ECLI:NL:GHARL:2026:4325

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.367.938
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c lid 3 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging uithuisplaatsing wegens niet-uitvoering binnen termijn

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel verleende op 13 maart 2026 een machtiging aan de gecertificeerde instelling (GI) om drie minderjarige kinderen uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026. Deze machtiging werd echter niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden uitgevoerd en zal ook niet meer worden uitgevoerd.

De ouders gingen in hoger beroep tegen deze machtiging. Het hof oordeelde dat de machtiging van rechtswege is komen te vervallen omdat de GI geen uitvoering gaf binnen de termijn. Desondanks hadden de ouders belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging vanwege de inmenging in het gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

Het hof stelde vast dat de GI de machtiging had aangevraagd zonder zeker te zijn van de beschikbaarheid van een geschikte plaats voor de kinderen, wat haar te verwijten viel. De dreiging van uithuisplaatsing heeft het gezinsleven onnodig verstoord. Daarom vernietigde het hof de machtiging en wees het het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing af.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt vernietigd en het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen wegens niet-uitvoering binnen drie maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.938/01 en 200.367.938/02
zaaknummer rechtbank Overijssel 345390
beschikking van 2 juli 2026
over de uithuisplaatsing van
[minderjarige1]
[minderjarige2] en
[minderjarige3]
in de zaak van

1.[de moeder]

2. [de vader]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. T. Geerdink
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo (Overijssel)
en
[grootouders moederszijde]
die wonen in [woonplaats]
en
[grootmoeder vaderszijde]
die woont in [woonplaats]

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 maart 2026 een beslissing tot machtiging van de GI gegeven om de kinderen uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026. Deze beslissing is door de GI niet ten uitvoer gelegd en zal ook niet meer ten uitvoer worden gelegd. Het hof beslist daarom dat deze beslissing niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben drie kinderen:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
- [minderjarige3] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen [minderjarige1] en [minderjarige2] . De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige3] .
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. [minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven bij de grootouders mz en [minderjarige3] verblijft bij grootmoeder vz.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om de kinderen uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissing is gegeven op 13 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd in een beschikking op 27 maart 2026.
3.5
De kinderrechter heeft ook tegelijkertijd op 13 maart 2026 op verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen binnen het netwerk verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 juli 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouderszijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 21 april 2026
  • het verweerschrift van de GI van 15 mei 2026
4.3.
De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de grootmoeder vz

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Nu het hof tegelijkertijd de beslissing in de hoofdzaak geeft hebben de ouders geen belang meer bij hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. De advocaat van de ouders heeft daarom dit verzoek ter mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de ouders dan ook niet ontvankelijk verklaren in hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen.
5.2
Ingevolge artikel 1:265c derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervalt een machtiging tot uithuisplaatsing indien deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 13 maart 2026. Dat betekent dat de termijn van drie maanden op 13 juni 2026 is verlopen. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat aan de machtiging tot uithuisplaatsing geen uitvoering kon worden gegeven en dat de bestreden beschikking in zoverre niet meer ten uitvoer zal worden gelegd.
Het vorenstaande betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in de bestreden beschikking waarover het hof moet oordelen van rechtswege is komen te vervallen.
5.3
De ouders hebben niettemin belang bij een beoordeling in hoger beroep van de rechtmatigheid van de gegeven machtiging. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt immers een inmenging in het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook indien die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is dan ook aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven. Daarvoor zijn geen bijkomende omstandigheden vereist. [1]
5.4
Naar het oordeel van het hof had de machtiging niet behoren te worden verleend. De GI heeft het verzoek kennelijk ingediend zonder zich ervan te vergewissen of aan de verkrijgen machtiging uitvoering kon worden gegeven. Pas na het afgeven van de machtiging moest de GI constateren dat zij feitelijk geen uitvoering kon geven aan de verkregen machtiging omdat er geen geschikte locatie voor de kinderen (tijdig) beschikbaar was. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is bovendien gebleken dat de GI geen verdere inspanningen zou gaan verrichten om tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening te komen. De ouders hebben aldus ‘voor niets’ bijna drie maanden de voornoemde dreiging gevoeld. Van de GI mocht worden verwacht dat zij de machtiging eerst zou aanvragen als zij plaatsen beschikbaar had dan wel dat die plaatsen in een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid binnen de termijn van drie maanden beschikbaar zouden komen. Dat heeft de GI niet gedaan en dat valt haar aan te rekenen.
5.5
De aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
verklaart de ouders niet ontvankelijk in hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen;
6.2
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 maart 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van de datum van deze beschikking;
6.3
wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en P.B. Kamminga, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 18 maart 2022 ECLI:NL:HR:2022:395