ECLI:NL:GHARL:2026:4317

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.362.075
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hervatting en wijziging zorgregeling voor minderjarige na langdurige omgangsbelemmering

De moeder verzocht de rechtbank om de zorgregeling voor hun minderjarige dochter te wijzigen, waarbij omgang met de vader beperkt zou worden tot een zaterdagmiddag om de week. De rechtbank wees dit verzoek af. De moeder ging in hoger beroep omdat de omgang tussen vader en kind sinds januari 2026 volledig was stilgevallen, wat niet in het belang van het kind werd geacht.

Het hof stelde vast dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking van juni 2022 waren gewijzigd, doordat de zorgregeling niet werd nageleefd en het contact tussen vader en kind was verbroken. De moeder betoogde dat de vader geen stabiele factor was en dat het kind weerstand had tegen een volledige weekendregeling. De vader stelde dat de thuissituatie stabiel was en dat het kind positief reageerde tijdens omgangsmomenten, maar erkende het gebrek aan contact sinds januari 2026.

Het hof oordeelde dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moest worden hervat en dat een weekendregeling om de veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag het meest in het belang van het kind was. Tevens sprak het hof zijn zorg uit over het gebrek aan contact tussen de twee minderjarige zussen en benadrukte het belang van herstel van onderling contact. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de gewijzigde zorgregeling werd vastgesteld en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de afwijzing van de rechtbank en stelt een weekendzorgregeling om de veertien dagen vast, die direct uitvoerbaar is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.075
(zaaknummer rechtbank Gelderland 454722)
beschikking van 2 juli 2026
over de zorgregeling voor [minderjarige1]
in de zaak van
[de moeder]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.W. de Gruijl
en
[de vader]die woont in [woonplaats]
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI)
nevenvestiging Enschede

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige1] te wijzigen en deze vast te stellen op een zaterdag om de week van 13.00 uur tot 19.00 uur afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige1]. [minderjarige1] is op [geboortedatum] geboren. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1]. [minderjarige1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. [minderjarige1] heeft sinds 31 januari 2026 geen omgang met de vader.
2.2
De ouders hebben daarnaast nog een dochter, [minderjarige2]. [minderjarige2] woont bij de vader. [minderjarige2] heeft sinds 2 maart 2026 geen omgang met de moeder.
2.3
Bij beschikking van de rechtbank van 7 juni 2022 is een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, die inhoudt
dat:
- [minderjarige1] om de week (in de oneven weken) op zaterdag naar de vader gaat van 13.00 uur tot 19.00 uur. Moeder brengt [minderjarige1] om 13.00 uur naar de vader. De vader brengt [minderjarige1] om 19.00 weer naar huis;
- [minderjarige1] op maandag wekelijks van 14.30 uur tot 19.00 uur naar de vader gaat. De vader haalt [minderjarige1] op uit school. De moeder haalt [minderjarige1] om 19.00 uur op bij de vader. Tijdens de schoolvakanties op een maandag wordt [minderjarige1] thuis opgehaald en is de omgang op maandag van 13.00 uur tot 19.00 uur;
- wanneer de vader een vaste woon- en verblijfplaats heeft zal de GI op tempo van [minderjarige1] in overleg en samenspraak met de betrokken hulpverlening de weekendregeling hervatten waarbij [minderjarige1] om de week van vrijdag na school tot maandagochtend (school) bij de vader is.
2.4
[minderjarige1] staat sinds 26 september 2024 (opnieuw) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 26 september 2026.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht om de bij beschikking van 7 juni 2022 vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [minderjarige1] te wijzigen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige1] om de week op zaterdag (in de oneven weken) van 13:00 uur tot 19:00 uur bij de vader verblijft of anders een zorgregeling die de rechtbank juist vindt.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en haar verzoek om de zorgregeling te wijzigen in een minder lange zorgregeling alsnog toewijst.
4.2.
De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat [minderjarige1] een weekend in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school bij hem verblijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 2 december 2025
  • de stukken van de moeder ingediend op 10 maart 2026 met productie 3
  • de op de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde brief van de vader
4.4.
[minderjarige1] heeft een brief aan het hof geschreven. Zij heeft daarin aan het hof verteld wat zij van de zorgregeling vindt.
4.5.
De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat mr. V. de Roo
  • de vader
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
Op verzoek van de ouders of van een van hen kan de rechter een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. [1]
5.2
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, nu de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige1] en de vader al geruime tijd niet wordt uitgevoerd, sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt.
Hoe oordeelt het hof?
5.3
De moeder stelt dat de vader tot februari 2024 niet beschikte over een eigen woning. Vervolgens is (te) snel 'opgebouwd' naar een weekendregeling, zonder dit met [minderjarige1] te bespreken en zonder rekening te houden met het tempo en de bijzonderheden van [minderjarige1].
[minderjarige1] kan goed aangeven wat zij wil en er moet in haar belang worden gehandeld. [minderjarige1] had al vaker aangegeven niet een heel weekend naar de vader te willen gaan. De zorgregeling is verschillende keren niet nagekomen door de vader. De vader is nimmer een stabiele factor geweest, zodat [minderjarige1] veel onduidelijkheid en onrust heeft ervaren en wantrouwen heeft opgebouwd. De weerstand van [minderjarige1] tegen een weekendregeling nam opnieuw toe op het moment dat de vader voorwaarden aan de omgang ging verbinden. Toen [minderjarige1] haar mening nog duidelijker aangaf, heeft de GI besloten de omgang bij de vader te laten plaatsvinden van vrijdag uit school tot zaterdag 18.00 uur. De vader besloot toen [minderjarige1] niet meer op te halen. Er is nu al sinds 31 januari 2026 geen contact tussen de vader en [minderjarige1] geweest. Geen omgang of contact is niet in het belang van [minderjarige1], zodat de moeder verzoekt een wel uitvoerbare regeling (in het belang van [minderjarige1] en conform haar wensen) vast te stellen. Door een regeling vast te stellen en uit te voeren die past bij [minderjarige1], wordt het terugdraaien of stilleggen daarvan voorkomen. [minderjarige1] krijgt steeds meer zicht op de situatie en voelt zich onprettig/ kan zich onprettig voelen in het contact met de vader. Daar komt de spannende situatie met [minderjarige2] bij. Het contact tussen de vader en [minderjarige1] en [minderjarige1] en [minderjarige2] dient op een zodanige manier plaats te vinden dat [minderjarige1] zich prettig voelt. Alleen dan heeft het komen tot een weekendregeling de meeste kans van slagen. [minderjarige1] dwingen is onwenselijk. Door een te snelle opbouw ontstaat meer weerstand. Na de beslissing van de rechtbank heeft de GI beide ouders verzocht een omgangsplan op te stellen voor een opbouw in het contact tussen de vader en [minderjarige1]. Door de vader is een plan opgesteld waarbij voorbij wordt gegaan aan [minderjarige1] en de beschikking van de rechtbank. [minderjarige1] heeft grote behoefte aan rust, duidelijkheid en het horen van haar stem en mening. Mocht [minderjarige1] haar vader vaker willen zien, zal de moeder dit bewerkstelligen. Op dit moment dient de regeling echter te worden beperkt, zodat kan worden gewerkt aan het (contact) herstel en vertrouwen en de weerstand niet verder wordt gevoed.
5.4
De vader voert aan dat verschillende instanties bij hem thuis zijn geweest om de omstandigheden te beoordelen. Daarbij is vastgesteld dat de situatie bij hem stabiel en geschikt is voor [minderjarige1]. Ook de GI vindt dat [minderjarige1] bij hem een vrolijk en open kind is terwijl zij bij de moeder vaak zeer gesloten is. Tijdens de omgangsmomenten ervaart hij het contact met [minderjarige1] als positief. De dagen verlopen in een goede sfeer en als hij aan [minderjarige1] vraagt of zij het leuk heeft gehad zegt zij doorgaans dat zij het fijn heeft gevonden. Desondanks zegt de moeder vrijwel na ieder omgangsmoment in een email dat [minderjarige1] het niet leuk zou hebben gevonden en dat zij niet opnieuw wil komen. Deze tegenstrijdige signalen zorgen al jarenlang voor spanningen en problemen rondom het contact. Dit wekt bij hem de indruk dat [minderjarige1] wordt beïnvloed in haar keuzes waardoor het contact onnodig moeilijk wordt.
Inmiddels heeft hij al sinds 31 januari 2026 geen contact met [minderjarige1]. [minderjarige2] en [minderjarige1] hebben omdat [minderjarige2] sinds 2 maart geen omgang heeft met de moeder, ook geen contact met elkaar. Dat valt [minderjarige2] zwaar. Zijn wens is om op een rustige en stabiele manier contact te kunnen hebben met [minderjarige1], zonder voortdurende spanningen en conflicten. Daarom verzoekt hij om een duidelijke zorgregeling vast te stellen die daadwerkelijk kan worden nageleefd zonder tegenwerking of voortdurende discussies achteraf.
5.5
Het hof is met de GI en de raad van oordeel dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moet worden hervat. Het hof is voorts van oordeel dat er geen argumenten zijn om de bij de beschikking van 7 juni 2022 vastgestelde weekendregeling niet te hervatten. Op de mondelinge behandeling heeft de jeugdzorgwerker van de GI verklaard mogelijkheden te zien voor hervatting van de zorgregeling als [minderjarige1] maar niet zelf hoeft te beslissen. Zij wil graag duidelijkheid. Het hof begrijpt dat ook de moeder en de vader behoefte hebben aan duidelijkheid. Het hof acht op dit moment het meest in het belang van [minderjarige1] een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige1] van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur, zodat [minderjarige1] bij de moeder haar avondmaaltijd kan gebruiken, en de helft van de vakanties.
Met de raad maakt het hof zich ernstige zorgen over de huidige situatie waardoor [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn opgesplitst en elkaar niet zien. Het blokkeren van het contact tussen de kinderen onderling is erg beschadigend voor de kinderen. Aan die situatie dient zo spoedig mogelijk een einde te komen. Alhoewel de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige2] in deze niet voor ligt gaat het hof er vanuit dat deze nu ook zo spoedig mogelijk kan worden hersteld zodat [minderjarige1] en [minderjarige2] ook onderling weer contact met elkaar kunnen hebben. Dat zouden de ouders ondanks hun conflicten deze zusjes toch moeten willen gunnen: [minderjarige2] en [minderjarige1] kunnen er niets aan doen dat hun ouders zijn gescheiden.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 24 oktober 2025, en opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige1] aldus dat [minderjarige1] om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur en de helft van de vakanties bij de vader verblijft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes en P.B. Kamminga, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 2 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW.