ECLI:NL:GHARL:2026:4453

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.366.323/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 3 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing omgangsregeling vader met minderjarige wegens zwaarwegende belangen kind

De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met zijn in 2023 geboren minderjarige kind vast te stellen. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging. Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek.

De minderjarige staat sinds juli 2023 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en is uit huis geplaatst. De moeder heeft het eenhoofdig gezag. Uit de stukken blijkt dat de minderjarige in haar jonge leven veel heeft meegemaakt, waaronder geweld van de vader tegen de moeder en frequente verhuizingen vanwege dreiging vanuit de vader. De GI heeft aangegeven dat traumabehandeling noodzakelijk is vanwege complexe en relationele trauma's, onder meer veroorzaakt door de relatie met de vader.

Het hof oordeelt dat het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Er zijn ook recente veroordelingen van de vader voor geweld en bezit van seksueel kindermisbruikmateriaal. De vader heeft onvoldoende openheid gegeven over zijn behandelingen, waardoor de risico's voor de minderjarige niet goed kunnen worden beoordeeld. Het hof benadrukt dat het aan de vader is om beschikbaar en klaar te zijn voor contact zodra de minderjarige daartoe in staat is.

Tijdens de zitting gaf de vader aan dat zijn hoger beroep een noodkreet is vanwege het ontbreken van perspectief op contact en beperkte informatievoorziening. De GI en moeder stelden toe dat de vader eenmaal per twee maanden een update over de minderjarige krijgt, maar dit is niet altijd goed verlopen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 16 december 2025.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige wegens zwaarwegende belangen en veiligheidszorgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.323
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 600775
beschikking van 9 juli 2026
over de omgang tussen de vader en [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. K. Walburg
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende1](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom het hof zo beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2023 geboren.
2.2.
De rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 op verzoek van de raad het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met het eenhoofdig gezag.
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 7 juli 2023 onder toezicht gesteld van de GI, deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 oktober 2026. De kinderrechter heeft op 10 juli 2023 een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Die machtiging is daarna steeds verlengd.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, waarbij [de minderjarige] vier weken lang eenmaal per veertien dagen twee uur en daarna vier weken lang eenmaal per veertien dagen vier uur begeleid omgang heeft met de vader, waarna deze regeling weer uitgebreid kan worden.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 16 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en dat het hof een omgangsregeling vaststelt van één uur begeleide omgang per maand en anders een omgangsregeling die het hof juist vindt.
4.2.
De GI is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. De GI wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 13 maart 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • de brief van de raad van 12 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het stuk van de vader ingediend op 18 juni 2026
4.4.
De zitting bij het hof was op 23 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de moeder (met toestemming van het hof via een Microsoft Teams-verbinding)

5.Het oordeel van het hof

Omgangsregeling
Wat staat in de wet?
5.1.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. [1]
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen moet worden afgewezen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook in stand laten (bekrachtigen). De vader heeft in deze procedure ook aangegeven dat de uitleg van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk is. Het hof vindt ook dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof vult die uitleg hieronder nog aan.
5.3.
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [de minderjarige] in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt rondom haar ouders. Zo is er, onder andere tijdens de zwangerschap van de moeder, sprake geweest van geweld van de vader tegen de moeder en heeft [de minderjarige] vaak moeten verhuizen vanwege dreiging vanuit de vader. Dit wordt door de vader ook niet betwist. Voor het hof is het gelet op de ernst van die gebeurtenissen voldoende duidelijk dat [de minderjarige] groot belang heeft bij hulpverlening om die gebeurtenissen te verwerken en een plek te kunnen geven. De GI heeft in dat kader laten weten dat er traumabehandeling nodig is gericht op aanwezige complexe en relationele trauma's, onder meer ontstaan in de relatie met vader. Het hof is het met rechtbank en de GI eens dat de voor de verwerking van de gebeurtenissen benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] voorliggend is. De trauma’s hebben verband met de vader en de behandeling zal naar verwachting veel van [de minderjarige] vragen, zodat het op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] om een omgangsregeling met de vader vast te stellen. Dat de GI geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit de huidige draagkracht van [de minderjarige] blijkt, zoals door de vader naar voren is gebracht, maakt dat niet anders. In dat kader vindt het hof het mede van belang dat uit de stukken blijkt dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] en dat de GI in eerste aanleg heeft laten weten dat haar vanuit verschillende betrokken instanties is geadviseerd om geen informatie te delen met vader over [de minderjarige] en moeder, omdat dit hun veiligheid in gevaar kan brengen.
5.4.
Zoals de rechtbank al heeft overwogen zijn er zelfs als [de minderjarige] al draagkracht zou hebben voor contact contra-indicaties voor het vaststellen van een (begeleide) omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader. Zo is er relatief recent weer sprake geweest van een veroordeling van de vader voor geweld tegen de moeder en het bezit van beeldmateriaal van seksueel kindermisbuik. Anders dan de vader stelt, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat er geen zorgen meer zijn over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader. Zoals de rechtbank al heeft overwogen is meer openheid en inzage in de (inhoudelijke) stand van zaken met betrekking tot behandelingen van de vader nodig om te kunnen beoordelen wat de risico's voor [de minderjarige] zijn in het contact met de vader. Dit zodat de GI op het moment dat [de minderjarige] voldoende draagkracht heeft voor contact met de vader, kan heroverwegen of en op welke wijze een omgangsregeling op verantwoorde wijze kan worden opgestart. Die openheid en inzage heeft de vader tot op heden echter niet gegeven. Het hof benadrukt in dat kader dat het aan de vader is om ervoor te zorgen dat hij, op het moment dat [de minderjarige] daar aan toe is, beschikbaar en klaar is voor contact met [de minderjarige] . Positief is dan ook dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft laten weten dat hij recent alsnog toestemming aan de GI heeft gegeven om de inhoudelijke informatie over zijn behandelingen in te zien.
5.5.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de zitting heeft de vader laten weten dat zijn hoger beroep moet worden gezien als een noodkreet, omdat perspectief op contact volledig lijkt te ontbreken en hij slechts beperkt informatie krijgt over [de minderjarige] . De vader heeft in dat kader verteld dat hij in februari voor het laatst informatie over [de minderjarige] heeft ontvangen. Zowel de moeder als de GI hebben tijdens de zitting benadrukt dat het hun bedoeling is dat de vader eenmaal per twee maanden een update over [de minderjarige] krijgt in de vorm van een verslag en voorzien van foto's. Het bericht dat de moeder in dat kader in mei naar de GI heeft gestuurd, heeft de vader naar nu (b)lijkt echter niet bereikt. De GI heeft tijdens de zitting laten weten te gaan bekijken wat er mis is gegaan. Het hof is het met de GI eens dat de vader met het verstrekken van deze informatie binnen de huidige mogelijkheden en met inachtneming van de belangen van [de minderjarige] betrokken wordt.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 december 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en M.E.L. Klein, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:377a lid 3 BW