrijden van verdachte waardoor het slachtoffer in aanraking is gekomen met het openstaande portier. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat bij het vooruit wegrijden (nog steeds) sprake was van een noodweersituatie. Het slachtoffer lag toen immers al uitgeschakeld op de grond.
Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweerexces
De verdediging heeft een beroep op noodweerexces gedaan en betoogd dat verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat feitelijk niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging was geboden, wordt het beroep op noodweerexces reeds om die reden verworpen. Hetgeen hiervoor door het hof is overwogen in het kader van de verwerping van het beroep op noodweer dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Beroep op putatief noodweer
De verdediging heeft een beroep op putatief noodweer gedaan en betoogd dat verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Nu het slachtoffer uitgeschakeld op de grond lag op het moment dat verdachte zijn versnelling in de vooruit zette en gas gaf om weg te rijden, heeft verdachte naar het oordeel van het hof niet verschoonbaar gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Het verweer wordt verworpen.
De verdachte is derhalve strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid moet worden opgelegd van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, de verdachte te veroordelen tot een taakstraf gelet op de jonge leeftijd en het blanco strafblad van de verdachte, het verwijtbare gedrag van het slachtoffer en het tijdsverloop van de zaak.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en/of maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het overrijden van het slachtoffer met een bestelauto. De verdachte heeft zich er niet van vergewist dat de aangever vlak naast of (gedeeltelijk) onder de auto zou kunnen liggen bij het vooruit wegrijden. De verdachte heeft zich pas een aantal uren na het incident gemeld op het politiebureau. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. In beginsel is in een dergelijke situatie oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast.
Het hof weegt echter in strafmatigende zin zwaar mee dat aannemelijk is geworden dat de aangever is begonnen met de confrontatie door, terwijl hij onder invloed van een grote hoeveelheid lachgas was, een zware lachgastank dreigend boven het hoofd van de verdachte te houden. Het is logisch dat verdachte snel wilde wegkomen uit die situatie. Wel heeft hij een heel verkeerde keuze gemaakt door, nadat het slachtoffer al was uitgeschakeld, toch nog vooruit weg te rijden zonder dat hij wist of eerst controleerde waar het slachtoffer ten opzichte van de auto lag.
Het hof heeft houdt ook rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Het hof heeft daarnaast kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 12 december 2025. Hieruit blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder blijkt uit zijn strafblad dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het hof ziet in de bovengenoemde omstandigheden aanleiding om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen om de ernst van het feit te benadrukken en om verdachte de komende jaren in te schepen. Daarnaast zal aan verdachte de maximale taakstraf en een rijontzegging worden opgelegd.
Alles overwegende, legt het hof aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast legt het hof aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 12 maanden.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. R.W.E. van Leuken, mr. K. Gilhuis en mr. D.J. Stahlie, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Harsveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 januari 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 januari 2026.
Tegenwoordig:
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.