ECLI:NL:GHARL:2026:4426

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.369.017/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 BWArt. 1:96 BWArt. 1:116 BWArt. 10:42 BW (oud)Art. 10:45 BW (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen executoriaal beslag op woning ondanks Ests huwelijksgoederenregime

Bucolica B.V. heeft een vordering op de echtgenoot van appellante en legde executoriaal beslag op hun gezamenlijke woning. Appellante voerde aan dat het Estse huwelijksgoederenregime, waarbij sprake is van scheiding van goederen, het verhaal op haar aandeel in de woning uitsluit en vorderde opheffing van het beslag.

Het hof overwoog dat, ook indien het Estse recht van toepassing is, Bucolica zich op grond van het Nederlandse recht en het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 kan verhalen alsof er een gemeenschap van goederen bestaat, omdat appellante en haar echtgenoot geen notariële akte hebben ingeschreven die het huwelijksgoederenregime bekendmaakt. Hierdoor is het beslag niet onrechtmatig of onnodig belastend.

Appellante stelde verder dat het beslag onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en dat verdere executiemaatregelen moeten worden verboden totdat een bodemprocedure hierover beslist. Het hof verwierp deze stellingen en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij appellante werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het executoriaal beslag op de woning blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.369.017/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 609361
arrest in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats] (hierna: [appellante] )
advocaat: mr. H. Loonstein
en
Bucolica B.V.
die is gevestigd in Schiedam (hierna: Bucolica)
advocaat: mr. Y. Benjamins

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellante] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding [1] dat op 28 april 2026 tussen partijen is uitgesproken door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep met daarin opgenomen twee grieven en een vermeerdering van eis en met productie 17
• de van [appellante] op 4 juni 2026 ontvangen nadere producties 18 tot en met 20
• de memorie van antwoord
• de van [appellante] op 15 juni 2026 ontvangen nadere productie 21
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 16 juni 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
1.3
Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

Bucolica heeft een vordering op de echtgenoot van [appellante] en heeft beslag gelegd op hun woning. [appellante] meent dat het huwelijksgoederenregime tussen haar en haar echtgenoot in de weg staat aan het uitwinnen van het beslag en vordert opheffing daarvan. In navolging van de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatig dan wel ‘vexatoir’ (onnodig belastend) beslag en dat er geen reden is voor opheffing van het beslag van Bucolica. Het hof licht dat oordeel hierna toe, nadat het eerst de feiten en de aan de orde zijnde vordering heeft beschreven.

3.De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
In een arrest [2] van 17 februari 2026 heeft dit hof geoordeeld dat de echtgenoot van [appellante] (persoonlijk) € 48.000, vermeerderd met rente en bedragen aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten, proces- en beslagkosten, aan Bucolica moet betalen.
3.2
[appellante] en haar echtgenoot zijn [in] 2015 in Estland getrouwd. In een uittreksel uit het Ests huwelijksregister is daarover (vrij vertaald in de Engelse taal) opgenomen:
“The proprietary relationship selected by the spouses is the proprietary relationship of separateness of property.”. [appellante] had en heeft de nationaliteit van Estland. De echtgenoot van [appellante] was en is statenloos. In januari 2016 hebben [appellante] en haar echtgenoot zich gevestigd in Nederland.
3.3
[appellante] en haar echtgenoot zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning in [plaats] aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is met een hypotheekrecht van een bank bezwaard.
3.4
In een mail van 6 maart 2026 heeft de advocaat van de echtgenoot van [appellante] aan de advocaat van Bucolica onder meer laten weten dat zijn cliënt en [appellante] niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
3.5
Op 16 maart 2026 heeft Bucolica voornoemd arrest laten betekenen, en op 19 maart 2026 heeft zij executoriaal beslag doen leggen op de gehele woning van [appellante] en haar echtgenoot.
3.6
Op 23 maart 2026 heeft de bank aan de beslagleggende deurwaarder laten weten dat zij de executie overneemt.
3.7
[appellante] en haar echtgenoot hebben na vestiging in Nederland niets over hun huwelijksgoederenregime doen opnemen in het openbaar huwelijksgoederenregister als bedoeld in artikel 1:116 BW Pro.
4.
Het geschil, de beslissing van de voorzieningenrechter en de vordering in hoger beroep
4.1
[appellante] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat:
primairhet executoriaal beslag, voor zover dat ligt op het aandeel van [appellante] in de woning, wordt opgeheven, met als gevolg dat het Bucolica wordt verboden de gehele woning executoriaal te verkopen;
subsidiairBucolica wordt veroordeeld het executoriaal beslag, voor zover dat ligt op het aandeel van [appellante] in de woning, met onmiddellijke ingang op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 20.000 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met als gevolg dat het Bucolica wordt verboden de gehele woning executoriaal te verkopen;
met veroordeling van Bucolica in de werkelijke proceskosten, te begroten op € 7.500, althans in de proceskosten.
4.2
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.
4.3
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen, waarbij zij in hoger beroep haar vordering heeft vermeerderd in die zin dat zij nu ook
meer subsidiairvordert dat Bucolica wordt verboden verdere executiemaatregelen te treffen met betrekking tot de woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000 als dat verbod wordt overtreden, met veroordeling van Bucolica in de proceskosten.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

Kern van het geschil
5.1
Tussen partijen is in geschil of Bucolica gerechtigd is om zich op grond van de uit het arrest van dit hof van 17 februari 2026 volgende titel te verhalen op de woning die deels aan [appellante] toebehoort. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij in Estland onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen is gehuwd, zodat Bucolica zich haars inziens niet kan verhalen op de woning, althans op haar aandeel daarin. Bucolica heeft samengevat aangevoerd dat zij er vanuit mag gaan dat [appellante] in gemeenschap van goederen is gehuwd met haar echtgenoot, die de schuldenaar is van Bucolica, zodat de woning in de gemeenschap valt en Bucolica zich hierop kan verhalen.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2
Omdat de beslagen woning is gelegen in Nederland en overigens Bucolica als gedaagde partij in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van dit geschil.
5.3
Gelet op de in rov. 3.2 weergegeven feitelijkheden is tussen partijen in debat of op het huwelijksgoederenregime van [appellante] en haar echtgenoot het recht van Estland van toepassing is. Het antwoord op die vraag kan in het bestek van dit kort geding in het midden blijven. Ook als het hof voorlopig ervan uitgaat dat op het huwelijksvermogensregime van [appellante] en haar echtgenoot het recht van Estland van toepassing is, zoals [appellante] aanvoert, geldt wat hierna in rov. 5.6 en volgende wordt overwogen.
Vermeerdering van eis
5.4
Bucolica heeft als zodanig geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering door [appellante] , die processueel op het juiste moment heeft plaatsgevonden. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten, zodat recht zal worden gedaan op de vermeerderde eis.
Spoedeisend belang
5.5
Tegen het door voorzieningenrechter aangenomen spoedeisend belang van [appellante] bij haar vordering is geen bezwaar gericht. Ook het hof is van oordeel dat het spoedeisend belang van [appellante] bij toewijzing van haar vordering voldoende uit de aard daarvan voortvloeit.
Verhaalbaarheid
5.6
Het hof stelt voorop dat de vraag of in verband met het executoriaal beslag aan Bucolica kan worden tegengeworpen dat het huwelijksgoederenregime van [appellante] en haar echtgenoot wordt beheerst door het recht van Estland, niet in de eerste plaats beantwoord moet worden aan de hand van artikel 1:116 BW Pro maar, tegen de achtergrond van artikel 9 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, aan de hand van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek.
5.7
Als het gaat om het huwelijksvermogensregime zijn regels daarover vastgelegd in de artikelen 10:42 (oud) tot en met 10:53 (oud) BW. Deze bepalingen hebben ook na invoering van de Huwelijksvermogensrechtverordening [3] per 29 januari 2019 hun werking behouden ten aanzien van huwelijken die gesloten zijn tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019. De sluiting van het huwelijk van [appellante] valt in die periode, zodat onder meer de artikelen 10:45 (oud) en 10:46 (oud) BW hier van toepassing zijn. Deze artikelen luiden:
Artikel 10:45 (oud) BW
Een echtgenoot wiens huwelijksvermogensregime wordt beheerst door vreemd recht kan in het in artikel 116 van Pro Boek 1 bedoelde register een notariële akte doen inschrijven, inhoudende een verklaring dat het huwelijksvermogensregime niet wordt beheerst door het Nederlands recht.
Artikel 10:46 (oud) BW
1. Een derde die tijdens het huwelijk een rechtshandeling heeft verricht met een echtgenoot wiens huwelijksvermogensregime wordt beheerst door vreemd recht, kan, indien zowel hij als de beide echtgenoten ten tijde van die rechtshandeling hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, voor de uit die rechtshandeling voortvloeiende schuld ook na de ontbinding van het huwelijk verhaal nemen op de echtgenoten alsof tussen hen naar Nederlands recht algehele gemeenschap van goederen bestond.
2. Lid 1 geldt niet indien de derde ten tijde van de rechtshandeling wist of behoorde te weten dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten werd beheerst door vreemd recht. Zulks wordt geacht het geval te zijn indien de rechtshandeling werd verricht na verloop van veertien dagen nadat een akte als bedoeld in artikel 45 van Pro dit Boek was ingeschreven in het aldaar bedoelde register.
5.8
In dit geval hebben de echtgenoot van [appellante] en Bucolica, zo blijkt uit het arrest van 17 februari 2026, de overeenkomst waarop de te verhalen vordering is gebaseerd, in oktober 2022 en daarmee tijdens het huwelijk gesloten. Deze overeenkomst moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als het verrichten van de rechtshandeling als bedoeld in artikel 10:46 (oud) BW. Dit betekent dat Bucolica als derde, omdat zowel zij als [appellante] en haar echtgenoot ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in Nederland waren gevestigd dan wel hun gewone verblijfplaats hadden, voor de uit die rechtshandeling voortvloeiende schuld verhaal kan nemen op [appellante] en haar echtgenoot alsof tussen hen naar Nederlands recht een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
5.9
Het staat vast dat [appellante] en haar echtgenoot niet een akte als bedoeld in artikel 10:45 BW Pro hebben doen inschrijven, in ieder geval niet voorafgaand aan het verrichten van bedoelde rechtshandeling. Daarom behoeft er niet van uit te worden gegaan dat Bucolica ten tijde van de rechtshandeling (oktober 2022) wist of behoorde te weten dat het huwelijks-vermogensregime van [appellante] en haar echtgenoot werd beheerst door het recht van Estland. Wat [appellante] aanvoert over de kennis bij (de statutair bestuurster mw. [naam] van) Bucolica daarover per 6 maart 2026 (zie rov. 3.5), 5 december 2024 (‘in verband met een klacht bij/over de beslagleggende deurwaarder’) en/of november 2022 (‘verteld tijdens een etentje’), maakt dit – voorlopig oordelend – niet anders. Andere concrete feitelijkheden waarop een weten of behoren te weten, kan worden gebaseerd, heeft [appellante] – op wie de stelplicht en zo nodig de bewijslast rusten – niet aangevoerd.
5.1
Een en ander leidt tot het voorlopig oordeel dat Bucolica zich kan verhalen op alle goederen van de echtgenoot die de rechtshandeling is aangegaan (d.i. de echtgenoot van [appellante] ) overeenkomstig artikel 1:96 BW Pro. Daarnaast kan zij zich verhalen op de goederen van [appellante] als de andere echtgenoot, voor zover deze in de Nederlandse wettelijke gemeenschap zouden zijn gevallen, indien echtgenoten in het Nederlands wettelijke stelsel waren gehuwd. Omdat de woning van [appellante] en haar echtgenoot ingevolge artikel 1:94 BW Pro in de Nederlands wettelijke gemeenschap zou vallen, is Bucolica gerechtigd zich ten aanzien van de uit de overeenkomst voortvloeiende schuld, zoals vastgesteld in voormeld arrest, te verhalen op die woning. Van een onrechtmatig beslag of misbruik van recht, zoals [appellante] stelt, is daarmee geen sprake.
5.11
[appellante] voert nog aan dat het executoriaal beslag onnodig belastend (‘vexatoir’) is. Daarvoor noemt zij geen andere argumenten dan dat Bucolica zich niet op de gehele woning kan verhalen. Dat argument is hiervoor al besproken en verworpen. Het hof ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet in dat het beslag onnodig belastend zou zijn.
5.12
[appellante] stelt verder dat een executoriaal beslag op de gehele woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Ook daarvoor geldt dat zij geen ander argument aandraagt dan dat Bucolica zich haars inziens niet op de woning mag verhalen. Ook dat verweer baat haar dus niet.
5.13
Tot slot betoogt [appellante] nog dat vanwege de onomkeerbare gevolgen van een verhaal op de woning (lees: een verkoop daarvan) het aan Bucolica voorlopig verboden moet worden om verdere executiemaatregelen te nemen totdat in een bodemprocedure is beslist of Bucolica derdenbescherming in de zin van artikel 1:116 BW Pro toekomt. Nog daargelaten de vraag of dat aspect in dit geval voldoende relevant is, geldt dat uit het voorgaande voortvloeit dat het niet waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen op de door [appellante] bepleite wijze.
5.14
Uit het voorgaande volgt dat er geen gronden zijn om het executoriale beslag op te heffen of te beperken, zoals [appellante] vordert.
De conclusie
5.15
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal onder verbetering van gronden worden bekrachtigd. Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [4]
5.16
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing in kort geding

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 28 april 2026;
6.2
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van Bucolica:
  • € 851 aan griffierecht
  • € 2.580 aan salaris van de advocaat van Bucolica (2 procespunten × het toepasselijke tarief II à € 1.290)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.G. Knot en C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli
2026.

Voetnoten

1.Dit vonnis is niet gepubliceerd.
2.Dit arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2026:978.
3.Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 2016, PB L 183/2 van 8 juli 2016.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.