ECLI:NL:RBMNE:2025:6746

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/16/600775 / JE RK 25-1523
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om omgangsregeling tussen vader en minderjarige dochter na uithuisplaatsing

In deze zaak verzoekt de vader de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn tweejarige dochter, die uit huis is geplaatst en onder toezicht staat van de GI. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De rechtbank heeft de zitting op 18 november 2025 gehouden, waarbij de vader en zijn advocaat, de moeder via videoverbinding, en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader geen gezag heeft over de minderjarige en dat er geen wettelijke grondslag is voor zijn verzoek. De rechtbank wijst het verzoek van de vader af, omdat er zorgen zijn over de veiligheid van de minderjarige bij contact met de vader, die eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. De rechtbank concludeert dat omgang niet in het belang van de minderjarige is, gezien haar eerdere trauma's en de onveiligheid die de vader met zich meebrengt. De rechtbank benadrukt dat de vader openheid moet geven over zijn situatie en moet samenwerken met de GI als er in de toekomst ruimte komt voor contact.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht, locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600775 / JE RK 25-1523
Gezag en omgang
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K. Walburg,
tegen
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: de moeder,
en:
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen bij de rechtbank op 2 oktober 2025;
  • een bericht van de GI (met bijlagen) van 13 november 2025;
  • een bericht van de vader (met bijlagen) van 17 november 2025.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. De rechtbank heeft partijen gescheiden gehoord in verband met veiligheidsrisico’s. De rechtbank heeft eerst gehoord:
  • de vader met zijn advocaat;
  • [A] en [B] , twee vertegenwoordigers van de GI;
Vervolgens heeft de rechtbank gehoord:
  • de moeder (via een videoverbinding);
  • [A] en [B] , twee vertegenwoordigers van de GI;
Daarna is hetgeen de moeder heeft gezegd weer teruggekoppeld aan de vader bijgestaan door zijn advocaat, in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige (voornaam)] , de tweejarige dochter van de ouders niet gevraagd wat zij van het verzoek vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .
2.3.
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 20 december 2024 op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met het eenhoofdig gezag. Dat betekent dat de moeder zelfstandig de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] mag nemen.
2.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige (voornaam)] op 7 juli 2023 onder toezicht gesteld van de GI, deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 oktober 2026. De kinderrechter heeft op 10 juli 2023 een machtiging verleend om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen. Die machtiging is daarna steeds verlengd.
2.5.
De ouders zijn het niet eens over de omgangsregeling. De vader wil dat er een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige (voornaam)] wordt vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige (voornaam)] eenmaal per veertien dagen twee uur begeleid (vier weken lang) en daarna eenmaal per veertien dagen vier uur begeleid (vier weken lang) met de vader is, waarna deze regeling weer uitgebreid kan worden. De moeder en de GI zijn het niet eens met het verzoek van de vader.

3.De beoordeling

De conclusie
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen. Dat betekent dat er geen omgangsregeling geldt tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
Geen specifiek wetsartikel voor deze situatie
3.2.
De vader heeft verzocht om een omgangsregeling te bepalen op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) waarbij hij zijn verzoek tegen de GI richt en de moeder als belanghebbende aanmerkt. Tijdens de zitting heeft de advocaat toegelicht dat zij heeft gezocht naar de juiste juridische grondslag voor het verzoek. De advocaat vraagt de rechtbank de grondslag te wijzigen (en de procespartijen daarop aan te passen) als blijkt dat er een ander juridisch kader van toepassing is.
3.3.
De rechtbank constateert dat er sprake is van een atypische situatie. De vader wil omgang met [minderjarige (voornaam)] , waarvoor hij in beginsel de moeder dient aan te spreken. Maar [minderjarige (voornaam)] woont vanwege een machtiging tot uithuisplaatsing niet bij de moeder. Als de moeder al zou instemmen met het verzoek van de vader, kan zij daar, vanwege het verblijf van [minderjarige (voornaam)] in het pleeggezin, geen uitvoering aan geven. De GI heeft door de uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] de regie over de contacten van [minderjarige (voornaam)] .
3.4.
De rechtbank heeft in de wet gezocht naar een grondslag voor het verzoek van de vader waarbij die verantwoordelijkheid van de GI ook naar voren komt. Zij heeft daarbij onder meer de artikelen 1:262b, 1:265f en 1:265g (lid 2) BW bekeken, omdat deze artikelen gaan over een kind dat onder toezicht is gesteld. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen van deze artikelen aansluit bij de situatie van de vader en [minderjarige (voornaam)] . Zij licht dat hierna toe.
3.5.
Ten eerste 1:262b BW, dit betreft de geschillenregeling. Dit artikel regelt geschillen die gaan over de uitvoering van de ondertoezichtstelling zoals verder opgenomen in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet. Deze geschillen kunnen aan de rechtbank voorgelegd worden en de rechtbank neemt dan een beslissing die het belang van het kind het beste dient. Nog daargelaten de vraag of op basis van dit artikel een omgangsregeling vastgelegd kan worden, kan de vader op dit artikel geen beroep doen. De wet schrijft namelijk voor wie dit verzoek kan indienen en een ouder zonder gezag komt deze mogelijkheid niet toe. De vader heeft niet het gezag over [minderjarige (voornaam)] .
3.6.
Vervolgens artikel 1:265f BW (lid 1), dit artikel gaat over het beperken van contacten tussen het kind het de met het gezag belaste ouder tijdens een uithuisplaatsing. Ook op dit artikel kan de vader geen beroep doen omdat hij niet belast is met het gezag over [minderjarige (voornaam)] .
3.7.
Tot slot artikel 1:265g (lid 2) BW, dit artikel gaat over het recht op omgang vaststellen of wijzigen tijdens een ondertoezichtstelling. Het verzoek tot vaststellen van een regeling voor contact kan op grond van dit artikel alleen gedaan worden door de GI. Een verzoek tot wijziging van een eerder door de rechtbank op verzoek van de GI vastgestelde contactregeling kan wel door een ouder zonder gezag gedaan worden, namelijk door een omgangsgerechtigde. Tocht kan de vader ook op dit artikel geen beroep doen, omdat er in deze zaak niet eerder een contactregeling door de rechtbank op verzoek van de GI is vastgelegd. Het gaat in deze zaak juist om een eerste vaststelling, niet om een wijziging.
Artikel 1:377a BW
3.7.
Bij gebrek aan een artikel dat specifiek voor deze situatie is geschreven, concludeert de rechtbank dat artikel 1:377a (lid 1 en 2) BW, het algemene artikel over omgang en informatie, de grondslag die de vader heeft gebruikt voor zijn verzoek, daarom het meest passende juridische kader is. Dit artikel bepaalt dat een kind onder meer recht heeft op omgang met zijn ouders, ook als deze niet met het gezag belast zijn. Het artikel geeft verder aan dat deze ouder zonder gezag ook een verzoek kan indienen om een omgangsregeling vast te stellen.
In de literatuur is geconcludeerd dat een ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan een dergelijk verzoek en dat de ouder het verzoek rechtstreeks kan indienen bij de rechter (de ouder hoeft zich niet eerst te wenden tot de GI, zoals soms onterecht wordt gedacht). [1] De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toetsen aan dit artikel.
3.8.
Omdat er nu geen omgangsregeling geldt omdat deze niet eerder is vastgesteld, zal een eventuele afwijzing van het verzoek van de vader in de praktijk neerkomen op een ontzegging van de omgang, zoals bepaald in lid 3 van artikel 1:377a BW. In dit artikel staan de gronden opgesomd op grond waarvan de rechter kan bepalen dat de omgang tussen de verzoekende partij en een kind ontzegd moet worden. De rechtbank zal deze gronden betrekken in haar overwegingen.
De moeder en de GI als wederpartij
3.9.
Uit artikel 1:377a BW blijkt verder niet tegen wie het verzoek van een niet met het gezag belaste ouder zich moet richten. In een situatie waarbij de minderjarige bij de met het gezag belaste ouder woont, wordt die ouder logischerwijs aangemerkt als wederpartij. In deze zaak is dat minder vanzelfsprekend, zoals eerder uitgelegd. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het verzoek van de vader zich zowel richt tegen de moeder als tegen de GI.
Wat partijen vinden
De vader
3.10.
De vader vraagt om een omgangsregeling vast te leggen tussen hem en [minderjarige (voornaam)] waarbij gestart wordt met eenmaal per veertien dagen twee uur begeleide omgang, waarna dit steeds wordt uitgebreid. De vader heeft uitgelegd dat het voor de hechting en identiteit van [minderjarige (voornaam)] belangrijk is dat zij omgang heeft met de vader. De vader is het niet eens met de GI dat hij eerst inzage in zijn medische dossier en behandeling moet laten zien voor er omgang tot stand gebracht kan worden. Verder vindt de vader dat zijn veroordeling los moeten staan van het bepalen van begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] . Aangezien er volgens de vader onvoldoende perspectief is op totstandkoming van het contact, voelde hij zich genoodzaakt tot indiening van dit verzoek.
De GI
3.11.
De GI is het niet eens met het verzoek van de vader. Er zijn veel zorgen over het gedrag van [minderjarige (voornaam)] en haar ontwikkelperspectief. De oorzaak hiervan ligt in vroegkinderlijk- en complex trauma. Hoewel [minderjarige (voornaam)] al uit huis is geplaatst toen zij pas zes maanden oud was, is zij tijdens de zwangerschap en de eerste maanden van haar leven aan zoveel basale onveiligheid blootgesteld dat dit haar ontwikkeling en functioneren tot nu toe getekend heeft. Vanwege de grote zorgen over het huidige welbevinden van [minderjarige (voornaam)] acht de GI het noodzakelijk dat er eerst traumabehandeling wordt opgestart, zodat [minderjarige (voornaam)] behandeld kan worden voor de bij haar bestaande complexe en relationele trauma’s die onder andere zijn ontstaan in relatie tot haar vader. Blootstelling aan enig contact met de vader is daarom nu niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] . Zij heeft daar geen draagkracht voor. Mocht daar op termijn bij [minderjarige (voornaam)] wel een opening voor zijn, dan is openheid van de vader over zijn behandeling voor de GI een voorwaarde om hier stappen in te kunnen zetten. De GI maakt zich namelijk nog steeds ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] bij de vader. Die zorgen zijn ook ingegeven door de feiten waar de vader voor veroordeeld is. Daarnaast zijn er volgens de GI nog steeds veel zorgen over de veiligheid van de moeder en [minderjarige (voornaam)] in relatie tot de vader. De politie en Veilig Thuis duiden op basis van een risicotaxatie-instrument dat er sprake is van intieme terreur van de vader richting de moeder, waarbij er 9 van de 10 punten worden gescoord.
De moeder
3.12.
De moeder is het ook niet eens met het verzoek van de vader. De moeder kan zich vinden in de redenering van de GI. De moeder heeft uitgelegd dat [minderjarige (voornaam)] nog veel traumasignalen laat zien en dat zij, meer dan andere kinderen van haar leeftijd, behoefte heeft aan veiligheid. De moeder is van mening dat de vader die voorspelbaarheid en veiligheid (nu) niet kan bieden, gelet op de veroordelingen van de vader en zijn wispelturige gedrag.
Afwijzing van het verzoek van de vader
Geen draagkracht bij [minderjarige (voornaam)]
3.13.
De rechtbank is het eens met de GI en de moeder. Uit de stukken en het gesprek op de zitting, blijkt dat [minderjarige (voornaam)] veel heeft meegemaakt waardoor zij vroegkinderlijk trauma heeft. De vader is in 2022 veroordeeld voor niet-fatale verwurging en mishandeling van de moeder terwijl zij zwanger was van [minderjarige (voornaam)] . Verder heeft [minderjarige (voornaam)] vaak van plek moeten wisselen vanwege dreiging vanuit de vader. Door die ingrijpende gebeurtenissen laat [minderjarige (voornaam)] complex gedrag zien. Dit gedrag lijkt tekenend voor haar basale gevoel van onveiligheid. Om verder te komen in haar ontwikkeling is rust essentieel. Vanuit die rust en voorspelbaarheid, is de hoop dat [minderjarige (voornaam)] meer vertrouwen krijgt in haar omgeving. Verder moet zij mentale ruimte ervaren voor zij kan starten met traumabehandeling. Contact met de vader, die een bron is geweest van onveiligheid, kan voor [minderjarige (voornaam)] ontregelend werken. Dat is nu niet in haar belang.
Zorgen over de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] bij de vader
3.14.
Zelfs als [minderjarige (voornaam)] al draagkracht had voor contact, ziet de rechtbank contra-indicaties voor het vaststellen van een (begeleide) omgangsregeling tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader. Ten eerste is de vader, bij vonnis van 10 februari 2025 (wederom) veroordeeld voor een geweldsincident, namelijk bedreiging en mishandeling van de moeder. Ook is hij bij datzelfde vonnis veroordeeld voor (onder meer) het bezit van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. [2] De strafbare feiten zijn gepleegd in 2023 en 2024. De rechtbank vindt, anders dan de vader, dat deze veroordelingen wel betrokken moeten worden in de oordeelsvorming over de mogelijkheid tot contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de vader. De strafbare feiten laten namelijk zien dat de vader in staat is tot het plegen van geweld. Dat is zorgelijk. Ook over de verhouding tussen contact met een minderjarige ( [minderjarige (voornaam)] ) en het bezit van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik maakt de rechtbank zich zorgen. De rechtbank vindt, anders dan de vader, dat meer openheid en inzage in behandelingen nodig is om te kunnen beoordelen wat de risico’s voor [minderjarige (voornaam)] zijn in het contact met de vader. Daarbij is ook van belang dat de vader in het verleden heeft benoemd dat hij [minderjarige (voornaam)] wil ontvoeren. Dit gecombineerd met het feit dat de vader heeft gemeld
trackerste willen plaatsen onder de auto van de pleegmoeder en dat er
trackersbij hem thuis zijn gevonden, zorgt er voor dat de rechtbank vrees heeft voor de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] als zij met de vader is. Het is juist voor [minderjarige (voornaam)] , die al zoveel heeft meegemaakt, van belang dat zij niet meer wordt blootgesteld aan een vorm van onveiligheid.
3.15.
Ook een begeleide omgangsregeling biedt volgens de rechtbank nu onvoldoende veiligheid voor [minderjarige (voornaam)] . De rechtbank is namelijk bang dat in het contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] geheime informatie, zoals de verblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] of de moeder, kenbaar wordt voor de vader. Als dat gebeurt, bestaat er een groot risico voor de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] , en voor die van de moeder. De politie heeft immers niet voor niets vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis geadviseerd om geen informatie te delen met de vader over [minderjarige (voornaam)] en de moeder.
3.16.
De rechtbank komt tot de conclusie dat omgang om verschillende redenen niet in het belang is van [minderjarige (voornaam)] omdat dat ernstig nadeel zou opleveren voor haar geestelijke (en mogelijk fysieke) ontwikkeling. Verder heeft de rechtbank vraagtekens bij de geschiktheid van de vader tot contact met [minderjarige (voornaam)] . Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader, voor het vastleggen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige (voornaam)] , afwijzen. Het is aan de vader om, als er ruimte komt bij [minderjarige (voornaam)] , openheid te geven over zijn persoonlijke situatie en mee te werken aan hetgeen de hulpverlening hem dan zal vragen. Hiervoor is een goede samenwerking nodig en het feit dat de vader niet in gesprek wil met de GI, is daarbij niet helpend.
Informatieregeling
3.17.
Hoewel de vader geen verzoek tot vastlegging van een informatieregeling heeft gedaan, is er tijdens de zitting wel over informatieverstrekking gesproken. De vader heeft verteld dat hij het lastig vindt dat hij niet weet hoe het met [minderjarige (voornaam)] gaat. De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij begrijpt dat de vader iets van informatie wil. De moeder denkt ook dat dat goed voor de vader zou zijn en dat zij hierbij ook een belang voor [minderjarige (voornaam)] ziet. De moeder heeft gemeld dat zij zich kan voorstellen dat zij een berichtje stuurt aan de GI en dat de GI dit berichtje vervolgens aan de vader stuurt. De GI heeft gezegd dit punt te zullen oppakken.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de vader af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter in samenwerking met mr. L.N. van Oostveen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.K.A.M. van der Zon, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:265g BW, aant. 9, Deventer: Wolers Kluwer.
2.In de stukken wordt dit strafbare feit aangeduid met de term ‘kinderpornografie’. De rechtbank heeft er voor gekozen die term niet te gebruiken omdat het risico bestaat dat te term bijdraagt aan het bagatelliseren van de ernst van seksueel misbruik en/of seksuele uitbuiting van kinderen.