ECLI:NL:GHARL:2026:4307

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/354
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 onderdeel a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5.1 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2016 inzake belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Belanghebbende is tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 in beroep gekomen nadat de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard. De kern van het geschil betreft de juiste vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, waarbij partijen het eens zijn dat het voordeel nihil is, maar verschillen over de waardering van schulden en bezittingen.

Belanghebbende heeft in de procedure ook een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. Het hof constateert dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep met circa 29 maanden is overschreden en in hoger beroep met circa 5 maanden, maar oordeelt dat vanwege het geringe financiële belang geen vergoeding toekomt.

Het hof bevestigt dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen terecht op nihil is vastgesteld, omdat de waarde van de schulden de waarde van de bezittingen niet overtreft. De waardevaststelling van afzonderlijke vermogensbestanddelen is niet aan de orde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Er wordt geen griffierecht geheven vanwege betalingsonmacht van belanghebbende en er worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/354
uitspraakdatum: 23 juni 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2023, nummer AWB 22/877, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: aanslag 2016) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. M. van Leeuwen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaak is gelijktijdig behandeld met die met de kenmerken 25/1169, 25/1170, 25/1171, 25/1172 en 25/1173.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in de jaren 1986 en 1998 de [stichting1] en de [stichting2] opgericht en is bestuurder van beide stichtingen. Op 21 maart 2011 heeft belanghebbende [stichting3] opgericht.
2.2.
Op 14 december 2015 heeft belanghebbende met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst (de VSO) gesloten over de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2015.
2.3.
In de VSO is over de vorderingen en schulden van belanghebbende het volgende opgenomen, waarbij voor partij A moet worden gelezen belanghebbende:
“(…) Vorderingen en schulden
Partij A heeft een geschil over de hoogte van mogelijke vorderingen op en schulden aan [naam3] , [naam4] , [naam5] en de stichtingen. Voor de belastingjaren 2011 tot en met 2015 spreken partijen af dat ervan uitgegaan wordt dat mochten de bezittingen van partij A (waaronder de vorderingen en zijn onroerende zaken), de schulden al overtreffen hieruit geen belastingheffing in box 3 volgt omdat deze [onder] het heffingsvrije vermogen vallen. Voor wat betreft de belastingjaren 2016 en volgend spreken partijen met betrekking tot deze vorderingen en schulden af dat de wettelijke (fiscale) regels van toepassing zijn. De vorderingen en schulden zullen overeenkomstig de waarde in het economische verkeer in de aangifte moeten [worden] opgenomen. Partij A zal hierbij aansluiten bij de meest recente gerechtelijke uitspraak voor zover hierover een geschil met de wederpartij is. Op verzoek van de Belastingdienst is partij A gehouden informatie te verstrekken over de hoogte van de vorderingen en schulden. Met betrekking tot de schulden aan de heer [naam3] en de heer [naam4] spreken partijen het volgende af: Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam3] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedrag. Voor zolang de rechter hierover geen uitspraak heeft gedaan wordt, zolang de schuld bestaat, voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen gewaardeerd op € 675.000. Indien de rechter geoordeeld heeft, maar er nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden zijn partijen bevoegd een afwijkend standpunt over de hoogte van deze schuld in te nemen en is hij niet gebonden aan deze afspraak. Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam4] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedrag. Voor zolang de rechter hierover geen uitspraak heeft gedaan wordt, zolang de schuld bestaat, voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen gewaardeerd op € 4.651. Indien de rechter geoordeeld heeft, maar er nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden zijn partijen bevoegd een afwijkend standpunt over de hoogte van deze schuld in te nemen en Is hij niet gebonden aan deze afspraak. (…)”.
2.4.
Belanghebbende heeft op 31 maart 2017 zijn aangifte IB/PVV 2016 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 14.549. Bij belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is nihil ingevuld. Aan bezittingen is een bedrag van € 454.114 aangegeven. Het totaal bedrag aan schulden bedraagt volgens de aangifte € 1.557.322. Het betreft een schuld van € 675.000 aan [naam3] een schuld van € 879.018 aan [stichting1] en een schuld aan [naam4] van € 3.304.
2.5.
De Inspecteur heeft belanghebbende – per brief van 31 januari 2018 – verzocht om informatie met betrekking tot de door belanghebbende in de aangifte opgevoerde schulden. Partijen correspondeerden hierover per mail en fysiek in de periode februari 2018 tot en met maart 2019. Uitkomst hiervan was dat de Inspecteur alleen het bedrag van € 675.000 als schuld in de aangifte heeft geaccepteerd.
2.6.
Met dagtekening 1 juni 2019 heeft de Inspecteur de aanslag 2016 opgelegd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 14.549 en bestaat volledig uit belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) is vastgesteld op € 0.
2.7.
Belanghebbende heeft op 9 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2016. Op 22 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.
2.8.
In het dossier bevindt zich een voor een notaris verleden overeenkomst van schuldbekentenis van 16 juli 2021. Hierin verklaart belanghebbende dat hij sedert 30 januari 2015 een bedrag van € 1.076.193 schuldig is aan [stichting3] .
2.9.
De Rechtbank heeft op 19 december 2023 het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard, op de grond dat het beroep niet kan leiden tot een lagere belastingaanslag.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag 2016 wat betreft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van belanghebbendes bezittingen de waarde van zijn schulden niet overtreft, en dat het voordeel uit sparen en beleggen derhalve nihil bedraagt. Partijen verschillen wel van mening over de vraag in hoeverre de waarde van de schulden de waarde van de bezittingen overtreft.
3.2.
Voorts is in geschil of de Rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft aangegeven niet in staat te zijn om griffierecht te betalen. Het Hof heeft in verband daarmee een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft de griffier bij brief van 9 oktober 2024 aan belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en dat daarom vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding om van deze voorlopige beslissing terug te komen. Belanghebbende is daarom voor de behandeling van het onderhavige hoger beroep geen griffierecht verschuldigd.
4.2.
Het (hoger) beroep van belanghebbende richt zich tegen een belastingaanslag [1] , te weten de aanslag IB/PVV 2016. Daarin is het belastbare inkomen uit sparen en beleggen begrepen. Nu tussen partijen vaststaat dat de rendementsgrondslag [2] van belanghebbendes bezittingen en schulden een negatief bedrag is, en belanghebbende dus geen voordeel uit sparen en beleggen [3] heeft genoten, is het Hof van oordeel dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen [4] terecht op nihil is vastgesteld. Een waardevaststelling van de afzonderlijke vermogensbestanddelen – bezittingen en schulden – door het Hof is dan niet aan de orde. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Immateriële schade
4.3.
Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.4.
De Rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep met (afgerond) 29 maanden is overschreden [5] . In hoger beroep is de redelijke termijn met (afgerond) 5 maanden overschreden. In een procedure waarin sprake is van een gering financieel belang, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat er een veroordeling tot een schadevergoeding plaatsvindt. [6] Daar is naar het oordeel van het Hof in dit geval sprake van. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat een belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen, zoals beslissingen over vergoeding van immateriële schade. [7] Het onderwerp van het onderliggende geschil betreft de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag 2016, dat is vastgesteld op nihil. Dit inkomen kan niet lager dan nihil worden vastgesteld, en daarom is – in alle fases van de procedure – sprake van geen enkel financieel belang, als hiervoor bedoeld. [8] De Rechtbank heeft daarom terecht volstaan met de constatering dat de redelijke termijn van berechting in de bezwaar- en beroepsfase is overschreden. Het Hof volstaat voor de hogerberoepfase met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, en zal de Inspecteur respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dus niet veroordelen tot het vergoeden van immateriële schade.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (M. Harthoorn)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 26, lid 1 onderdeel a Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001.
3.Artikel 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001.
4.Artikel 5.1 Wet inkomstenbelasting 2001.
5.Zie overweging 15 van de uitspraak van de Rechtbank.
6.Vgl. HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361.
7.Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
8.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.6 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.