ECLI:NL:GHARL:2026:4313

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/1169 t/m 25/1173
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 lid 3 onder f Wet IB 2001 (tekst 2018)Art. 5.3 lid 3 onder f Wet IB 2001 (tekst 2019)Art. 5.3 lid 3 onder f Wet IB 2001 (tekst 2020)Art. 5.3 lid 3 onder f Wet IB 2001 (tekst 2021)Art. 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over giftenaftrek en belastbaar inkomen sparen en beleggen 2017-2021

Belanghebbende heeft voor de jaren 2017 tot en met 2021 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen, waarbij het geschil zich richt op de giftenaftrek voor 2017-2019 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor 2017-2021. De Rechtbank Gelderland wees de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op giftenaftrek omdat de gestelde giften aan [stichting1] niet met schriftelijke bewijsstukken zijn onderbouwd en de stichting geen ANBI-status had in de betreffende jaren. Ook het restant persoonsgebonden aftrek voor 2021 is niet aannemelijk gemaakt. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is terecht nihil vastgesteld omdat de schulden de bezittingen overtreffen.

Verder is geoordeeld dat de Inspecteur voldoende heeft voldaan aan de hoorplicht in de bezwaarfase, ondanks dat belanghebbende niet op het hoorgesprek verscheen. De Rechtbank heeft ten onrechte geen dwangsom toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn bij de aanslag 2017; het Hof stelt deze vast op € 1.442. Vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen vanwege het geringe financiële belang. De Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: De aanslagen 2017-2021 zijn juist vastgesteld, dwangsom van € 1.442 wordt toegekend, giftenaftrek en immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/1169 tot en met 25/1173
uitspraakdatum: 23 juni 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 april 2025, nummers ARN 23/1967, 23/1968, 23/5138, 23/5140 en 23/5141, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2017 tot en met 2021 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft – voor de jaren 2017 en 2018 – bij uitspraken op bezwaar de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). Bij de Rechtbank is door belanghebbende ook rechtstreeks beroep ingesteld tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 tot en met 2021. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. M. van Leeuwen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaken zijn tegelijk behandeld met de zaak met het kenmerk 24/354.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in de jaren 1986 en 1998 de [stichting1] en de [stichting2] opgericht en is bestuurder van beide stichtingen. Op 21 maart 2011 heeft belanghebbende de [stichting3] ) opgericht. Genoemde stichtingen zijn in de jaren 2017 tot en met 2021 geen algemeen nut beogende instelling (ANBI) of culturele instelling, als bedoeld in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.2.
Tot de gedingstukken behoort een uitspraak van de Rechtbank van 24 maart 2015 met zaaknummer AWB 14/2800. Belanghebbende in die zaak is [stichting1] te [vestigingsplaats] . Volgens deze uitspraak is bij het onderzoek ter zitting in die zaak op 9 februari 2015 bij de Rechtbank belanghebbende, als voorzitter en vertegenwoordiger van [stichting1] , verschenen. Uit de uitspraak volgt dat bij beschikking van 14 mei 2013 [stichting1] met ingang van 1 mei 2011 niet langer is aangemerkt als ANBI en met ingang van 1 januari 2012 niet langer als culturele instelling. Deze beschikking is bij uitspraak op bezwaar in stand gebleven. De Rechtbank heeft het beroep van [stichting1] tegen die uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
2.3.
Op 14 december 2015 heeft belanghebbende met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst (de VSO) gesloten. De VSO heeft betrekking op de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2015.
2.4.
In de VSO is over de vorderingen en schulden van belanghebbende het volgende opgenomen, waarbij voor partij A moet worden gelezen belanghebbende:
“(…) Vorderingen en schulden
Partij A heeft een geschil over de hoogte van mogelijke vorderingen op en schulden aan [naam3] , [naam4] , [naam5] en de stichtingen. Voor de belastingjaren 2011 tot en met 2015 spreken partijen af dat ervan uitgegaan wordt dat mochten de bezittingen van partij A (waaronder de vorderingen en zijn onroerende zaken), de schulden al overtreffen hieruit geen belastingheffing in box 3 volgt omdat deze [onder] het heffingsvrije vermogen vallen. Voor wat betreft de belastingjaren 2016 en volgend spreken partijen met betrekking tot deze vorderingen en schulden af dat de wettelijke (fiscale) regels van toepassing zijn. De vorderingen en schulden zullen overeenkomstig de waarde in het economische verkeer in de aangifte moeten [worden] opgenomen. Partij A zal hierbij aansluiten bij de meest recente gerechtelijke uitspraak voor zover hierover een geschil met de wederpartij is. Op verzoek van de Belastingdienst is partij A gehouden informatie te verstrekken over de hoogte van de vorderingen en schulden. Met betrekking tot de schulden aan de heer [naam3] en de heer [naam4] spreken partijen het volgende af: Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam3] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedrag. Voor zolang de rechter hierover geen uitspraak heeft gedaan wordt, zolang de schuld bestaat, voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen gewaardeerd op € 675.000. Indien de rechter geoordeeld heeft, maar er nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden zijn partijen bevoegd een afwijkend standpunt over de hoogte van deze schuld in te nemen en is hij niet gebonden aan deze afspraak. Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam4] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedrag. Voor zolang de rechter hierover geen uitspraak heeft gedaan wordt, zolang de schuld bestaat, voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen gewaardeerd op € 4.651. Indien de rechter geoordeeld heeft, maar er nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden zijn partijen bevoegd een afwijkend standpunt over de hoogte van deze schuld in te nemen en Is hij niet gebonden aan deze afspraak. (…).”
2017
2.5
Belanghebbende heeft op 30 april 2018 zijn aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning voor persoonsgebonden aftrek (pga) bedraagt € 14.754. Daarop is € 14.754 aan pga in mindering gebracht. Dat bedrag bestaat voor € 155 uit aftrek van specifieke zorgkosten, en voor € 522.169 uit een gift aan [stichting1] , vermeerderd met een ‘verhoging aftrek periodieke giften culturele instellingen’ van € 1.250, tot € 523.419. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt volgens de aangifte per saldo nihil. Belanghebbende heeft aan bezittingen een bedrag van totaal € 579.518 en aan schulden een bedrag van totaal € 1.827.275 opgenomen. Het bedrag aan schulden van € 1.827.725 betreft een schuld van € 896.598 aan [stichting1] en een schuld aan de heer [naam3] (hierna: [naam3] ) van € 933.677, verminderd met € 3.000 [1] .
2.6.
Met dagtekening 13 augustus 2019 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 (hierna: aanslag 2017) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.599. De aanslag 2017 maakt geen melding van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het bedrag van de aanslag 2017 is nihil.
2.7.
Belanghebbende heeft op 23 september 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2017. Op 1 december 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende zijn voorgenomen uitspraak op bezwaar gestuurd. De Inspecteur heeft belanghebbende meerdere keren benaderd om een hoorgesprek in te plannen. Dit is gebeurd bij e-mailberichten van 9 februari 2022, van 25 juli 2022 en van 8 augustus 2022. In de e-mail van 25 juli staat onder meer: ‘Graag zou ik uiterlijk 29 juli 2022 uw reactie ontvangen om tot een afspraak voor een hoorgesprek te komen. Anders zal ik u na die datum op eigen initiatief uitnodigen voor een hoorgesprek’ Het in te plannen hoorgesprek had betrekking op belastingjaren 2017 en 2018.
In het e-mailbericht van 8 augustus 2022 staat onder meer ‘Gezien uw gezondheidssituatie zal ik u nog één keer uitstel verlenen voor het hoorgesprek. Ik hoop dat in de tussentijd uw gezondheid zich verbetert. Wel houdt dat in dat ik in september een hoorgesprek zal inplannen. Ik zal u daarover nog informeren’ Op 30 september 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende per aangetekende brief uitgenodigd voor een hoorgesprek op 26 oktober 2022 om 10:00 uur op het Belastingdienstkantoor te Arnhem. Op 21 oktober 2022 heeft belanghebbende zich voor dit hoorgesprek afgemeld, en verzocht het te verplaatsen naar 23 november 2022. De Inspecteur heeft belanghebbende bij e-mailbericht van 25 oktober 2022 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 2 november 2022 om 13:00 uur. Belanghebbende heeft op 25 oktober 2022 de Inspecteur bericht het tot 20 november 2022 druk te hebben met het helpen van mensen op kunstbeurzen en verzocht om een hoorgesprek na 21 november 2022. Belanghebbende is niet verschenen op het hoorgesprek van 2 november 2022. Op 8 november 2022 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij het bezwaar is afgewezen.
2018
2.8.
Belanghebbende heeft op 31 maart 2019 zijn aangifte IB/PVV 2018 (hierna: aangifte 2018) ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning voor pga bedraagt € 14.978. Daarop is aan pga € 14.978 in mindering gebracht. De geclaimde pga bestaat uit een gift van € 522.169 aan [stichting1] , waarop een ‘verhoging aftrek periodieke giften culturele instellingen’ is toegepast van € 1.250, zodat deze in totaal € 523.419 bedraagt. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt per saldo nihil, onder opgave van een totaal bedrag aan bezittingen van € 480.370 en een totaal bedrag aan schulden van € 1.845.207. Het betreft een schuld van € 914.530 aan [stichting1] en een schuld aan [naam3] van € 933.677, verminderd met € 3.000 [2] .
2.9.
Bij brief van 28 februari 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om af te wijken van de aangifte 2018 met betrekking tot de in aftrek gebrachte giften en de in box 3 opgenomen schulden. Met dagtekening 19 november 2020 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 (hierna: aanslag 2018) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.978. De aanslag 2018 maakt geen melding van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het bedrag van de aanslag 2018 bedraagt nihil.
2.10.
Belanghebbende heeft op 19 december 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2018. Op 1 december 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende zijn voorgenomen uitspraak op bezwaar gestuurd. De Inspecteur heeft belanghebbende meerdere keren benaderd om te komen tot een afspraak over een hoorgesprek. Belanghebbende is niet verschenen op het hoorgesprek van 2 november 2022. Voor de gang van zaken rondom het plannen van het hoorgesprek verwijst het Hof naar onderdeel 2.7. Op 8 november 2022 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan, waarin het bezwaar is afgewezen.
2019
2.11.
Belanghebbende heeft op 30 april 2020 zijn aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning voor pga bedraagt € 15.596. Daarop is € 15.596 aan pga in mindering gebracht. De geclaimde pga bestaat uit een gift van € 522.169 aan [stichting1] , waarop een ‘verhoging aftrek periodieke giften culturele instellingen’ is toegepast van € 1.250, zodat deze in totaal € 523.419 bedraagt. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt nihil, onder opgave van een totaal bedrag aan bezittingen van € 535.018 en een totaal bedrag aan schulden van € 1.882.072. Laatstgenoemd bedrag betreft een schuld van € 932.821 aan [stichting1] en een schuld aan [naam3] van € 952.351, verminderd met € 3.100 [3] .
2.12.
Bij brief van 19 september 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om af te wijken van de aangifte 2019 met betrekking tot de in aftrek gebrachte giften en de in box 3 opgenomen schulden. Met dagtekening 21 oktober 2022 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 (hierna: de aanslag 2019) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.596. De aanslag 2019 maakt geen melding van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het bedrag van de aanslag 2019 bedraagt nihil.
2.13.
Belanghebbende heeft op 22 november 2022 rechtstreeks beroep ingesteld tegen de aanslag 2019. De Inspecteur heeft hiermee ingestemd.
2020
2.14.
Belanghebbende heeft op 6 maart 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 16.161. Belanghebbende heeft geen pga in aanmerking genomen. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt per saldo nihil, uitgaande van een totaal bedrag aan bezittingen van € 603.049 en een totaal bedrag aan schulden van € 2.139.150. Het betreft schulden van € 951.477 en € 200.000 aan [stichting1] en een schuld aan [naam3] van € 990.773, verminderd met € 3.100 [4] .
2.15.
Met dagtekening 27 januari 2023 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 (hierna: de aanslag 2020) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.161. De aanslag 2020 maakt geen melding van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het bedrag van de aanslag 2020 bedraagt nihil.
2.16.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2023 rechtstreeks beroep ingesteld tegen de aanslag 2020. De Inspecteur heeft hiermee ingestemd.
2021
2.17.
Belanghebbende heeft op 25 april 2022 zijn aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning voor pga bedraagt € 16.601. Hij heeft € 1.912.432 aan pga geclaimd. Dat is gespecificeerd als ‘restant persoonsgebonden aftrek’. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt per saldo nihil, onder opgave van een totaal bedrag aan bezittingen van € 593.963 en een totaal bedrag aan aftrekbare schulden van € 2.372.957. Laatst genoemd bedrag betreft een schuld van € 1.362.488 aan [stichting3] , een schuld aan [VVE] van € 3.081 en een schuld aan [naam3] van € 1.010.588, verminderd met € 3.200 [5] .
2.18.
Met dagtekening 4 juli 2023 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 (hierna: aanslag 2021) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.601. De aanslag 2021 maakt geen melding van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
2.19.
Belanghebbende heeft op 30 juni 2023 rechtstreeks beroep ingesteld tegen de aanslag 2021. De Inspecteur heeft hiermee ingestemd.
Overig
2.2
In het dossier bevindt zich een voor een notaris verleden overeenkomst van schuldbekentenis van 16 juli 2021. Hierin verklaart belanghebbende dat hij sedert 30 januari 2015 een bedrag van € 1.076.193 schuldig is aan de [stichting3] .

3.Geschil

3.1.
In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
  • Zijn de aanslagen 2017 tot en met 2021 juist vastgesteld? Het geschil spitst zich toe op de door belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 geclaimde giftenaftrek en op de vaststelling van het voordeel uit sparen en beleggen voor de belastingjaren 2017 tot en met 2021.
  • Is belanghebbende – voor de jaren 2017 en 2018 – in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord?
  • Heeft de Rechtbank terecht geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?
3.2.
In hoger beroep is niet meer in geschil dat de Inspecteur de maximale dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 verschuldigd is. Het Hof zal daarom de reeds verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.442.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft bericht niet in staat te zijn om griffierecht te betalen. Het Hof heeft in verband daarmee een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft de griffier bij brief van 16 juli 2025 aan belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en dat daarom vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding om van deze voorlopige beslissing terug te komen. Belanghebbende is daarom voor de behandeling van het onderhavige hoger beroep geen griffierecht verschuldigd.
De geclaimde giftenaftrek
4.2.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften in 2017 t/m 2019 ieder jaar een bedrag van € 522.169 als gift aan [stichting1] opgevoerd, waarop hij een ‘verhoging aftrek periodieke giften culturele instellingen’ heeft toegepast van € 1.250, waardoor de geclaimde giftenaftrek per jaar in totaal € 523.419 bedraagt. In 2021 heeft belanghebbende als ‘restant persoonsgebonden aftrek’ een bedrag van € 1.912.432 in aftrek gebracht.
4.3.
Giften zijn bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. [6] Alleen giften aan ANBI’s, aan bepaalde verenigingen of aan steunstichtingen SBBI komen onder voorwaarden voor aftrek in aanmerking. [7] Giften moeten door degene die aftrek claimt met schriftelijke bescheiden worden onderbouwd. [8] Naar het oordeel van het Hof voldoet belanghebbende niet aan de wettelijke vereisten. Er is geen schriftelijk stuk of betalingsbewijs waarmee de door belanghebbende in zijn aangifte in aftrek gebrachte bedragen als gift aan [stichting1] zijn onderbouwd. Dat betekent dat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende een bevoordeling of bijdrage heeft gedaan aan [stichting1] . Bovendien is deze stichting in de jaren 2017, 2018 en 2019 geen ANBI, vereniging of steunstichting SBBI. Aan [stichting1] betaalde bedragen komen ook daarom niet voor aftrek in aanmerking als gift. Dit betekent dat, ook indien belanghebbende wel bewijs had aangedragen van zijn stelling dat hij giften had gedaan aan [stichting1] , die aftrek niet verleend had kunnen worden, omdat deze stichting geen ANBI was. Belanghebbende heeft dus geen recht op giftenaftrek voor de jaren 2017 tot en met 2019.
4.4.
Voor het jaar 2021 heeft belanghebbende gesteld recht te hebben op een restant pga. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek vanwege eerder niet in aanmerking genomen pga. Dat betekent dat belanghebbende voor het jaar 2021 geen recht heeft op aftrek vanwege een restant pga.
4.5.
Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Het voordeel uit sparen en beleggen
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van belanghebbendes bezittingen de waarde van zijn schulden niet overtreft, en dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen over de jaren 2017 t/m 2021 derhalve nihil bedraagt. Partijen verschillen wel van mening over in hoeverre de waarde van de schulden de waarde van de bezittingen overtreft (zie 2.3 tot en met 2.20).
4.7.
Het (hoger) beroep van belanghebbende richt zich tegen de belastingaanslagen [9] , te weten de aanslag 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021. Daarin is impliciet de vaststelling begrepen dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil is. Nu tussen partijen vaststaat dat de rendementsgrondslag [10] van belanghebbendes bezittingen en schulden een negatief bedrag is, en belanghebbende dus geen voordeel uit sparen en beleggen [11] heeft genoten, is het Hof van oordeel dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen [12] terecht op nihil is vastgesteld. Een waardevaststelling van de afzonderlijke vermogensbestanddelen – bezittingen en schulden – door het Hof is dan niet aan de orde. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Tussenconclusie
4.8.
Uit het bovenstaande volgt dat de aanslagen 2017 tot en met 2021 tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
Hoorgesprek
4.9.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar zijn in beroep ingenomen beroepsgrond dat ten aanzien van de aanslagen 2017 en 2018 ten onrechte in de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft zijn stelling in hoger beroep niet nader gemotiveerd.
4.10.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij een belanghebbende op grond van artikel 7:2, lid 1, Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. [13] De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de Inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen. [14]
4.11.
De Inspecteur heeft vanaf februari 2022 getracht in overleg met belanghebbende een datum voor een hoorgesprek te vinden (zie 2.7 en 2.10). Dat is niet gelukt, waarna de Inspecteur belanghebbende op 8 augustus 2022 heeft medegedeeld dat geen verder uitstel voor het plannen van een hoorgesprek zal worden verleend en belanghebbende vervolgens op 30 september 2022 per aangetekende brief heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 26 oktober 2022. Voor dat gesprek heeft belanghebbende zich afgemeld en verzocht om uitstel. De Inspecteur heeft het hoorgesprek uitgesteld en vervolgens gepland op 2 november 2022. Bij het hoorgesprek van 2 november 2022 is belanghebbende niet verschenen. De Inspecteur heeft daarmee belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld over zijn bezwaren te worden gehoord. Dat belanghebbende vervolgens ervoor heeft gekozen geen gevolg te geven aan de uitnodiging, brengt niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen. Dat zou anders zijn als belanghebbende als gevolg van een omstandigheid die voor rekening van de Inspecteur moet blijven, niet gebruik kon maken van de gelegenheid om te worden gehoord. [15] Het Hof heeft geen reden om aan te nemen dat daarvan sprake was.
Verzoek vergoeding immateriële schade
4.12.
Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.13.
Het Hof stelt voorop dat bovengenoemde redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden, omdat de periode tussen het indienen van het hogerberoepschrift en het doen van uitspraak minder dan twee jaar bedraagt. [16] De Rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden. [17] Het Hof neemt in overweging dat er in procedures waarin sprake is van een gering financieel belang, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat er een veroordeling tot een schadevergoeding plaatsvindt.
4.14.
De vraag is dan of in de belastingjaren 2017 tot en met 2019 sprake is van een gering financieel belang. Het onderwerp van het onderliggende geschil betreft de door belanghebbende in 2017 t/m 2019 geclaimde giftenaftrek en de vaststelling van het voordeel uit sparen en beleggen in 2017 t/m 2021. Omdat de Inspecteur – in alle in geschil zijnde belastingjaren – het inkomen van belanghebbende al had vastgesteld op nihil, en dit inkomen niet lager dan nihil kan worden vastgesteld, heeft dat tot gevolg dat het daarmee direct gemoeide financiële belang (dat wil zeggen het te betalen bedrag aan belasting) nihil bedraagt. In theorie kan het vaststellen van een giftenaftrek – in de vorm van een beschikking ter zake van niet in aanmerking genomen pga – van belang zijn voor de belastingheffing van latere jaren, hetgeen een financieel belang in een later jaar tot gevolg zou kunnen hebben. In het geval van belanghebbende zijn er echter in de jaren 2017 t/m 2019 geen giften gedaan aan een ANBI, aan bepaalde verenigingen of aan steunstichtingen SBBI (zie 4.3). Met het claimen van giftenaftrek heeft belanghebbende een stelling tegen beter weten in ingenomen, en hiermee is geen financieel belang in de onderhavige jaren of in een later jaar gemoeid. Verder houdt het Hof – voor het bepalen van het financiële belang – geen rekening met de (neven)vordering van belanghebbende tot toekenning van een dwangsom, waarover geen geschil meer is (zie 3.2) [18] . Dat betekent dat naar het oordeel van het Hof in deze procedures sprake is van een zeer gering financieel belang. Daarom volstaat het Hof met de constatering dat de redelijke termijn in bezwaar, beroep en hoger beroep is overschreden, en worden noch de Inspecteur, noch de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot het vergoeden van schade. [19]
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep uitsluitend gegrond, omdat de Rechtbank geen dwangsom heeft toegekend met betrekking tot het belastingjaar 2017 (zie 3.2), en is het hoger beroep voor het overige ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht, omdat dat niet is geheven (zie 4.1).
Het Hof ziet in de gegrondverklaring van het beroep wat betreft de toekenning van de dwangsom aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft moeten maken en stelt die vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 voor de kosten in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25) en op € 467 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25). Het Hof gaat voor de wegingsfactor uit van een zeer lichte zaak, omdat het alleen gaat om een toegekende dwangsom.

6.Beslissing

Het Hof
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover zij geen verbeurde dwangsom heeft vastgesteld;
  • stelt de door de Inspecteur verbeurde dwangsom vast op een bedrag van € 1.442;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (M. Harthoorn)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 5.3, lid 3, onder f, Wet IB 2001 (tekst 2018).
2.Artikel 5.3, lid 3, onder f, Wet IB 2001 (tekst 2018).
3.Artikel 5.3, lid 3, onder f, Wet IB 2001 (tekst 2019).
4.Artikel 5.3, lid 3, onder f, Wet IB 2001 (tekst 2020).
5.Artikel 5.3, lid 3, onder f, Wet IB 2001 (tekst 2021).
6.Artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001.
7.Artikel 6.32 t/m 6.35 Wet inkomstenbelasting 2001.
8.Artikel 6.38 en 6.39 Wet inkomstenbelasting 2001.
9.Artikel 26, lid 1, onderdeel a, Algemene wet inzake rijksbelastingen.
10.Artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001.
11.Artikel 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001.
12.Artikel 5.1 Wet inkomstenbelasting 2001.
13.Par. 9 lid 1 Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
14.HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2 t/m 4.1.4.
15.Vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2.
16.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3.
17.Zie overweging 34 en 35 van de uitspraak van de Rechtbank.
18.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
19.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.6.