ECLI:NL:GHARL:2026:4323

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.364.221
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader ondanks verzoek moeder

De moeder verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind bij haar te bepalen, omdat zij meende dat het kind stress ervaart en baat zou hebben bij meer aandacht en rust. De rechtbank wees dit verzoek af, wijzigde wel de zorgregeling ten gunste van de moeder en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats bij de vader blijft.

De moeder ging in hoger beroep tegen het afwijzen van haar primaire verzoek. Het hof ontving stukken, sprak met het kind en hield een zitting met beide ouders en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming. Zowel de vader als de raad waren van mening dat de spanningen tussen de ouders de oorzaak zijn van de problemen van het kind en dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats deze spanningen niet zal verminderen.

Het hof oordeelde dat het belang van het kind gebaat is bij rust en stabiliteit en dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats de ingezette hulpverlening zou verstoren. Het hof bekrachtigde daarom de beslissing van de rechtbank en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de vader en wijst het verzoek van de moeder tot wijziging af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.221
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597423
beschikking van 2 juli 2026
in de zaak van
[de moeder]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F. Boor &
en
[de vader]die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.J.E.M. Wielinga-van Dillen

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het verzoek van de moeder, om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen één kind: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Utrecht.
2.2.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
2.3.
[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader. Tot aan de beschikking van de rechtbank van 3 november 2025 was zij om het weekend bij de moeder van vrijdagmiddag tot zondagavond 19.00 uur.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht om primair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder te bepalen. Subsidiair heeft de moeder verzocht de zorgregeling te wijzigen.
3.2.
De rechtbank heeft het primaire verzoek van de moeder afgewezen. De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] iedere week van dinsdag uit school tot donderdag naar school bij de moeder is (met de tussenstap dat [de minderjarige] eerst een periode van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de moeder is) en om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur. De rechtbank heeft ook bepaald dat [de minderjarige] tijdens de vakanties die een week of korter duren bij de moeder is. De langere vakanties worden bij helfte verdeeld waarbij [de minderjarige] tijdens de zomervakantie nooit langer dan twee weken aaneengesloten bij één van de ouders is.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt voor wat betreft het afwijzen van het primaire verzoek van de moeder en alsnog bepaalt dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft. De moeder wil ook dat de vader wordt veroordeeld in de proceskosten.
4.2.
De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 27 januari 2026
  • het verweerschrift
  • de stukken van de moeder ingediend op 15 mei 2026
4.4.
[de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van het wijzigen van haar hoofdverblijfplaats.
4.5.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
In artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een door de ouders onderling getroffen regeling over de hoofdverblijfplaats van hun kind kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn.
Standpunten
5.2.
De moeder vindt het beter voor [de minderjarige] als zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Volgens de moeder gaat het op dit moment niet goed met [de minderjarige]. Ze is erg in zichzelf gekeerd en zij is snel moe. De moeder denkt dat [de minderjarige] veel last van stress heeft. [de minderjarige] is minder creatief dan normaal en heeft volgens de moeder ook steeds meer lichamelijke klachten. De moeder denkt dat het [de minderjarige] zal helpen als zij serieus genomen en dat er beter naar haar geluisterd wordt. Volgens de moeder kan zij [de minderjarige] meer aandacht geven omdat zij overdag altijd beschikbaar is. Hierdoor kan zij [de minderjarige] de rust en veiligheid geven die zij nodig heeft. Om de situatie goed te beoordelen is volgens de moeder een onderzoek door de raad nodig.
5.3.
Ook de vader vindt dat het nu niet goed gaat met [de minderjarige]. Hij denkt dat dit komt doordat er veel spanningen zijn tussen de ouders. Volgens de vader moet de oplossing gezocht worden in de verhouding en de communicatie tussen de ouders. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] zal volgens de vader haar problemen niet oplossen.
5.4.
Volgens de raad heeft [de minderjarige] vooral last van de spanningen tussen de ouders. [de minderjarige] heeft het gevoel dat zij moet kiezen tussen haar ouders en zij zit hierdoor klem. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zal dit probleem voor [de minderjarige] niet oplossen. Binnenkort starten de ouders met een Parallel Solo Ouderschap traject. Volgens de raad kunnen de ouders tijdens dit traject de zorgen die zij beiden over [de minderjarige] hebben bespreken en werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Dat de omstandigheden in de loop van de tijd zijn gewijzigd is geen punt van discussie tussen de ouders zodat het hof kan beoordelen of [de minderjarige] een andere hoofdverblijfplaats moet krijgen.
5.6.
Het hof vindt dat de rechtbank het verzoek van de moeder, tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige], terecht heeft afgewezen. Net als de rechtbank vindt het hof - na eigen onderzoek - het belangrijk dat er rust en stabiliteit voor [de minderjarige] komt. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zal naar het oordeel van het hof enkel voor onrust en onzekerheid zorgen, omdat hierdoor de ingezette hulpverlening stagneert omdat de ouders ieder een andere woonplaats hebben. Het hof acht dit niet in het belang van [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft een goede relatie met haar therapeut van
Beweeg en Beleefopgebouwd. Het is niet in haar belang dat de hulpverlening vanuit Beweeg en Beleef wordt gestopt vanwege een wijziging van haar hoofdverblijfplaats.
5.7.
Het hof ziet, in de door de moeder aangevoerde argumenten, ook geen reden om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen. Net als de raad is het hof van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats er niet voor zal zorgen dat [de minderjarige] zich beter zal voelen omdat door een wijziging de spanningen tussen de ouders niet zal verminderen. Het hof vindt het een goede ontwikkeling dat de ouders starten met een Parallel Solo Ouderschap traject. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de ouders zich inzetten om dit traject met een goed gevolg te doorlopen.
5.8.
Ook merkt het hof nog op dat de moeder niet om een wijziging van de zorgregeling heeft gevraagd. Dat betekent dat de zorgregeling geldt die de rechtbank heeft bepaald, waarbij [de minderjarige] het grootste deel van de tijd bij de vader verblijft. Daarbij past niet dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
5.9.
De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
Proceskosten
5.10.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het gaat om een familierechtelijke procedure. Dit betekent dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, zoals de moeder heeft verzocht.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht,
van 3 november 2025 voor zover die gaat over de hoofdverblijfplaats;
6.2.
compenseert de proceskosten;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.