ECLI:NL:GHARL:2026:4408

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.367.608
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging voorlopige zorgregeling in kort geding wegens complexe familierechtelijke situatie

De moeder stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de voorzieningenrechter die een voorlopige zorgregeling en dwangsom had vastgesteld ten gunste van de vader. Partijen hebben drie minderjarige kinderen en oefenen gezamenlijk gezag uit. De moeder woont sinds november 2025 met de kinderen op een geheime locatie vanwege vermeend huiselijk geweld en verslaving van de vader.

De voorzieningenrechter had bepaald dat de kinderen elke zaterdag bij de vader verblijven, met overdracht door een derde op een neutrale locatie, en dat de moeder de vader maandelijks schriftelijk informeert over de kinderen. De moeder wilde de uitvoerbaarheid van deze regeling schorsen en de voorlopige zorgregeling afwijzen.

Het hof oordeelde dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid. Gezien de complexe situatie, de tegenstrijdige standpunten en het advies van Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming tot nader onderzoek, is de zaak niet geschikt voor een beslissing in kort geding. Het hof vernietigt daarom de voorlopige zorgregeling en de dwangsom, maar bekrachtigt de informatieregeling. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de voorlopige zorgregeling en dwangsom, bekrachtigt de informatieregeling en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.608
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605847
arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
[de moeder]
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur
en
[de vader]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. V.A.P.B. Lingg

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 10 maart 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing over de (voorlopige) zorgregeling, niet tegen de beslissing over de vastgestelde informatieregeling. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende schorsingsincident
  • de memorie van antwoord
  • de conclusie van antwoord in het incident
  • een nagekomen stuk van de moeder van 18 mei 2026.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen drie kinderen:
- [minderjarige1] , die is geboren op [geboortedatum] ;
- [minderjarige2] , die is geboren op [geboortedatum] , en
- [minderjarige3] , die is geboren op [geboortedatum] .
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
2.2.
De relatie van partijen is beëindigd. Op 16 november 2025 heeft de moeder samen met de kinderen de woning van partijen verlaten. Zij verblijft sindsdien met de kinderen op een geheim adres.
2.3.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank gevorderd dat een voorlopige zorgregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel, uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen. De volgende voorlopige zorgregeling is vastgesteld:
De kinderen verblijven elke zaterdag bij de vader van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de overdracht wordt uitgevoerd door een derde en wel op een locatie niet zijnde de locatie waar de moeder nu verblijft.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft de moeder ook veroordeeld tot nakoming van deze regeling en daaraan een dwangsom verbonden.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft ook bepaald dat de moeder de vader iedere eerste dag van de maand schriftelijk moet informeren over hoe het met de kinderen gaat met daarbij een beschrijving van de dagelijkse bezigheden van de kinderen, de voortgang op school, de gezondheid en andere dagelijkse updates. De moeder hoeft geen foto’s mee te sturen.
2.7.
De bedoeling van het hoger beroep van de moeder is in de eerste plaats dat de werking van het vonnis wordt geschorst (vordering tot schorsing van de ‘uitvoerbaarheid bij voorraad’).
In de tweede plaats heeft zij het hof gevraagd de toegewezen vorderingen – voor zover het over de voorlopige zorgregeling gaat – alsnog af te wijzen.
2.8.
Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand laten (vernietigen) en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
3.1.
Tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat ten tijde van de procedure in eerste aanleg sprake is (geweest) van een spoedeisend belang is geen grief geformuleerd, zodat het hof dat oordeel in stand laat. Ook in hoger beroep heeft de vader nog immer een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Dit volgt naar het oordeel van het hof uit de aard van de vordering.
Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad
3.2.
De voorzieningenrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dit toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder laten weten dat zij haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad intrekt. Het hof maakt hieruit op dat de moeder de gronden van haar vordering niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
Maatstaf
3.4.
Het hof moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop, toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Van belang daarbij is dat voor het leveren van bewijs in een voorlopige voorziening geen ruimte is gezien het spoedeisend karakter.
Standpunten
3.5.
De moeder stelt dat tijdens de relatie, mede door drank- en drugsgebruik van de vader, sprake was van huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle. Daaraan zijn zij en de kinderen volgens haar veelvuldig blootgesteld. De moeder verblijft daarom sinds november 2025 samen met de kinderen op een geheime locatie. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin en adviseert dat er begeleide omgang tussen de kinderen en de vader moet komen, zodat er zicht komt op de dynamiek tussen de vader en de kinderen. Volgens Veilig Thuis moet er voorlopig geen contact zijn tussen de ouders en moeten de kinderen gescreend worden op trauma. De moeder wil dat de adviezen van Veilig Thuis worden opgevolgd.
3.6.
De vader is het hier niet mee eens. De vader stelt dat de kinderen sinds het vonnis van de voorzieningenrechter iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij hem verblijven en dat dit goed verloopt. De kinderen zijn inmiddels gewend aan wekelijks contact met de vader en deze regeling biedt volgens de vader structuur en regelmaat. Het is volgens de vader niet in het belang van de kinderen om de regeling te verminderen of onder begeleiding te laten plaatsvinden.
De vader herkent zich niet in de door moeder geschetste situatie. Volgens de vader ontbreekt een feitelijke en controleerbare onderbouwing van de stellingen van de moeder. De vader heeft een alcoholtest gedaan waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor overmatig, chronisch of dagelijks alcoholgebruik. Er is volgens de vader ook niet vastgesteld dat sprake is geweest van huiselijk geweld. Het vermeende drugsgebruik van de vader is door de moeder niet aangetoond. De vader vindt dat het advies van Veilig Thuis enkel is gebaseerd op de verklaringen van de moeder. De vader plaatst dan ook vraagtekens bij het onderzoek door Veilig Thuis.
3.7.
De raad voor de kinderbescherming (de raad) heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de adviezen van Veilig Thuis op te volgen en een raadsonderzoek te gelasten naar de mogelijkheden voor een zorgregeling in de toekomst. Volgens de raad is er nog onderzoek nodig naar de dynamiek tussen de ouders en tussen ouder(s) en kinderen. Het is een complexe situatie waarin de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. De raad kan nu niet zeggen welke mogelijkheden er voor de omgang zijn, hier moet eerst nader onderzoek naar worden gedaan.
Oordeel van het hof
3.8.
De gevraagde voorziening gaat over het al dan niet vaststellen van een (voorlopige) zorgregeling tussen de vader en de kinderen.
Een kortgeding procedure leent zich in beginsel niet voor de vaststelling van een omgangs- of zorgregeling omdat dit een constitutief vonnis zou opleveren. In beginsel kan alleen, als een zogenaamde ‘ordemaatregel’, de nakoming van een (door de ouders vastgelegde of door de rechtbank vastgestelde) regeling worden gevorderd. Dit kan anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als er geen enkele vorm van contact tussen ouder en kind is. In dat geval kan nakoming van het recht op omgang worden gevorderd, omdat het recht op omgang tussen een ouder en een kind, ook zonder een regeling, rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De voorzieningenrechter kan dan een voorlopige voorziening treffen voor een korte periode, in afwachting van een door de rechter in een bodemprocedure vast te stellen regeling of een door partijen overeen te komen regeling.
In dit geval is aan de bovenstaande voorwaarde voldaan en kan op zichzelf een (voorlopige) zorgregeling worden vastgesteld. Dat heeft de voorzieningenrechter ook gedaan.
Het hof is alleen van oordeel dat, gelet op de bijzonder complexe situatie én de ver uit elkaar liggende standpunten van partijen deze zaak zich niet leent voor een beslissingin kort geding.
Er is heel veel voorgevallen tussen de partijen, de kinderen hebben daar het nodige van meegekregen, en de raad heeft – in lijn met het advies van Veilig Thuis – het hof geadviseerd eerst een (raads)onderzoek in te stellen Daarvoor is in dit kort geding echter geen plaats. De meest gerede partij zal zich, zoals tijdens de zitting ook aan de orde is geweest, tot de familie(bodem)rechter van de rechtbank moeten wenden.
Het hof kan, met andere woorden, de gevolgen van een (constitutieve) beslissing op dit moment onvoldoende overzien. [2]
3.9.
Het voorgaande brengt mee dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter ongedaan zal maken (vernietigen), voor zover dat betrekking heeft op de vastgestelde voorlopige zorgregeling en op de opgelegde dwangsom (onder 5.1. en 5.2. van het bestreden vonnis). De vorderingen van de vader op die onderdelen zijn naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar.
3.10.
Door de aard van het kort geding is in deze procedure evenmin plaats voor bewijslevering. Het hof gaat dan ook aan het bewijsaanbod van de vader voorbij.
Proceskostenveroordeling
3.11.
Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om in zaken als deze, waar het gaat over een familierechtelijk geschil, de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad;
4.2.
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2026 voor zover dat betrekking heeft op de vastgestelde voorlopige zorgregeling en de veroordeling tot betaling van een dwangsom;
4.3
bekrachtigt het vonnis voor zover het betrekking heeft op de opgelegde informatieregeling;
4.4.
compenseert de proceskosten;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, E. de Boer en D.J.I. Kroezen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,
2.artikel 256 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering