ECLI:NL:GHARL:2026:4456

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
21-004576-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verdachte wegens te laat ingesteld hoger beroep

Verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter van 9 oktober 2025. De dagvaarding was niet persoonlijk betekend en verdachte was niet aanwezig bij de zitting, maar zijn voormalige raadsman was wel aanwezig. Uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte op de hoogte was van de zitting en de vorderingen, maar niet is verschenen.

Volgens artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moest het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis worden ingesteld. Het hoger beroep werd echter pas op 5 november 2025 ingediend, ruim na het verstrijken van deze termijn. Het hof vond geen reden voor verontschuldiging van deze termijnoverschrijding.

Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 juni 2026 en is gebaseerd op de processtukken en de zitting van het hof.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004576-25
Uitspraakdatum: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 oktober 2025 met parketnummer 96-140308-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 96-282703-20, 96-291264-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze houdt in dat het hof het aanhoudingsverzoek van de verdediging toewijst. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans is aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 9 oktober 2025 is niet aan verdachte in persoon betekend. Verdachte is ook niet op de zitting van de politierechter verschenen. De vorige raadsman van verdachte (mr. P. Bonthuis) is wel verschenen, maar verklaarde niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging namens hem te voeren. De politierechter heeft op 9 oktober 2025 verstek verleend aan verdachte en vervolgens vonnis gewezen.
Uit het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 9 oktober 2025 blijkt dat de voormalige raadsman van verdachte de volgende mededeling heeft gedaan:
“Ik heb contact met verdachte gehad en we hadden vandaag voorafgaand aan de zitting afgesproken de strafzaak te bespreken. Hij was dus voornemens om aanwezig te zijn tijdens de zitting en hij is ook op de hoogte van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling. Ik weet niet waarom hij niet is verschenen en kan daarom ook geen verzoek tot aanhouding doen.”
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte op de hoogte was van de zitting op 9 oktober 2025 en dat de voormalige raadsman daarom geen aanleiding zag om een aanhoudingsverzoek te doen. Het hof heeft in wat door de raadsman van verdachte op de zitting van het hof naar voren is gebracht geen reden om aan deze inhoud van het
proces-verbaal van de zitting te twijfelen.
Bij die stand van zaken kon verdachte volgens artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gedurende veertien dagen na 9 oktober 2025 tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Het hoger beroep is echter pas ruim ná het verstrijken van die termijn, namelijk op 5 november 2025, door verdachte ingesteld. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld.
Het hof is niet gebleken van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.
Nu de verdachte het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn heeft ingesteld, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 juni 2026.