ECLI:NL:GHARL:2026:4315

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.359.825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:404 lid 1 BWArt. 1:406 lid 1 BWArt. 1:397 lid 1 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie met aanpassing draagkracht en behoefte

De man en vrouw zijn gescheiden ouders van een minderjarige geboren in 2022. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van € 783 per maand aan kinderalimentatie vanaf 16 juli 2025. De man ging in hoger beroep en voerde aan dat de behoefte van het kind en zijn draagkracht onjuist waren vastgesteld, onder meer door onterecht rekening te houden met inkomsten uit verhuur en onderneming, en onvoldoende rekening te houden met zijn schulden.

Het hof stelde vast dat de man verlieslijdende ondernemingen had en beperkte de inkomsten uit verhuur tot netto € 6.162 per jaar. Tevens hield het hof rekening met een inhouding van € 500 per maand op het salaris van de man vanwege een niet-verwijtbare schuld die tijdens de relatie was ontstaan. De man had vanaf 1 december 2025 een lager inkomen wegens ziekte. De vrouw had geen concrete inkomensgegevens overgelegd, maar het hof achtte haar in staat een hoger inkomen te verwerven en stelde haar verdiencapaciteit op € 2.000 bruto per maand.

Het hof berekende de behoefte van het kind op € 893 per maand in 2026, lager dan de rechtbank. De draagkracht van de man werd vastgesteld op € 343 per maand tot 1 december 2025, nihil tot 1 februari 2026, en € 287 daarna. De draagkracht van de vrouw werd hoger ingeschat dan de rechtbank. Op basis hiervan stelde het hof de kinderalimentatie vast op € 280 per maand tot 1 december 2025, nihil tot 1 februari 2026, en € 282 per maand vanaf die datum.

De bestreden beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het kinderalimentatie betreft en het hof sprak de nieuwe bedragen uit. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De overige verzoeken van de man werden afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie en stelt deze vast op lagere bedragen met ingang van 16 juli 2025, rekening houdend met schulden en gewijzigde inkomenssituaties.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.825
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 589385)
beschikking van 2 juli 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.C. Mens,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 589385 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 oktober 2025;
- een journaalbericht van de man van 27 februari 2026 met producties (7-22);
- een journaalbericht van de man van 5 maart 2026 met producties (23-24);
- een journaalbericht van de man van 23 april 2026 met productie (25);
- een journaalbericht van de man van 28 april 2026 met een productie (26).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond van april 2022 tot en met april 2024. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022.
3.2
[de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw. [de minderjarige] verblijft drie weekenden in de maand bij de man van zaterdag 12.00 uur tot en met zondag 20.00 uur.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is beslist dat de man vanaf de datum van de beschikking (16 juli 2025) een bedrag van € 783 per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (kinderalimentatie).
4.2
De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie met ingang van 16 juli 2025 op nihil te stellen, dan wel op een zodanig lager bedrag en met ingang van een zodanig tijdstip als het hof juist acht. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend, maar wel verweer gevoerd op de mondelinge behandeling.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen [1] . Komt een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren [2] . Bij de bepaling van het verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon [3] . Bij de berekening van de onderhoudsbijdrage neemt het hof het Rapport Alimentatienormen 2026 tot uitgangspunt.
Ingangsdatum
5.2
De rechtbank heeft de ingangsdatum voor de kinderalimentatie bepaald op de datum van de beschikking, 16 juli 2025. Deze beslissing is tussen de ouders niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
Behoefte
5.3
De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige] bepaald op € 937 per maand. De rechtbank is uitgegaan van het inkomen dat de ouders in 2024 hadden. De rechtbank heeft hierbij de volgende inkomenscomponenten van de man meegenomen:
  • inkomen uit arbeid € 96.345 bruto per jaar (jaaropgave 2024)
  • inkomen uit verhuur € 12.000 netto per jaar
  • winst uit onderneming € 6.000 netto per jaar
Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 6.498 per maand.
De vrouw had in 2024 geen inkomsten.
De rechtbank heeft overwogen dat volgens de tabellen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.498 de kosten van een kind gemiddeld € 880 per maand zijn in 2024. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 937 per
maand.
5.4
De man is het hiermee niet eens (grief 1) en voert hiertoe aan dat voor de behoefte moet worden uitgegaan van het inkomen in 2023, omdat partijen in 2024 maar een paar maanden hebben samengewoond. Daarnaast dient volgens de man geen rekening te worden gehouden met de inkomsten uit verhuur van € 12.000 en netto inkomsten uit zijn onderneming van € 6.000.
5.5
Het hof gaat, net als de rechtbank, uit van het gezamenlijk netto inkomen in 2024. Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen wordt berekend aan de hand van het laatste gezinsinkomen toen ouders nog bij elkaar waren [4] . Aangezien de ouders in april 2024 uit elkaar zijn gegaan, is dit moment maatgevend voor de berekening van de behoefte van [de minderjarige] .
5.6
Het hof zal, anders dan de rechtbank, bij de vaststelling van de behoefte geen rekening houden met inkomsten van de man uit zijn ondernemingen. De man heeft voldoende aangetoond dat alle drie zijn ondernemingen in 2024 verliesgevend waren. Dit heeft de vrouw ook niet weersproken.
5.7
De man heeft in hoger beroep stukken ingediend waaruit de huurinkomsten en lasten van de woning aan [adres1] blijken. Per saldo leidt dit tot een opbrengst uit huurinkomsten van € 9.429,74 per jaar. Na aftrek van de belasting resteert een netto opbrengst uit huurinkomsten van (afgerond) € 6.162. De vrouw heeft deze berekening en uitkomst niet betwist. Het hof zal rekening houden met dit bedrag aan huurinkomsten bij het berekenen van de behoefte.
5.8
Met een inkomen uit arbeid van € 96.345 bruto per jaar en netto huurinkomsten van € 6.162 per jaar bedraagt het netto besteedbaar inkomen € 5.512 per maand.
5.9
De eerste grief van de man slaagt daarmee gedeeltelijk. Het hof stelt de behoefte van [de minderjarige] vast op een bedrag van € 802 in 2024 [5] . Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 854 per maand en in 2026 € 893 per maand.
Draagkracht man
Inkomen
5.1
De rechtbank heeft geoordeeld dat de draagkracht van de man € 1.782 per maand is. Voor het inkomen van de man in 2025 gaat de rechtbank uit van de laatste twee loonstroken van de man van april en mei 2025, waarop een inkomen van € 6.058 staat
vermeld. De rechtbank houdt geen rekening met de inhouding op het salaris van de man door zijn werkgever van wat door de werkgever teveel is uitbetaald in verband met
ouderschapsverlof. De rechtbank houdt daarnaast rekening met ingehouden pensioenpremie van € 80 per maand. De rechtbank neemt inkomsten uit winst uit onderneming mee bij de berekening, net zoals de inkomsten uit verhuur en komt tot een netto besteedbaar inkomen van de man van € 5.866 per maand.
5.11
De man is het hiermee niet eens. Hij stelt in grief 2 dat zijn inkomen ten onrechte is verhoogd met inkomsten uit verhuur en winst van in totaal € 18.000 netto per jaar. Net als bij de berekening van de behoefte volgt het hof ook hier de stelling van de man dat hij geen winst heeft uit zijn ondernemingen. De ondernemingen zijn inmiddels alle drie opgeheven per 1 juli 2025 respectievelijk 4 november 2025.
Het hof zal in de berekening van de draagkracht rekening houden met een opbrengst uit huurinkomsten van (afgerond) € 6.162 per jaar (zie rov. 5.7).
5.12
Daarnaast voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een pensioenpremie van € 80 per maand. De pensioenpremie bedraagt volgens de man € 100 per maand. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties blijkt dat de pensioenpremie van de man in de maanden april en mei 2025 € 80,06 per maand bedroeg, zodat de rechtbank terecht van dit bedrag is uitgegaan in de berekening. Het hof zal eveneens van dit bedrag uitgaan tot 1 december 2025, nu niet duidelijk is wanneer de premie in de tijd daarvoor is gewijzigd.
5.13
De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de inhouding van de werkgever op het salaris van de man van wat zijn werkgever teveel heeft betaald in verband met ouderschapsverlof, omdat uit een brief van de werkgever van 19 februari 2025 zou blijken dat de inhouding zou eindigen in juli 2025. Dit klopt niet volgens de man. Dit was een voorstel van de werkgever, maar de man is hier niet mee akkoord gegaan omdat te grote bedragen van zijn salaris zouden worden ingehouden. Er is een nieuwe regeling gekomen, waarbij sprake is geweest van inhoudingen op zijn salaris van € 500 per maand tot en met januari 2026 en waarbij in 2025 tevens zijn vakantiegeld is ingehouden en de bonus.
5.14
Het hof overweegt als volgt. De man heeft in hoger beroep salarisspecificaties ingebracht, waaruit onbetwist blijkt dat de inhoudingen van € 500 per maand hebben plaats gevonden tot en met januari 2026. Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met deze inhoudingen. Het betreft de aflossing van een schuld die tijdens de relatie is ontstaan en die niet verwijtbaar of vermijdbaar is. De vrouw heeft niet betwist dat rekening dient te worden gehouden met deze aflossing/inhouding. Het hof zal rekening houden met een inhouding van € 500 per maand op het inkomen van de man tot en met januari 2026. Deze aflossing zal in de berekening worden opgenomen bij post 134a (“extra schulden”).
5.15
De man heeft nog aangevoerd dat zijn inkomen met ingang van 1 december 2025 is verlaagd met 30% in verband met het feit dat hij vanaf november 2024 ziek is. Het inkomen van de man bedraagt volgens hem vanaf 1 december 2025 € 4.071 bruto per maand. De man heeft een e-mail van zijn werkgever overgelegd van 8 oktober 2025, waaruit blijkt dat het salaris van de man vanaf het tweede ziektejaar zal worden verminderd naar 70 %. De vrouw heeft dit niet betwist. Het hof zal met ingang van 1 december 2025 uitgaan van het nieuwe, lagere inkomen van de man. Uit de salarisspecificatie van de man van december 2025 blijkt dat het bruto maandsalaris € 4241,16 bedraagt. Daarnaast blijkt dat de man nog een “mobility allow” van € 285 en een “medical allow” van € 50 ontvangt. Ter zitting heeft de man desgevraagd meegedeeld dat dit onkostenvergoedingen betreft waar geen kosten tegenover staan. Het betreft onder meer reiskosten, terwijl de man geen reiskosten heeft. Het hof zal deze bedragen betrekken bij het bruto inkomen, zodat het hof vanaf 1 december 2025 zal uitgaan van een bruto inkomen van de man van € 4.576 per maand. De pensioenpremie bedraagt in december 2025 € 59,66 zoals blijkt uit de overgelegde salarisspecificatie.
Schulden
5.16
De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met de aflossing op de huurschuld van € 250 per maand, en geen rekening gehouden met de overige (aflossingen op) schulden. De man is het hier niet mee eens. Naar de mening van de man dient eveneens rekening te worden gehouden met de aflossing op een schuld bij [naam4] (grief 3), een schuld aan zijn neef (grief 4), een schuld aan zijn accountant en advocaat, diverse schulden aan tandartsen, schulden aan [naam1] en [naam2] en een schuld aan [naam3] (opgevoerd in de nader ingediende stukken).
5.17
Het hof is van oordeel dat, naast de aflossing op de huurschuld van € 250 per maand, rekening dient te worden gehouden met de aflossing op de schuld bij [naam4] van € 866,14 per maand. De man heeft onweersproken gesteld dat de lening bij [naam4] is aangegaan om diverse schulden die tijdens de relatie zijn ontstaan af te lossen, zoals de kosten voor het afkopen van een leasecontract en het aflossen van diverse creditcardschulden. Deze schuld is naar het oordeel van het hof niet verwijtbaar en niet vermijdbaar. Anders dan de rechtbank is het hof niet van oordeel dat de man deze aflossing kan betalen uit zijn vrije ruimte. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de aflossing op deze schuld.
5.18
Het hof zal geen rekening houden met de aflossingen op de overige door de man aangevoerde schulden. Deze schulden zijn hoofdzakelijk ontstaan na het beëindigen van de relatie van partijen door kosten die beschouwd kunnen worden als kosten van dagelijks levensonderhoud. Het zijn geen dusdanige bijzondere, afwijkende kosten dat hiermee apart rekening gehouden dient te worden in de berekening van de draagkracht van de man. Bovendien heeft de man geen inzicht in en onderbouwing van het verloop van deze schulden gegeven voor wat betreft de aanvang, het einde en het bedrag van de totale aflossing over welke periode, zodat het hof ook om die reden geen rekening kan houden met de aflossing op deze schulden.
5.19
De rechtbank heeft de draagkrachtruimte van de man berekend op een bedrag van
€ 2.546 per maand en de draagkracht op een bedrag van € 1.782 per maand. De man is het hier niet mee eens en stelt in grief 5 dat hij in het geheel geen draagkracht(ruimte). heeft.
Op grond van het bovenstaande komt het hof op de volgende draagkracht van de man:
I. in de periode van 16 juli 2025 tot 1 december 2025 € 343 [6] ;
II. in de periode van 1 december 2025 tot 1 februari 2026 is er geen draagkracht [7] ;
III. vanaf 1 februari 2026 € 287 [8] .
Draagkracht vrouw
5.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat uitgegaan dient te worden van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.002 bruto per maand en dat haar draagkracht € 25 per maand bedraagt. De rechtbank is hierbij ervan uitgegaan dat de vrouw 16 uur per week kan werken en heeft hierbij het minimumloon toegepast. De man is het hier niet mee eens en voert in grief 6 aan dat de vrouw stukken moet inbrengen over haar inkomen, bij gebreke waarvan dient te worden uitgegaan van een inkomen van € 2.000 bruto per maand. De vrouw heeft volgens de man in het verleden altijd gewerkt en van haar kan worden verlangd dat zij 32 uur per week werkt.
5.21
De vrouw heeft geen stukken ingebracht waaruit haar inkomen blijkt. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij wel werkt, maar een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt en daarnaast de nodige toeslagen. De vrouw heeft nog een kind uit een andere relatie. Zij ontvangt daar geen kinderalimentatie voor. De vrouw geeft typecursus aan kinderen. Als [de minderjarige] naar school gaat in september dan kan en wil zij ook meer werken, aldus de vrouw.
5.22
Het hof is van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht een hoger inkomen te verwerven. De vrouw heeft niet aangetoond wat haar inkomen is en heeft evenmin aangetoond wat zij heeft gedaan om een redelijk inkomen te verwerven. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij zich inspant om (deels) te kunnen voorzien in het levensonderhoud van [de minderjarige] . Het hof zal de verdiencapaciteit van de vrouw daarom vaststellen op € 2.000 bruto per maand. Rekening houdend met de toeslagen die zij ontvangt berekent het hof de draagkracht van de vrouw op € 382 per maand in 2025 en € 348 in 2026 [9] .
Zorgkorting
5.23
De rechtbank heeft geoordeeld dat de zorgkorting 15 % is. Dit is tussen de ouders niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
Draagkrachtvergelijking
5.24
Het hof komt tot een lagere behoefte, een lagere draagkrachtruimte van de man en een hogere draagkrachtruimte van de vrouw. De man voert in grief 7 aan dat de bijdrage van de man in de kosten van [de minderjarige] ten onrechte is vastgesteld op € 924 per maand. Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de volgende bedragen aan kinderalimentatie:
I voor de periode van 16 juli 2025 tot 1 december 2025 € 280 per maand [10] ;
II voor de periode van 1 december 2025 tot 1 februari 2026 nihil;
III vanaf 1 februari 2026 € 282 per maand [11] .

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen gemaakt van het eigen aandeel kosten kind, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank van 16 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
8.2
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen:
I Over de periode 16 juli 2025 tot 1 december 2025 € 280 per maand;
II Over de periode van 1 december 2025 tot 1 februari 2026 nihil;
III Met ingang van 1 februari 2026 € 282 per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, J.H. Lieber en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 2 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4
Bijlage 5
Bijlage 6
Bijlage 7

Voetnoten

1.Artikel 1:404 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:406 lid 1 BW Pro
3.Artikel 1:397 lid 1 BW Pro
4.Rapport alimentatienormen 2026, pagina 11
5.Bijlage 1: eigen aandeel kosten kinderen
6.Bijlage 2: draagkracht man 16 juli 2025 tot 1 december 2025
7.Bijlage 3: draagkracht man 1 december 2025 tot 1 februari 2026
8.Bijlage 4: draagkracht man vanaf 1 februari 2026
9.Bijlage 5, draagkracht vrouw
10.Bijlage 6, berekening kinderalimentatie 16 juli 2025 tot 1 december 2025
11.Bijlage 7, berekening kinderalimentatie vanaf 1 februari 2026